Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AH9700

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-06-2003
Datum publicatie
11-07-2003
Zaaknummer
AWB 02/536
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 28 maart 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 15 februari 2002.

Bij dit besluit is het bezwaar van appellanten gericht tegen de tariefbeschikkingen van verweerder van 7 december 2000, nos. 5300-1000-01-1 en 5300-1500-01-1, verzonden op 8 december 2000, houdende vaststelling van de maximumtarieven voor tandheelkundige hulp aan volwassen en jeugdige ziekenfonds- en niet ziekenfondsverzekerden met ingang van 1 januari 2001, ongegrond verklaard. Op 5 juli 2002 hebben appellanten de gronden van het beroep ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/536 12 juni 2003

13765

Uitspraak in de zaak van:

1. de Vereniging Associatie Nederlandse Tandartsen (ANT), te Heemstede,

2. 615 leden van Vereniging Associatie Nederlandse Tandartsen,

3. E.F.M. Homan, te Hoogland,

appellanten,

gemachtigde: mr. J. Koekkoek, advocaat te Haarlem,

tegen

het College tarieven gezondheidszorg (CTG), te Utrecht, verweerder,

gemachtigde: mr. G.R.J. de Groot, advocaat te 's-Gravenhage.

1. De procedure

Op 28 maart 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 15 februari 2002.

Bij dit besluit is het bezwaar van appellanten gericht tegen de tariefbeschikkingen van verweerder van 7 december 2000, nos. 5300-1000-01-1 en 5300-1500-01-1, verzonden op

8 december 2000, houdende vaststelling van de maximumtarieven voor tandheelkundige hulp aan volwassen en jeugdige ziekenfonds- en niet ziekenfondsverzekerden met ingang van 1 januari 2001, ongegrond verklaard.

Op 5 juli 2002 hebben appellanten de gronden van het beroep ingediend.

Verweerder heeft op 15 oktober 2002 een verweerschrift ingediend.

De ANT heeft het College op 13 februari 2003 een recente lijst doen toekomen van de bij haar aangesloten tandartsen, die haar hebben gemachtigd om namens hen zowel een bezwaar- als een beroepschrift in te dienen.

Op 8 april 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Bij die gelegenheid hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader toegelicht. Voor verweerder waren ter zitting tevens aanwezig drs. J.H. van Dijk en mevrouw mr. K. Schroten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet tarieven gezondheidszorg, verder ook: Wet, is het volgende bepaald.

" Artikel 11

1. Het College stelt beleidsregels vast omtrent de hoogte, de opbouw en de wijze van berekening van een tarief of van onderdelen van een tarief. (…).

2. (…)

Artikel 12

1. Een beleidsregel als bedoeld in artikel 11, eerste lid, behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Een zodanige beleidsregel wordt daartoe gezonden aan Onze Minister.

2. Goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het belang van de volksgezondheid.

3. Het besluit omtrent goedkeuring wordt binnen acht weken na verzending bekendgemaakt. Het nemen van een besluit omtrent goedkeuring kan eenmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd.

4. Indien binnen de in het derde lid genoemde termijn geen besluit tot goedkeuring of verdaging, dan wel binnen de termijn waarvoor het besluit is verdaagd, geen besluit omtrent goedkeuring is genomen, wordt een besluit tot goedkeuring geacht te zijn genomen.

5. (…)."

Titel 10.2. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), die als onderdeel van de "derde tranche" in werking is getreden op 1 januari 1998, handelt over het toezicht op bestuursorganen. Met betrekking tot goedkeuring van besluiten is daarin het volgende bepaald.

"Afdeling 10.2.1. Goedkeuring

Artikel 10:25

In deze wet wordt verstaan onder goedkeuring: de voor de inwerkingtreding van een besluit van een bestuursorgaan vereiste toestemming van een ander bestuursorgaan.

Artikel 10:26

Besluiten kunnen slechts aan goedkeuring worden onderworpen in bij of krachtens de wet bepaalde gevallen.

