Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AH8808

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-06-2003
Datum publicatie
30-06-2003
Zaaknummer
AWB 01/525
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 5 juli 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 5 januari 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder op het bezwaar van appellante tegen een zestal uitnodigingen tot betaling van landbouwheffing van 12 november 1996 in die zin besloten, dat het bezwaar tegen vijf daarvan gegrond is verklaard en het bezwaar tegen de zesde ongegrond is verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/525 18 juni 2003

5040 Landbouwheffing

Uitspraak in de zaak van:

Koel- en Vriesveem Vlissingen B.V., te Ritthem, appellante,

gemachtigde: mr. R.G.A. Tusveld en mr. D.L.L. van den Berg, werkzaam bij Price Waterhouse Coopers N.V. te Rotterdam,

tegen

de Inspecteur van de Belastingdienst, te Roosendaal, verweerder,

gemachtigde: J.C.J. Salet, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 5 juli 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 5 januari 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder op het bezwaar van appellante tegen een zestal uitnodigingen tot betaling van landbouwheffing van 12 november 1996 in die zin besloten, dat het bezwaar tegen vijf daarvan gegrond is verklaard en het bezwaar tegen de zesde ongegrond is verklaard.

Verweerder heeft op 28 januari 2002 een verweerschrift ingediend.

Het College heeft de zaak onderzocht ter zitting van 9 oktober 2002, waar alleen verweerder verschenen is. Deze heeft zijn standpunt ter zitting nader toegelicht. Appellante heeft het College doen weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

De behandeling is daarop geschorst en verweerder is verzocht een aantal vragen van het College te beantwoorden.

Verweerder heeft de vragen beantwoord bij brief van 25 oktober 2002. Appellante heeft daarop bij brief van 15 januari 2003 gereageerd.

Bij brief van 18 december 2002 en faxbericht van 28 januari 2003 hebben partijen het College toestemming gegeven om af te zien van het houden van een nadere zitting ter voortzetting ven de behandeling van het beroep.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 203 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 tot vaststelling van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW) luidt:

" Artikel 203

1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken.

2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen aan het douanetoecht worden onttrokken.

3. Schuldenaren zijn:

- de persoon die de goederen aan het douanetoezicht heeft onttrokken;

- de personen die aan deze onttrekking hebben deelgenomen, terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten

dat de goederen aan het douanetoeazicht werden onttrokken;

- de personen die de betrokken goederen hebben verworven of deze onder zich hebben gehad en die op het ogenblik

waarop zij de goederen verwierven of ontvingen, wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat deze aan het

douanetoezicht waren onttrokken;

- alsmede, in voorkomend geval, de persoon die de verplichtingen welke voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen

of uit het gebruik van de douaneregeling, waaronder deze waren geplaatst, dient na te komen."

De artikelen 378 en 379 van Verordening nr. 2454/93 (hierna: TCDW) de Bepalingen voor de toepassing van het Communautair Douanewetboek luidden ten tijde en voor zover hier van belang:

" Artikel 378

1. Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastegsteld, wordt deze overtreding of onregelmatigheid, onverminderd artikel 215 van het Wetboek, geacht te zijn begaan:

- in de Lid-Staat waaronder het kantoor van vertrek ressorteert, of

- in de Lid-Staat waaronder het kantoor van doorgang bij binnenkomst in de Gemeenschap ressorteert en waaraan een kennisgeving van doorgang is afgegeven, tenzij binnen een nader te bepalen termijn als voorzien in artikel 379, lid 2, ten genoegen van de douaneautoriteiten het bewijs wordt geleverd van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan.

2. Indien, bij gebreke van een dergelijke bewijs, de overtreding of onregelmatigheid geacht blijft te zijn begaan in de Lid-Staat van binnenkomst als bedoeld in lid 1, eerste alinea, tweede streepje, worden de rechten en andere

heffingen op de betrokken goederen door deze Lid-Staat volgens de communautaire of nationale bepalingen geïnd.

Artikel 379.

1. Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, deelt het kantoor van vertrek dit zo spoedig mogelijk mede aan de aangever, doch uiterlijk binnen elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer.

2. In de in lid 1 bedoelde kennisgeving wordt onder andere de termijn vermeld waarbinnen bij het kantoor van vertrek, ten genoegen van de douaneautoriteiten, het bewijs moet worden geleverd van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan. Deze termijn bedraagt drie maanden na de in lid 1 bedoelde kennisgeving. Indien het bewijs na het verstrijken van deze termijn niet is geleverd, gaat de bevoegde Lid-Staat over tot de inning van het verschuldigde bedrag aan rechten en andere heffingen. (…)"

Op 1 juni 1996 is in werking getreden artikel 22a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), luidende als volgt.

