Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AH8779

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-06-2003
Datum publicatie
30-06-2003
Zaaknummer
AWB 02/1451
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 29 juli 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 21 juni 2002 van verweerder. Bij dit besluit is ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 maart 2002 van verweerder, strekkende tot weigering van een verklaring als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 02/1451 5 juni 2003

27605 Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek

Uitspraak in de zaak van:

A, gevestigd te X, appellante,

gemachtigde: K, directeur van B, te Y,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. R.E. Groenewold, werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Op 29 juli 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 21 juni 2002 van verweerder. Bij dit besluit is ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 maart 2002 van verweerder, strekkende tot weigering van een verklaring als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

Bij brief van 16 augustus 2002 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.

Op 25 september 2002 heeft het College van verweerder een verweerschrift ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2003. Aldaar zijn verschenen de hierboven genoemde gemachtigden van partijen. Voorts waren aanwezig L, werkzaam bij C, te Z, en M, werkzaam bij B.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 3.42 Wet IB 2001 luidde in 2001, voorzover hier van belang en met inachtneming van de op 31 oktober 2001 in werking getreden wijziging met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 (Staatsblad 2001, 491), als volgt:

" 1. Indien in een kalenderjaar in een onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft, wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de ondernemer gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van energie-investeringen, en de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een in het derde lid aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek).

6. De energie-investeringsaftrek is van toepassing indien de energie-investering is aangemeld bij Onze Minister.

7. Bij ministeriële regeling kunnen:

a. in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde verklaring en

b. regels worden gesteld met betrekking tot het zesde lid.

8. Tegen de in het eerste lid bedoelde verklaring staat beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. (…)."

Onder investeren wordt ingevolge artikel 3.43, eerste lid, Wet IB 2001 verstaan het aangaan van verplichtingen ter zake van de aanschaffing of de verbetering van een bedrijfsmiddel, alsmede het maken van voortbrengingskosten ter zake van een bedrijfsmiddel, voorzover die verplichtingen en kosten op de belastingplichtige drukken.

In artikel 3, eerste lid, Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 (Staatscourant 2000, 249; hierna: Regeling 2001) wordt onder meer het volgende bepaald:

" De aanmelding bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet van de aangegane

verplichtingen of de gemaakte voortbrengingskosten ter zake van een investering als bedoeld in artikel 2 moet binnen een termijn van drie maanden plaats vinden. Deze termijn vangt aan:

a. met betrekking tot verplichtingen: bij het aangaan van de verplichtingen;

(…).".

2.2 Op grond van de gedingstukken en het onderzoek ter zitting zijn voor het College de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan.

- Op 20 april 2001 heeft B appellante een bedrag van fl. 199.920,-- inclusief BTW in rekening gebracht. De factuur bevat de vermelding "aanbetaling bakwanden".

- In het dossier bevindt zich een kennisgeving van een "inloopdag" op 1 juni 2001 bij C. Blijkens de aankondiging kan op deze dag de grootste gekoelde bakwand van Europa worden bezichtigd, "net voordat hij in W geplaatst gaat worden".

- Bij brief van 14 juni 2001 heeft B onder meer het volgende medegedeeld:

"Project: A te W

Betreft: Plaatsing bakwanden, afzuigkappen en steamers

Middels dit schrijven bevestigen wij de plaatsingsdatum inzake bovengenoemd project.

De plaatsingsdata zijn:

· Dinsdag 26 juni om 06:00 's ochtends - Plaatsing bakwanden

· Woensdag 27 juni - Afmonteren bakwand

."

- Bij brief van 16 juli 2001 heeft B de opdracht tot plaatsing van de bakwand bevestigd aan appellante.

- Op 14 september 2001 heeft de Belastingdienst, Bureau Investeringsregelingen en willekeurige afschrijving te Breda, van appellante een melding ontvangen van de energie-investering terzake van voormelde bakwand.