Artikel 10:27

De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of op een grond, neergelegd in de wet waarin of krachtens welke de goedkeuring is voorgeschreven."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellanten sub 2 en appellant sub 3 behoren tot de groep van vrije beroepsbeoefenaren die in de loop van 1999 en 2000 geconfronteerd zijn met sterk gestegen premielasten voor af te sluiten arbeidsongeschiktheids- en ziektekostenverzekeringen.

- Bij brief van 13 december 2000 heeft verweerder de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verder ook: de Minister, als volgt bericht

" In de CTG-vergadering van 11 december jl. heeft het CTG met betrekking tot het niveau van het inkomensbestanddeel voor de vrije beroeps beoefenaren de herijking van de werkgeverslasten aan de orde gehad. Geconcludeerd is dat de onderdelen arbeidsongeschiktheidsverzekering en de interimuitkering ziektekosten met ingang van 1 januari 2001 herijkt dienen te worden. De macromeerkosten bedragen op jaarbasis circa f 188 miljoen.

(…)

Zoals in het begin van deze brief is aangegeven, is het CTG voornemens de betreffende beleidsregels ingaande 1 januari 2001 op 15 januari 2001 vast te stellen."

- De Minister heeft verweerder in reactie daarop verzocht om vooruitlopend op de op handen zijnde meer definitieve aanpassingen te komen met een tijdelijke beleidsregelwijziging.

- Bij brief van 22 januari 2001 heeft verweerder de door hem op 15 januari 2001 vastgestelde beleidsregels voor de betrokken vrije beroepsbeoefenaren ter goedkeuring aan de Minister voorgelegd.

- Bij brief d.d. 29 januari 2001 heeft verweerder appellanten de ontvangst op

17 januari 2001 van hun bezwaarschrift tegen zijn in rubriek 1 genoemde tariefbeschikkingen van 7 december 2000 bevestigd en hen het volgende meegedeeld:

" Op 15 januari 2001 heeft het CTG gewijzigde beleidsregels met betrekking tot het niveau van het inkomensbestanddeel voor vrije beroepsbeoefenaren vastgesteld. Ingangsdatum van deze beleidsregels is 1 januari 2001. Deze beleidsregels dienen nog te worden goedgekeurd door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Naar verwachting zullen dan per 1 april 2001 nieuwe tariefbeschikkingen worden afgegeven die (deels) tegemoet komen aan uw bezwaren.

In dat kader stelt het CTG u voor het vervolg van de bezwaarprocedure op te schorten tot 1 april 2001."

- Appellanten hebben met de voorgestelde procedure ingestemd.

- De Minister heeft verweerder bij brief van 27 februari 2001 bericht dat de termijn voor goedkeuring van de beleidsregels met vier weken wordt verlengd in verband met bespreking van de financiële gevolgen van de voorgenomen beleidsmaatregelen, waaronder de onderhavige, in het Kabinet. Zij wijst op door haar in een brief aan verweerder van 22 december 2000 genoemde aandachtspunten ten aanzien van de gestegen premiekosten, die een nadere analyse vergen.

- Op 13 april 2001 deelt de Minister schriftelijk aan verweerder mee dat de besluitvorming is vertraagd en dat in verband daarmee goedkeuring aan de betreffende beleidsregels wordt onthouden.

- Vervolgens heeft de Minister verweerder bij brief van 1 juni 2001 als volgt bericht.

" In mijn brief van 13 april 2001, kenmerk Z/P-2172502, heb ik u medegedeeld geen goedkeuring te verlenen aan de desbetreffende beleidsregels. Reden was dat de kabinetsbesluitvorming over de Voorjaarsnota nog niet was afgerond. Bij deze kom ik op dit punt terug.

Mede in het licht van de kabinetsbesluitvorming, kan ik ermee instemmen dat deze beleidsregels -voor zover zij betrekking hebben op die categorieën van vrije beroepsbeoefenaren waarvoor een adequate tariefonderbouwing aanwezig is- structureel, zonder inhaal, worden geconcretiseerd per 1 juli aanstaande. Graag verzoek ik u met inachtneming hiervan voor deze categorieën van vrije beroepsbeoefenaren nieuwe beleidsregels vast te stellen met als ingangsdatum 1 juli 2001."

