Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AI0096

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-06-2003
Datum publicatie
18-07-2003
Zaaknummer
AWB 02/1518
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 12 augustus 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 2 augustus 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag om subsidie op grond van het Besluit subsidies technische ontwikkelingsprojecten (Stb. 2001, 203) (hierna: Besluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/1518 26 juni 2003

27369 Kaderwet EZ-subsidies

Besluit subsidies technische ontwikkelingsprojecten

Uitspraak in de zaak van:

Digital Film Center Europe B.V., te Arnhem, appellante,

gemachtigde: A, directeur van appellante,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr. R. Volkers en mr. W.A. Lips, beiden werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Op 12 augustus 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 2 augustus 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag om subsidie op grond van het Besluit subsidies technische ontwikkelingsprojecten (Stb. 2001, 203) (hierna: Besluit).

Onder dagtekening 13 november 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 19 maart 2003 heeft appellante een nadere onderbouwing van de gronden van haar beroep ingezonden.

Op 3 april 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij daartoe bestemd formulier, door verweerder ontvangen op 4 oktober 2001, heeft appellante een aanvraag ingediend ter verkrijging van subsidie op grond van het Besluit, voor het project: "AVIO, audio video in out". Bij die aanvraag is een projectplan gevoegd, waarin, voor zover hier van belang, het volgende staat vermeld:

"Doel is om te komen tot een complementaire samenwerking bij de ontwikkeling van conservering, ontsluiting en exploitatie van beeldmaterialen in het digitale domein. DFC beschikt over instrumentarium om (analoge) beeldmaterialen te digitaliseren en na te bewerken.

(…)

Het project AVIO (...) is erop gericht om de ontwikkeling van een filmscanner en digitaal nabewerkingsysteem in een projectaanpak te realiseren. Zodoende kan analoog filmmateriaal in het digitale domein worden gebracht, en vervolgens worden geconserveerd, gerestaureerd, herbewerkt en geëxploiteerd. (...)

C9 Technische knelpunten en risico's?

De technische vraagstukken zullen bij de realisatie van het model naar boven komen.

Enkele van de te verwachten software en hardware vraagstukken zijn:

. gebruiksvriendelijkheid,

. de synchronisatie bij variabele doorvoersnelheden,

. de beheersbaarheid van de kwaliteit van de optische audio scanning

. de aanpak tot verbetering van de gescande video files,

. de integratie van restauratiesoftware,

. hittevraagstukken bij de scanner (koeling van beeldmateriaal)

. hittevraagstukken bij de processor,

. verwerkingssnelheid van de hoge resolutiedata ("the real time of real time"),

. stabiliteit van softwareplatforms, et cetera.

(…)"

Bijgevoegd is een door appellante als 'bijlage financiële gegevens, jaarrekening' geduid stuk, afkomstig van Accountantskantoor B, te Doetinchem. Hierin staan jaarcijfers vermeld terzake van de activa en passiva over de jaren 1998 en 1999 en de prognoses van de activa en passiva over de jaren 2000, 2001 en 2002.

- Op 15 november 2001 heeft een bezoek door verweerder aan appellante plaatsgevonden, waarbij over het onderhavige project is gesproken en door verweerder is meegedeeld dat hij per separate fax de door hem benodigde en door appellante te verstrekken informatie zal opvragen. In aansluiting hierop heeft verweerder appellante bij faxbericht van 20 november 2001 verzocht nadere gegevens te verstrekken omtrent, voor zover hier van belang, de substantiële technische risico's van het project.

- Bij brief van 9 december 2001 heeft appellante terzake nadere informatie verstrekt. In die brief heeft appellante, onder meer, het volgende vermeld.

"Substantiële risico's zijn: het niet verkrijgen van financiering voor het project en het niet tijdig kunnen voltooien van het project.

De risico's kunnen ontstaan wanneer meer tijd verbruikt wordt, dan is voorzien. Dit is het risico voor rekening van DFC. De gevolgen zijn dan voor het Nationale Luchtvaart Themapark op termijn merkbaar.

Een ander risico is dat componenten niet tijdig kunnen worden geleverd. Daartoe is een go/no go beslissing insteld.

Vooralsnog is er geen aanleiding voor zorg over vertraging in levering.

Verdere "contingency" planning is opgenomen in de "strategy" (bedrijfsfilosofie) van DFC. Aanpak van calamiteiten, "disaster recovery" en "dealing with riscs" is hierin vastgelegd.