" Artikel 22a

1. De mededeling, bedoeld in artikel 221, eerste lid, van het Communautair douanewetboek, van het bedrag aan rechten bij invoer dat voortvloeit uit een douaneschuld geschiedt door het vaststellen van een uitnodiging tot betaling door de inspecteur voor ieder van de rechten afzonderlijk.

(…)

4. In afwijking in zoverre van het eerste lid geschiedt het vaststellen van een uitnodiging tot betaling ter zake van landbouwheffingen in door onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen, door daarbij aan te wijzen organen."

Tot 1 juni 1996 luidde artikel 2 van de In- en uitvoerwet, voorzover hier van belang:

" 1. Indien het belang van de volkshuishouding, van de inwendige of uitwendige veiligheid des lands of van de internationale rechtsorde op zichzelf, dan wel een daarop betrekking hebbende internationale afspraak zulks naar Ons oordeel vereist, kunnen bij algemene maatregel van bestuur, in deze wet verder genoemd invoerbesluit, onderscheidenlijk uitvoerbesluit, regelen worden gesteld (…)

3. De in het eerste lid bedoelde regelen kunnen onder meer inhouden:

(…)

b. toekenning aan Onze bij het besluit aangewezen Minister van de bevoegdheid tot het vaststellen van heffingen, door hem op te leggen ter zake van de invoer, dan wel de uitvoer van goederen(…)".

Met ingang van 1 juni 1996 is het aangehaalde derde lid onder b gewijzigd en luidt dit:

" b. toekenning aan Onze bij het besluit aangewezen Minister van de bevoegdheid tot het vaststellen van rechten bij invoer, andere dan douane rechten, dan wel rechten bij uitvoer(…)"

Met ingang van 1 juni 1996 luidt artikel 72 van de In- en uitvoerbeschikking landbouwgoederen 1981, inmiddels geheten Regeling in- en uitvoer landbouwgoederen:

" 1. De mededeling, bedoeld in artikel 221, eerste lid, van het Communautair Douanewetboek, van het bedrag aan landbouwheffingen bij invoer, dat voortvloeit uit een douaneschuld geschiedt door het vaststellen van een uitnodiging tot betaling door het produktschap voor ieder van de heffingen afzonderlijk, indien ter verzekering van de voldoening van een dergelijke heffing de zekerheid bij het produktschap is gesteld.

2. In afwijking van het eerste lid geschiedt de mededeling door de inspecteur van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake de douane, in alle gevallen waarin:

(…)

c. een te zuiveren document niet is gezuiverd:

d. een douaneschuld is ontstaan, bedoeld in de artikelen 201, eerste lid, onderdeel b, 202, eerste lid, 203, eerste lid, 204, eerste lid en 205, eerste lid, van het Communautair Douanewetboek of

(…)"

2.2 Op grond van de stukken zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 3 oktober 1995 heeft appellante aangifte gedaan voor extern douanevervoer van een partij "bevroren kip", afkomstig uit

Brazilië en bestemd voor doorvoer naar Cordoba in Spanje. Terzake hiervan is een document T1 nr. 0501456 afgegeven.

- Bij schrijven van 9 februari 1996 heeft verweerder appellante gemeld, dat hij het 5e exemplaar van het afgegeven

T1-document nog niet had terugontvangen. Hij bood appellante gedurende een maand de tijd om gegevens over te leggen,

waaruit zou blijken dat de goederen de in het document vermelde bestemming gevolgd hebben of teloor zijn gegaan.

- Bij schrijven van 12 februari 1996 heeft appellante verweerder bericht dat het document bij de Douane te Irun was

ingeklaard onder nr. 8784/95.

- Bij brief van 4 maart 1996 heeft verweerder appellante te kennen gegeven het document niet als gezuiverd aan te merken,

omdat de door haar overgelegde bescheiden te summier waren en het ook niet duidelijk was dat het om het strookje van

het betreffende document ging.

- Op 22 maart 1996 heeft appellante daarop een door de Douane te Irun op 5 oktober 1995 gestempeld strookje overgelegd.

- Op 26 april 1996 heeft verweerder appellante bericht dit niet als bewijs van zuivering te accepteren. Hij kondigde aan een

verzoek tot nasporing naar Irun te zullen zenden.

- In een op 4 juni 1996 door de Spaanse douane opgemaakte verklaring wordt - vertaald - onder andere het volgende

gemeld:

" De genoemde aangifte 8784/95 onderzoekend blijkt deze betrekking te hebben op een TIR nr. 13902428, waarop vermeld

gezaagde planken (…) van eikenhout, afkomstig uit Kroatië. Alleen de datum stemt overeen.