- Verweerder heeft vervolgens op 18 juni 2001 in verband met de herijking van de werkgeverslasten met ingang van 1 juli 2001 gewijzigde beleidsregels vastgesteld met betrekking tot het inkomensbestanddeel van de onderscheiden groepen vrije beroepsbeoefenaren.

- Bij brief van 19 juni 2001 heeft de Minister haar goedkeuring verleend aan de voor

- onder meer - de beroepsgroep van appellanten vastgestelde beleidsregels.

- Daarop heeft verweerder op dezelfde datum overeenkomstige tariefbeschikkingen vastgesteld.

- Appellanten hebben vervolgens bij brief van 13 juli 2001 aan verweerder meegedeeld hun bezwaren tegen

de tariefbeschikkingen van verweerder van 7 december 2000 in hun geheel te willen handhaven en hun bezwaren volledigheidshalve ook uit te doen strekken tot de in de tariefbeschikkingen van 19 juni 2003 opgenomen ingangsdatum van 1 juli 2001.

- Op 3 oktober 2001 hebben appellanten een aanvullend bezwaarschrift ingediend, waarna zij op 15 november 2001 door verweerder naar aanleiding van hun bezwaren zijn gehoord.

- Daarop heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.

" Met betrekking tot het door Homan c.s. gestelde opgewekte vertrouwen van het CTG merkt het CTG het volgende op. Het CTG heeft zich steeds een voorstander betoond van 1 januari 2001 als ingangsdatum voor compensatie van de gestegen premies voor de arbeidsongeschiktheids- en ziektekosten-verzekering. Overeenkomstig dat standpunt heeft het voor de vrije beroepsbeoefenaren (waaronder tandartsen [algemeen practici]) beleidsregels vastgesteld. Deze zijn echter op 13 april 2001 door de Minister afgekeurd wegens het ontbreken van financiële ruimte. Op 1 juni 2001 heeft de Minister vervolgens aan het CTG verzocht om nieuwe beleidsregels vast te stellen met als ingangsdatum 1 juli 2001 omdat zij naar aanleiding van de besluitvorming van het kabinet over de Voorjaarsnota ermee kan instemmen dat de beleidsregels - voor zover zij betrekking hebben op categorieën van vrije beroepsbeoefenaren waarvoor een adequate tariefonderbouwing aanwezig is - structureel, zonder inhaal, worden geconcretiseerd per 1 juli 2001. Het CTG heeft naar aanleiding van deze brief nieuwe beleidsregels vastgesteld met ingangsdatum 1 juli 2001. In dat verband heeft het CTG de kans om te komen tot een structurele oplossing zwaarder laten wegen dan de kwestie van de ingangsdatum, omdat vasthouden aan de ingangsdatum van 1 januari 2001 met vrij grote zekerheid tot afkeuring van de beleidsregels zou hebben geleid zodat er in het geheel geen oplossing zou zijn geweest. Dat het CTG aan de Minister heeft bericht 1 januari 2001 een reële ingangsdatum te vinden betekent geenszins dat het CTG naar de tandartsen toe vertrouwen heeft opgewekt dat 1 januari 2001 de ingangsdatum zou zijn. Dit volgt ook uit de in de WTG neergelegde systematiek voor de totstandkoming van beleidsregels. Ingevolge de WTG behoeven de door het CTG en conform de inzichten van het CTG vastgestelde beleidsregels altijd de goedkeuring van de Minister van VWS. De Minister heeft daarbij te allen tijde de mogelijkheid een beleidsregel af te keuren wegens strijd met het recht of strijd met het belang van de volksgezondheid. Tot het laatstgenoemde belang behoort de aanwezigheid van voldoende financiële middelen. Aan de beleidsregelvaststelling van het CTG en de correspondentie met de Minister van VWS in het kader daarvan kan dus door organen voor gezondheidszorg of verzekeraars geen enkel gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend. De bestreden tariefbeschikkingen zijn overeenkomstig de per 1 juli 2001 geldende beleidsregels vastgesteld door het CTG.