DFC heeft op grond van de lange praktijkervaring met de ontwikkeling van multimedia projecten een ruim arsenaal aan oplossingen voor crises. Het voert te ver om deze beschrijvingen weer te geven, zonder dat een vraagstuk zich heeft geopenbaard. (…)"

- Bij faxbericht van 19 december 2001 heeft verweerder appellante beweerdelijk verzocht om gegevens te verstrekken omtrent de financiering van de eigen bedrage in de projectkosten. Appellante heeft de ontvangst van dit faxbericht ontkend.

- Bij besluit van 31 januari 2002 heeft verweerder de aanvraag om subsidie afgewezen.

- Bij brief van 1 februari 2002 heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Op 11 maart 2002 is appellante op haar bezwaar gehoord, waarna verweerder bij brief van 14 maart 2002 aan appellante om de volgende informatie heeft verzocht:

"· Aantonen financiering eigen bijdrage: u dient de mogelijkheden voor de eigen financiering aan te tonen op basis van de beschikbaarheid van eigen en of vreemd kapitaal. (…)

· Plan waaruit een creatieve systematische technische ontwikkeling blijkt: het is van belang dat u daarbij duidelijk aangeeft welke technische risico's u via een systematische aanpak moet oplossen en u dient daarbij tevens concreet

aan te geven wat de substantiële technische risico's en eventuele oplossingsrichtingen zijn. Doe dit per technisch knelpunt

(…)"

- Bij brief van 30 maart 2002 heeft appellante terzake informatie verstrekt. Bijgevoegd is een businessplan, waarin het volgende staat vermeld:

" DFC heeft voor de aanvrage reeds een reservering gemaakt voor de investering in de componenten ad: € 74.516,00.

· Blijft op te brengen € 175.343,00. Dit bedrag kan in één jaar ten laste van het resultaat gebracht worden, zonder dat de activiteiten van de groep daardoor in het gedrang zal komen.

(…)

DFC heeft aangetoond dat de eigen financiering op basis van beschikbaarheid van eigen kapitaal wel mogelijk is (…)

De technische vraagstukken zullen vooral bij de realisatie van het model naar boven komen.

(…)

De risico's van het project zijn lastig vanuit een theoretisch kader te beschrijven op voorhand. (…)

De vraag naar de beschrijving van de risico's leidt zodoende naar onze opvatting tot een aantal "guesstimates".

Bij iedere risico kan het project ontsporen, d.w.z. kan het vertraging ondervinden en tot stilstand kunnen komen, indien een remedie niet voorhanden is.

De afloop van het project is in die zin ongewis.

(…)

Het is niet zeker dat alle risicosituaties zich zullen voordoen en het is niet te overzien welke gevolgen risicosituaties uiteindelijk hebben voor het algehele project. We begeven ons op onbekend terrein.

(…)"

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit is, voor zover hier van belang, het volgende overwogen en beslist:

"Het Besluit stelt dat 65% van de projectkosten zelf gefinancierd moet worden. De financiering van het eigen aandeel moet aangetoond worden. U heeft dit onvoldoende aangetoond. In het formulier wordt er nadrukkelijk op gewezen dat voor het aantonen van het eigen aandeel verwachte inkomsten uit de nieuwe ontwikkeling niet en cash flow slechts aanvullend meegenomen mogen worden. De eigen financiering moet dus door eigen of vreemd kapitaal aangetoond worden.

De financiering van de eigen bijdrage is ook op basis van de tijdens de bezwaarprocedure overgelegde stukken niet aangetoond. U heeft geen jaarrekening(en) verstrekt. De bijlage financiële gegevens, jaarrekening' is niet aan te merken als een volledige jaarrekening. Er is geen winst- en verliesrekening van DFCU overgelegd. De cashflow valt niet te herleiden. Er is weliswaar sprake van een opbouw van een reservepost, maar die is in materiële zin niet voldoende. De stelling dat de personele lasten in het verleden door het bedrijf gefinancierd konden worden en dat daarmee aangetoond is dat u dat in de toekomst ook kan doen kan, kan ik niet aanmerken als voldoende onderbouwing. Immers, ik heb geen (volledig) inzicht verkregen in de ontwikkeling van uw financiële situatie (verleden-heden) en de prognose daarvan. U heeft het bezit van eigen kapitaal niet aangetoond. Bovendien heeft u geen getekende garantverklaringen van financiers overgelegd of aangetoond dat u anderszins over vreemd vermogen kan beschikken. (...)