Vanwege het vorenstaande kan deze sectie niet verklaren dat het document conform gezuiverd is (…)".

- Bij schrijven van 7 augustus 1996 heeft verweerder appellante bericht dat na onderzoek niet gebleken was dat de goederen de vereiste bestemming hebben gevolgd. Hij voegde daaraan toe:

" Ik verzoek u mij binnen de gestelde termijn van 3 maanden na dagtekening nadere bewijzen te overleggen. Indien de bestemming/zuivering niet wordt aangetoond zal door mij tot invordering worden overgegaan."

- Bij brief van 23 september 1996 heeft appellante het origineel van het gestempelde strookje bij verweerder ingediend.

- Daarop heeft verweerder aan appellante een uitnodiging tot betaling, gedateerd 12 november 1996, gedaan die onder meer als volgt is gemotiveerd:

" Gebleken is dat aan de verplichtingen van het douanevervoer m.b.t. het document T1 nr. 501456 d.d. 03-10-1995 niet is voldaan.

Op grond van artikel 2, letter d van de Verordening 2144/87 (inmiddels vervangen door art. 204 Verordening (EEG) 2913/92) juncto artikel 114 Wet inzake de douane zijn rechten verschuldigd.

Gezien het feit dat u als titularis staat vermeld op het onderhavige document bent u de rechten verschuldigd."

- Het gaat om een bedrag van fl. 27.622,40, waarvan fl. 22.051,90 aan landbouwheffing.

- Appellante heeft hiertegen bij schrijven gedateerd 1 november 1996 bezwaar gemaakt.

- Op 11 december 1996 heeft verweerder appellante bericht voornemens te zijn het bezwaar af te wijzen.

- Op 24 december 1996 hebben de gemachtigden van appellante het bezwaar nader toegelicht.

- Op 20 november 2000 heeft verweerder appellante bericht voornemens te zijn het bezwaarschrift af te wijzen.

- Op 15 december 2000 is namens appellante aan verweerder bericht dat zij afzag van de mogelijkheid te worden gehoord.

- Op 5 januari 2001 heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

In verweerders schrijven van 5 januari 2001, waarmee ook andere bezwaarschriften worden afgedaan, wordt ten aanzien van deze zaak onder andere als volgt overwogen:

" Op 15 november 1996 ontving ik uw brief d.d. 1 november 1996.(…)

Uit de verklaring van de Spaanse douane blijkt dat het document ongezuiverd is.

Door mij is onderzocht of en in hoeverre sprake is van mede-aansprakelijken, maar dat ik geen mogelijkheden zie andere personen als schuldenaar aan te merken. Daarbij merk ik op dat indien andere personen als schuldenaar zouden zijn aan te merken, dit niet relevant is bij de beoordeling van de juistheid van deze UTB.

Ingevolge het gestelde in artikel 378, lid 2, van de TDCW er voldoende basis is voor navordering door de Nederlandse autoriteiten. Immers, ingevolge dit lid wordt de onregelmatigheid (die met toepassing van artikel 203 van het CDW tot een douaneschuld leidt) geacht te zijn begaan in de Lid-Staat van vertrek en ingevolge de artikelen 217 tot en met 221 van het CDW is de Lid-Staat waarin zo'n douaneschuld is ontstaan, verplicht na te vorderen.

Om deze redenen wijs ik het bezwaarschrift (…) af."

Desgevraagd heeft verweerder bij schrijven van 25 oktober 2002 toegelicht zijn bevoegdheid tot het nemen van het primaire besluit te ontlenen aan artikel 72, tweede lid, onder d, van de Regeling in- en uitvoer landbouwgoederen, welke bevoegdheidstoedeling mede de bevoegdheid om op bezwaar te beslissen met zich brengt.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft allereerst naar voren gebracht, dat zij het bestreden besluit niet eerder dan op 15 juni 2001 ontvangen heeft. Voorts heeft zij ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd:

" Het T-1 document werd opgemaakt voor het vervoer van een zending kippenvlees afkomstig uit Brazilië naar een geadresseerde in Cordoba in Spanje. Dit vervoer werd verzorgd door een Spaanse transporteur in opdracht en voor rekening van de opdrachtgever van belanghebbende of diens afnemer.

In deze procedure is in geschil of de in de UTB vervatte landbouwheffingen terecht van belanghebbende zijn geheven. Anders dan de inspecteur is belanghebbende van mening dat dit niet het geval is, nu de UTB is opgelegd vóór het verstrijken van de in het destijds geldende artikel 379, lid 2 van de Toepassingsverordening van het Communautair Douanewetboek genoemde termijn van drie maanden. Gelet op de uitspraak van de Tariefcommissie van 17 april 2001, rolnr. 0197/97 TC, opgenomen in UTC 2001/57*, betekent dit dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en in plaats daarvan vernietigd dient te worden."