Verder hebben Homan c.s. aangevoerd dat het CTG stilzwijgend lijkt te hebben ingestemd met de afkeuring van de eerste beleidsregel. Hierover merkt het CTG op dat de Minister de bevoegdheid heeft om beleidsregels goed te keuren dan wel af te keuren en dat instemming van het CTG met dat besluit niet terzake doet. Bij een voorgenomen onthouding van goedkeuring biedt de Minister van VWS aan het CTG weliswaar gelegenheid tot overleg op grond van artikel 10:30 Awb, maar alleen de Minister bepaalt uiteindelijk of een beleidsregel wordt goedgekeurd of niet. In die Awb-procedure heeft het CTG overigens duidelijk op goedkeuring aangedrongen.

Homan c.s. hebben zich voorts beroepen op artikel 1 EP EVRM. Hierover merkt het CTG op dat er van een aanspraak op compensatie over de eerste zes maanden van 2001 geen sprake is. Gewezen zij op hetgeen al door het CTG naar voren is gebracht over het door Homan c.s. gestelde opgewekte vertrouwen. Een aanspraak op compensatie vloeit eerst voort uit een tariefbeschikking waarin de compensatie is verwerkt, omdat de compensatie pas dan via de tarieven rechtsgeldig in rekening kan worden gebracht aan verzekeraars of patiënten.

De tarieven worden door het CTG vastgesteld op basis van door de Minister goedgekeurde beleidsregels. Zolang de Minister geen goedkeuring hecht aan een beleidsregel waarin de compensatie ook voor de eerste zes maanden van 2001 is verwerkt, kan het CTG deze niet in de tarieven verwerken en bestaat er geen aanspraak van tandartsen op die compensatie. Voor zover Homan c.s. met hun bezwaar beoogd hebben aan te geven dat het CTG de compensatie voor het eerste halfjaar van 2001 in afwijking van de beleidsregel had moeten toekennen kan dat bezwaar geen doel treffen. De Minister heeft voor de tandartsen geen goedkeuring willen geven aan compensatie van de gestegen premies over de eerste zes maanden van 2001. Daarmee is de compensatie van de gestegen premies over dit halfjaar een omstandigheid die bewust buiten de beleidsregel is gehouden en dus een omstandigheid op grond waarvan niet (structureel) van de beleidsregel mag worden afgeweken. De inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 Awb is immers niet bedoeld om materieel een beleidsregelwijziging te bewerkstelligen als dat volgens de wettelijk voorgeschreven procedures niet lukt. Van andere bijzondere omstandigheden die zouden nopen tot afwijking van de beleidsregel is niet gebleken.

Evenmin is er sprake van ontneming van eigendom door het CTG in de zin van artikel 1 EP EVRM hetgeen betekent dat er op het CTG geen verplichting rust om de ontneming volledig te compenseren. Allereerst heeft het CTG de premies van de verzekering tegen arbeidsongeschiktheid niet doen stijgen. Van ontneming van eigendom in de zin dat het CTG de gestegen premies over het eerste halfjaar 2001 niet in hogere tarieven heeft vertaald is evenmin sprake. De compensatie die Homan c.s. willen ontvangen behoort niet tot de bestaande eigendom van de tandartsen en van een recht op compensatie is evenmin sprake. Voor de onderbouwing daarvan zij verwezen naar hetgeen hierboven over de aanspraak op compensatie is vermeld, alsmede naar wat is opgemerkt over de in de WTG neergelegde bevoegdheidsverdeling tussen de Minister en het CTG. Van ontneming van eigendom kan pas sprake zijn als het recht op compensatie is neergelegd in een tariefbeschikking. De compensatie kan door het CTG niet in de tarieven worden verwerkt zolang de Minister geen beleidsregel heeft goedgekeurd die daarvoor de grondslag biedt.