In de bij de aanvraag aangeleverde informatie was een beschrijving van risico' s opgenomen die niet van technische aard waren. Ook in de aanvullende informatie die ik op 3 april 2002 heb ontvangen, worden de technische risico's niet duidelijk gemaakt. (…)

In artikel 1 van het Besluit wordt voorts gesproken over een systematische aanpak. Concreet betekent dit dat een heldere analyse van de technische knelpunten moet worden gemaakt (zie boven) en per knelpunt concrete activiteiten moeten worden beschreven die tot een oplossing van het knelpunt kunnen leiden. (…) Een uitgewerkt projectplan met concrete activiteiten ontbreekt derhalve.

Ook op basis van de tijdens de bezwaarprocedure overlegde informatie concludeer ik derhalve dat het voorgestelde project niet voldoet aan artikel 1 van het Besluit en daarom moet worden afgewezen.

(...)"

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep, voor zover hier van belang, samengevat weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Ten onrechte heeft verweerder de aanvraag om subsidie afgewezen om reden dat appellante de financiering van het eigen aandeel niet heeft aangetoond.

Appellante heeft in dit kader aangevoerd dat zij voldoende inzage heeft gegeven in haar financiële positie. Zij heeft immers een prognose gedaan van de inkomsten die met de activiteiten zullen worden behaald. Voor zover die gegevens niet voldoende zouden zijn geweest, had het op de weg van verweerder gelegen het aanbod van appellante te aanvaarden om haar accountant, B, op die gegevens een toelichting te doen geven.

Verder heeft appellante aangevoerd dat zij reeds 24 jaar actief is als ondernemer. Zij heeft de capaciteiten en financiële draagkracht om dit project naar behoren uit te voeren. Bovendien heeft verweerder appellante reeds eerder, in het kader van een ander project en op grond van een andere subsidieregeling, subsidie verleend. Ook heeft appellante in het verleden diverse grote (Europese) projecten uitgevoerd op het terrein van Research & Development, waarmee grote bedragen waren gemoeid, welke projecten alle goed zijn verlopen. Ook is een businesscase geschreven voor de uitkomst van het project, die concreet en profijtelijk is. Gelet hierop moet worden aangenomen dat appellante in staat is haar eigen aandeel in het project te financieren.

Voorts heeft verweerder ten onrechte aan de afwijzing van de aanvraag om subsidie ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft aangetoond dat terzake het project sprake is van een creatieve systematische activiteit met substantiële technische risico's.

Sprake is van een creatieve systematische activiteit, waaraan substantiële technische risico's zijn verbonden, voor soft- en hardwareonderdelen. Appellante heeft de technische risico's uiteengezet in de projectomschrijving bij haar aanvraag, alsook in haar brieven van 10 december 2001 en 30 maart 2002. Hierin zijn de technische risico's vermeld, alsmede de daaruit voortvloeiende financiële risico's. Ook is daarin gesteld dat de technische risico's eerst in de praktijk zullen blijken. Bij het projectplan is voorts een uitgewerkt activiteiten- en stappenplan gegeven. Verder zijn voor het project contingency-plannen en crisesaanpakken opgesteld. Appellante heeft aangegegen dat de verantwoordelijkheid van het project bij haar ligt. Het project zal in het nationale luchtvaartthemapark Aviodrome ten toon worden gesteld.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College dient te beoordelen of het bestreden besluit, dat strekt tot ongegrondverklaring van het bezwaar van appellante tegen het besluit tot afwijzing van haar aanvraag om subsidie, in rechte stand kan houden. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

5.2 Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit, wordt verstaan onder een ontwikkelingsproject, een creatieve, systematische activiteit, gericht op het omzetten van de resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema's of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, processen of diensten, dan wel wezenlijke onderdelen daarvan, die nieuw zijn voor Nederland, en waaraan substantiële technische risico's en daaruit voortvloeiende financiële risico's zijn verbonden. Blijkens de Nota van Toelichting op dit artikel moeten de financiële gevolgen van die technische risico's de draagkracht van de onderneming te boven gaan.

Hetgeen partijen hierbij verdeeld houdt, stelt het College ten eerste voor de beantwoording van de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat met de ontwikkeling van een filmscanner en digitaal nabewerkingsysteem in het kader van het project 'AVIO, audio video in out', geen sprake is van een creatieve, systematische activiteit waaraan substantiële technische risico's en daaruit voortvloeiende financiële risico's zijn verbonden, als bedoeld in het hiervoor weergegeven artikel.