Bij brief van 15 januari 2003 heeft appellante laten weten dat haars inziens bij artikel 72, tweede lid, van de Regeling in- en uitvoer landbouwgoederen aan de inspecteur een mandaat verleend is en dat de bevoegdheid om op een bezwaar tegen een ingevolge dit mandaat genomen beslissing te beschikken, bij de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij berust.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College overweegt allereerst dat verweerder desgevraagd heeft aangegeven niet te kunnen bewijzen, dat het bestreden besluit op 5 januari 2001 aan appellante verzonden is.

Derhalve moet het College aannemen, dat de beroepstermijn eerst ten tijde van de ontvangst van het besluit op 15 juni 2001 is gaan lopen. Het beroep is derhalve tijdig ingediend.

5.2 Het College overweegt dat verweerder zijn bevoegdheid ten deze sedert 1 juni 1996 ontleent aan artikel 22a, eerste lid, van de AWR. De in dit artikel gegeven regeling komt er immers op neer, dat de inspecteur bevoegd is, tenzij de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij op grond van het derde lid een ander orgaan aanwijst. Uit het bepaalde in artikel 72, tweede lid, van de Regeling in- en uitvoer landbouwgoederen, moet worden afgeleid, dat de Minister voor een geval als hier aan de orde, het productschap niet met deze taak belast heeft en de bevoegdheid bij de inspecteur heeft laten berusten. De bevoegdheid van artikel 22a is een geattribueerde bevoegdheid, die dus mede het beschikken op bezwaar omvat. Derhalve heeft het College alsnog - nadat de griffie van het College aanvankelijk de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij als verweerder had beschouwd - de inspecteur in deze zaak als verweerder aangemerkt en wordt de procedure verder op zijn naam gevoerd.

5.3 Wat betreft het geschil ten gronde overweegt het College als volgt.

Het College is slechts bevoegd voorzover het de landbouwheffing betreft. Deze uitspraak heeft dan ook geen betrekking op de geheven omzetbelasting.

Hetgeen partijen in dit geding verdeeld houdt is uitsluitend de vraag of verweerder op grond van de artikelen 378 en 379 TCDW appellante een termijn had moeten bieden van drie maanden om het bewijs te leveren van de regelmatigheid van het communautaire douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid werd begaan.

Het College stelt echter vast dat verweerder appellante twee maal een termijn heeft gesteld; eerst bij brief van 9 februari 1996 een termijn van één maand op een moment dat nog geen strookje was terugontvangen, en toen dat strookje vervolgens was ingediend en vals bevonden, nog eens een termijn van drie maanden bij brief van 7 augustus 1996.

De uitnodiging tot betaling is gedateerd op 12 november 1996. Op die datum waren drie maanden verstreken sedert 7 augustus 1996.

Het College overweegt vervolgens dat in een gelijktijdig ter zitting behandeld geschil (Awb 01/446) tussen dezelfde partijen eveneens een besluit van verweerder bestreden werd, dat op 12 november 1996 gedateerd was. In die zaak was het daartegen gerichte bezwaar van appellante, evenals het bezwaar in de onderhavige zaak, gedateerd op 1 november 1996. Blijkens de beslissing op het bezwaar was in die zaak het bezwaarschrift op 4 november 1996 ontvangen, terwijl in de onderhavige zaak in de beslissing op bezwaar sprake is van een op 15 november 1996 ontvangen bezwaarschrift.

Het College heeft op basis van de beschikbare stukken niet kunnen vaststellen of de UTB van 12 november 1996 in de onderhavige zaak vóór 7 november 1996 verzonden is. Gelet op het feit dat het in de onderhavige zaak inluidende bezwaarschrift, gedateerd 1 november 1996, zich richt tegen zes UTB's, terwijl het bezwaar in zaak Awb 01/446 zich richt tegen een zevende, niet afwijkende UTB, acht het College het niet aannemelijk dat de zeven UTB's op het zelfde moment verzonden en vervolgens door appellante ontvangen zouden zijn.

Appellante heeft zich over de ontvangst en verzenddata van de verschillende stukken niet nader uitgelaten.

Het voorgaande leidt het College tot de conclusie, dat niet is komen vast te staan dat de UTB van 12 november 1996 aan appellante is verzonden voordat de op 7 augustus 1996 gestelde termijn van drie maanden verlopen was.

Wegens het ontbreken van een genoegzame feitelijke grondslag kan het beroep dan ook niet slagen.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. M.J. Kuiper en mr. W.E. Doolaard in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2003.

w.g. D. Roemers w.g. W.F. Claessens