De Minister kan daarbij een gerechtvaardigd beroep doen op het ontbreken van financiële ruimte om een beleidsregel af te keuren, omdat de aanwezigheid van voldoende financiële middelen onderdeel uitmaakt van het belang van de volksgezondheid op grond waarvan ingevolge artikel 12, lid 2 WTG aan een beleidsregel goedkeuring kan worden onthouden. Om redenen die hierboven zijn vermeld kan het CTG de compensatie over het eerste halfjaar van 2001 ten slotte evenmin in afwijking van de beleidsregel toekennen.

Het CTG merkt ten aanzien van het ingelaste en de bezwaren van Homan c.s.

ondersteunende standpunt van de NMT op dat de bezwaren van de NMT zich voornamelijk richten op de onthouding van goedkeuring aan de beleidsregels door de Minister van VWS op 13 april 2001. Het CTG heeft hierin evenwel geen rol, aangezien het tot de bevoegdheden van de Minister van VWS behoort om beleidsregels af te keuren onder meer wegens het ontbreken van financiële middelen. Het CTG oordeelt dat voorzover al bij de NMT vertrouwen zou zijn opgewekt dat de gestegen premies per 1 januari 2001 in de tarieven zouden worden verwerkt, dit gebeurd is door de Minister van VWS en niet door het CTG. Ingevolge de systematiek van de WTG behoeven de door het CTG vastgestelde beleidsregels altijd de goedkeuring van de Minister van VWS.

Aan de beleidsregelvaststelling door het CTG en de correspondentie met de Minister in het kader daarvan, kan door de NMT dan ook geen enkel gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend. Het CTG is dan ook van oordeel dat er geen reden is om wegens opgewekt vertrouwen door VWS de bezwaren van de NMT te honoreren.

Gelet op het voorgaande heeft het CTG besloten om het bezwaar ongegrond te verklaren."

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten zijn van mening dat verweerder in de bestreden tariefbeschikkingen ten onrechte voor de periode van 1 januari tot 1 juli 2001 geen compensatie heeft gegeven voor de gestegen premies voor de arbeidsongeschiktheidverzekeringen en ziektekostenverzekeringen.

De Minister heeft haar goedkeuring aan de door verweerder op 15 januari 2001 vastgestelde beleidsregels onthouden om goedkeuring van rechtswege te voorkomen. Na het Voorjaarsoverleg bleek dat er voldoende financiële ruimte was om de gewenste compensatie alsnog te bieden. In dit licht bezien hechten appellanten weinig betekenis aan het argument van verweerder dat beleidsregels waarin vastgehouden zou worden aan de datum van 1 januari 2001, vrijwel zeker weer zouden worden afgekeurd. Verweerder heeft zijn stelling dat de gegeven compensatie niet met ingang van 1 januari 2001 kon worden gegeven volstrekt onvoldoende onderbouwd. Louter politieke motieven hebben verweerder tot het bestreden besluit geleid. Verweerder had het in zijn macht te (doen) bewerkstelligen dat de tariefverhoging al per 1 januari 2001 in werking zou treden, althans dat compensatie voor de verloren gegane periode van zes maanden op enigerlei wijze verdisconteerd zou worden in de tarieven. Zijn houding in deze kwestie gaf in het begin alle aanleiding om aan te nemen dat dat ook zou gebeuren. Nu hij later zonder meer het standpunt van de Minister heeft gevolgd, achten appellanten het zorgvuldigheids-, het vertrouwens- en het motiveringsbeginsel geschonden. De procedure, die aan het onthouden van goedkeuring van een besluit voorafgaat, als neergelegd in hoofdstuk 10 Awb, biedt het bestuursorgaan voldoende gelegenheid tot overleg.