Het College stelt voorop dat het aan appellante is om aan te tonen dat hier sprake is van een creatieve systematische activiteit, waaraan substantiële technische risico's zijn verbonden in de zin van genoemd artikel. Het College is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zulks met de door appellante overgelegde gegevens niet is aangetoond. Het College heeft bij zijn oordeelsvorming van beslissende betekenis geacht de - hiervoor in rubriek 2 weergegeven - door appellante bij haar aanvraag gegeven projectomschrijving en het gestelde in haar brieven van 9 december 2001 en 30 maart 2002. Welke technische knelpunten bestaan en hierbij zijn op te lossen en waarom hieraan meer dan normale technische risico's zouden zijn verbonden, heeft appellante hierin niet uiteengezet en is ook overigens niet duidelijk geworden. Veeleer komt daarin naar voren dat de daarin genoemde risico's van bedrijfseconomische aard zijn. In die stukken heeft appellante immers aangegeven dat de substantiële risico's haars inziens bestaan uit het niet verkrijgen van financiering voor het project en het niet tijdig kunnen voltooien van het project. Dergelijke risico's kunnen naar het oordeel van het College niet worden aangemerkt als substantiële technische risico's in de zin van voornoemd artikel. Weliswaar heeft appellante in die stukken ook gesteld dat zich bij de uitvoering van het project vraagstukken met betrekking tot soft- en hardware zullen voordoen, doch niet is gebleken dat aan de ontwikkeling daarvan meer dan normale technische risico's zijn verbonden. Het College voegt hieraan toe dat hem evenmin is gebleken dat het project er specifiek op is gericht om de technische risico's op systematische wijze te benaderen en op te lossen.

Gezien het voorafgaande is in het kader van het project 'AVIO, audio video in out' niet kunnen blijken van een systematische activiteit, waaraan substantiële technische risico's zijn verbonden, waarvan de daaruit voortvloeiende financiële gevolgen de draagkracht van appellante te boven gaan, als bedoeld in hiervoor weergegeven bepaling.

Hiermee is niet komen vast te staan dat wordt voldaan aan de in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit neergelegde definitie van een ontwikkelingsproject.

5.3 Hetgeen partijen voorts verdeeld houdt, is of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante er niet in is geslaagd de financiering van haar eigen aandeel in de kosten van het onderhavige project aan te tonen. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

Op grond van artikel 9, eerste lid en onder c van het Besluit beslist verweerder in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen het ontwikkelingsproject niet kunnen financieren.

Ingevolge artikel 3, eerste en tweede lid, van het Besluit bedraagt de subsidie aan een ondernemer die een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt, 35 procent van de projectkosten, maar niet meer dan € 5.000.000,-. Hieruit volgt dat appellante een eigen aandeel in de projectkosten van 65% dient te financieren.

Ook hier stelt het College voorop dat het aan appellante is om de financiering van het eigen aandeel in de projectkosten aan te tonen. Het College is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt, als hiervoor weergegeven en onderbouwd in rubriek 3, heeft gesteld dat appellante met de door haar overgelegde gegevens de financiering van het eigen aandeel in de projectkosten onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Zulks reeds omdat appellante deze eigen bijdrage op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Appellante heeft geen jaarstukken overgelegd en evenmin een verlies- en winstrekening. De door appellante overgelegde 'bijlage financiële gegevens, jaarrekening' is in dit kader ontoereikend, aangezien deze bijlage niet is aan te merken als een volledige jaarrekening. Dat, naar appellante heeft gesteld, haar accountant bereid is de financiële gegevens toe te lichten, kan hieraan gelet op het vorenstaande niet afdoen. Voorts kan de stelling van appellante dat de prognoses van de verwachte inkomsten uit de komende activiteiten een positief beeld vertonen, wat daar overigens van zij, er niet aan af doen dat hiermee feitelijk geen gelden beschikbaar zijn om het project van appellante mede te financieren. Dat appellante, naar zij heeft gesteld, in het verleden andere met het onderhavige project vergelijkbare projecten eveneens heeft weten te financieren, doet aan het vorenstaande evenmin af.

Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat verweerder op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat appellante de financiering van het eigen aandeel niet heeft aangetoond.

Appellante heeft in dit kader nog aangevoerd dat verweerder het besluit in primo heeft genomen, terwijl zij het faxbericht van 19 december 2001 van verweerder waarin appellante in de gelegenheid werd gesteld om gegevens te verstrekken omtrent de financiering van de eigen bedrage in de projectkosten, niet heeft ontvangen. Hieromtrent overweegt het College dat verweerder, zoals hiervoor in rubriek 2 weergegeven, appellante in het kader van de bezwaarprocedure alsnog voldoende in de gelegenheid heeft gesteld de financiering van het eigen aandeel te onderbouwen. Hierin is appellante, zoals hierboven is overwogen, evenwel niet geslaagd.

5.4 Gelet op het vorenstaande moet het beroep ongegrond worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, mr. J.A. Hagen en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2003.

w.g. M.A. van der Ham w.g. I.K. Rapmund