Appellanten hebben daaraan ter zitting nog toegevoegd dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen komen tot het vaststellen van niet van de beleidsregels afwijkende tariefbeschikkingen, temeer daar in hun beroepsgroep meer dan de helft van de kosten uit de eigen zak van de patiënten wordt bekostigd en niet uit de algemene middelen.

De aanspraak op een tarief waarin de gewenste compensatie is verwerkt, is een vermogensrecht. Door het onthouden van compensatie voor ook in de periode van 1 januari tot 1 juli 2001 door de beroepsgroep gemaakte, reële, kosten, maakt verweerder inbreuk op het door artikel 1, van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) en de fundamentele vrijheden beschermde eigendomsrecht.

Ook is sprake van ontneming van eigendom in de zin van genoemd artikel 1, van het eerste Protocol, nu in de betreffende periode reeds een aanspraak op compensatie bestond, die appellanten door de tariefvaststellingen niet kunnen effectueren. Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat ontneming van eigendom niet is toegestaan zonder dat daarvoor volledige compensatie wordt geboden. Verweerder heeft geen omstandigheden aangevoerd die het onthouden van compensatie zoals hier is gebeurd rechtvaardigen. Appellanten zijn van mening dat verweerder onvoldoende is ingegaan op deze reeds door hen in de bezwaarfase aangevoerde argumenten, die zij onderbouwd hebben met jurisprudentie van het genoemde Hof.

Om de gestelde inbreuken ongedaan te maken, dient de gemiste compensatie alsnog in de tarieven te worden verdisconteerd door middel van nacalculatie of een toeslag.

5. De beoordeling van het geschil

5.1. De ontvankelijkheid van appellanten.

5.1.1 De ontvankelijkheid van appellante sub 1.

Blijkens het bepaalde in artikel 35, aanhef en sub c, van de Wet is het recht om beroep in te stellen tegen besluiten als het onderhavige voorbehouden aan - voorzover hier van belang - de representatieve organisaties van organen van gezondheidszorg. Appellante sub 1 is, sinds het Besluit representatieve organisaties Wet tarieven gezondheidszorg daartoe met ingang van 9 juli 2002 was gewijzigd (Stcrt 2002, 127), aangewezen als representatieve organisatie. Ten tijde van het indienen van het beroepschrift op 28 maart 2002 was zij echter nog niet als zodanig aangewezen en derhalve niet gerechtigd tot het instellen van beroep. Daarom dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar beroep.

5.1.2 Voor de appellanten sub 2, allen organen van gezondheidszorg en als zodanig ingevolge artikel 35 van de Wet beroepsgerechtigd, treedt de ANT als gemachtigde op. De ANT heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij door de appellanten, genoemd op de door haar op 13 februari 2003 toegezonden lijst, gemachtigd is. De sub 2 bedoelde appellanten zijn derhalve ontvankelijk in het door de ANT namens hen ingestelde beroep.

5.1.3 Aan appellant sub 3 komt, als orgaan voor gezondheidszorg, gelet op het vorenstaande een zelfstandig beroepsrecht toe. Hij is dus eveneens ontvankelijk in zijn beroep.

5.2 Ten gronde

5.2.1 Over de vraag of verweerder de gestegen ziektekosten- en invalididiteitsverzekerings-premies in de per 1 januari 2001 voor de beroepsgroep van appellanten vastgestelde tarieven had moeten verdisconteren overweegt het College als volgt.

In het stelsel van de Wet wordt verweerders bevoegdheid tot het vaststellen van beleidsregels bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet, onderworpen aan het bestuurlijk toezicht van de Minister op verweerder.

Bij de uitoefening van dit toezicht staan de Minister twee wettelijke instrumenten ter beschikking. In de eerste plaats voorziet artikel 12, eerste lid, van de Wet dat een beleidsregel goedkeuring behoeft van de Minister welke goedkeuring ingevolge het tweede lid van deze bepaling kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het belang van volksgezondheid. In de tweede plaats voorziet artikel 13 van de Wet dat de Minister beleidsregels kan vaststellen ten aanzien van onderwerpen waaromtrent door verweerder beleidsregels kunnen worden vastgesteld.

Uit de beschikbare stukken blijkt voldoende dat de datum met ingang waarvan de gestegen premies werden gecompenseerd gebaseerd is op de beschikbare financiële dekking. Na het Voorjaarsoverleg heeft de Minister voldoende financiële ruimte aanwezig geacht om in elk geval de beroepsgroepen, wier norminkomen een voldoende onderbouwing kende, per 1 juli 2001 compensatie te bieden voor de gestegen werkgeverslasten, doch niet om deze te laten doorwerken vanaf 1 januari 2001. Dat is een beleidskeuze, die de Minister in het belang van de volksgezondheid in redelijkheid heeft kunnen maken.

5.2.2 Mede in verband met het vorenstaande faalt de motiveringsklacht van appellanten. Verweerder heeft, gelet op deze omstandigheden, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet overschreden door in de beleidsregel die ter goedkeuring aan de Minister werd gezonden eerst met ingang van 1 juli 2001 te voorzien in compensatie van de gestegen premies voor de arbeidsongeschiktheids- en ziektenkostenverzekering. Het stond verweerder niet vrij ervan af te zien om in de overwegingen van de Minister die tot deze beleidskeuze hebben geleid te treden en in zijn beleidsregels - die aan de Minister ter goedkeuring werden gezonden - andere financiële prioriteiten in de plaats te stellen. In dit verband verdient het de aandacht dat de beschikbare gelden - volgens de verklaring van verweerder ter zitting, was het in de macrokaders beschikbare saldo € 63 miljoen - verdeeld moest worden tussen méér groepen vrije beroepsbeoefenaren, die alle in eenzelfde situatie verkeerden als de beroepsgroep van appellanten. Daarbij komt nog dat de sector van appellanten niet de enige sector binnen de gezondheidszorg is die voor een groot deel te maken heeft met private financiering. Op al deze sectoren is de Wet tarieven gezondheidszorg gelijkelijk van toepassing. Appellanten hebben hun stelling dat verweerder voor hun beroepsgroep een afwijkende regeling had moeten vaststellen, niet met cijfers, noch anderszins onderbouwd. Afwijking van het beleidsstandpunt van de Minister zou, gelet op het wettelijk toezichtsysteem, geen reële optie zijn geweest.

Het College vindt gelet op het vorenstaande evenmin aanleiding voor het oordeel dat verweerder besloten heeft in strijd met het vertrouwensbeginsel nu de wet voorziet in bestuurlijk toezicht van de Minister. Ook is niet gebleken dat het zorgvuldigheidsbeginsel door verweerder is geschonden.

5.2.3 Het betoog van appellanten dat het niet bieden van compensatie in het gegeven tijdvak een inbreuk oplevert op het in artikel 1, eerste Protocol van het EVRM gewaarborgde recht op eigendom treft evenmin doel. In dit geval is geen sprake van een recht als bedoeld in deze bepaling, aangezien appellanten geen vermogensrechtelijke aanspraak kunnen doen gelden op de gewenste compensatie. Verweerder heeft ter zitting nader uiteengezet dat de tarieven als hier aan de orde, na een ontwikkeling die in 1988 in gang is gezet, sinds 1994 niet meer worden vastgesteld op basis van beleidsregels, die exacte aanspraken op jaarlijkse indexering opleveren. Ook een wettelijke regel waaraan appellanten een zodanige aanspraak zouden kunnen ontlenen, is het College niet bekend. Verweerder heeft zich, gelet hierop, terecht op het standpunt gesteld dat appellanten door de bestreden tariefvaststelling niet enige vermogensrechtelijke aanspraak is ontnomen.

5.2.4 Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat het bestreden besluit onrechtmatig is, zodat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College:

Verklaart appellante sub 1 niet-ontvankelijk in haar beroep.

Verklaart het beroep van appellanten sub 2 en 3 ongegrond.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M.A. Fierstra en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2003.

w.g. B. Verwayen w.g. A. Bruining