- Op 8 februari 2002 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen M en een medewerker van verweerder. Bij de gedingstukken bevindt zich een notitie van dit gesprek, waarin onder meer het volgende wordt vermeld:

" Door Senter zijn de volgende feiten geconstateerd:

- Op de ketels staat als assemblage datum 21 juni 2001. Hierover is ook met de fabrikant gecommuniceerd.

- Een medewerker heeft ons medegedeeld dat de bakwand al acht maanden in bedrijf is.

- Blijkens een uitnodiging A4 formaat blijkt dat de bakwand op 1 juni 2001 bij de fabrikant C was te bezichtigen.

- Zo'n grote bakwand heeft toch zeker wel een levertijd van minimaal twee maanden.

Ik kom tot de conclusie dat de bakwand in ieder geval voor 1 juni 2001 is besteld.

M kan hier weinig tegen inbrengen. Hij bevestigt in grote trekken de door mij geschetste gang van zaken.

Vanuit commercieel oogpunt bevestigt hij zijn opdrachten laat.

opm. Senter: In dit geval is de opdracht gedateerd na de plaatsing van de bakwand."

- Bij besluit van 12 maart 2002 heeft verweerder beslist zoals omschreven in rubriek 1 van deze uitspraak.

- Bij brief van 3 april 2002 heeft appellante bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 maart 2002.

- Op 30 mei 2002 is appellante gehoord.

- Bij brief van 30 mei 2002 heeft appellante verweerder nadere stukken toegezonden, waaronder voormelde brief van 14 juni 2001.

- Op 17 juni 2002 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen K en een medewerker van verweerder. Bij de gedingstukken bevindt zich een notitie van dit gesprek, waarin onder meer het volgende wordt vermeld:

" Ik verwijs verder na[ar] het bij de brief van 3 juni 2002 gevoegde stuk, gedateerd 14 juni 2002 [het College leest: 14 juni 2001], met betrekking tot de plaatsing van de betreffende bakwand op 26 juni 2002 [het College leest: 26 juni 2001]. Van dit stuk uitgaande moet de opdracht tot aanschaf van de bakwand vóór 14 juni 2002 [het College leest: 14 juni 2001] zijn verstrekt. K beaamt dit. Op mijn vraag dat de bakwand in ieder geval vlak vóór 14 juni 2002 [het College leest: 14 juni 2001] voldoende bepaalbaar moet zijn geweest (anders kon nog niet geplaatst worden), reageert K bevestigend."

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

In het bestreden besluit heeft verweerder, zakelijk weergegeven, het volgende overwogen.

Uit de door appellante verstrekte gegevens kan slechts worden geconcludeerd dat de opdracht tot vervaardiging en plaatsing van de bakwand medio april 2001, maar in ieder geval vóór 14 juni 2001 is gegeven. De prijs van de bakwand is vóór 14 juni 2001 bepaalbaar geworden. Aangezien de melding op 14 september 2001 is ontvangen, is niet voldaan aan artikel 3, eerste lid, Regeling 2001.

Dat met de energie-investeringsaftrek wordt beoogd energiebesparing en inzet van duurzame energie te bevorderen, laat onverlet dat verweerder de Wet IB 2001 dient uit te voeren. Het is de verantwoordelijkheid van appellante zich tijdig te (doen) informeren over de terzake geldende voorwaarden.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft met name het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

De investeringsverplichting is aangegaan in 2000. Op dat moment was echter nog niets bekend over de uiteindelijke vorm en uitvoering van de te leveren bakwand. De melding is binnen drie maanden na de orderbevestiging gedaan. De order is bevestigd op het moment dat duidelijk was hoe de bakwand er uit zou gaan zien, met name hoeveel friteuses zouden worden geplaatst. Voordien was de precieze omvang van de investering nog niet bekend.

Aan het doel van de terzake geldende voorschriften, te weten het behalen van een hoger rendement en besparing van energie, is voldaan.

Ter zitting van het College heeft appellante aangevoerd dat het begrip "aangaan van verplichtingen" de ondernemer weinig houvast biedt bij het beoordelen van de vraag wanneer een melding moet zijn gedaan. Volgens appellante verdient het aanbeveling een duidelijker criterium in de regelgeving op te nemen, bijvoorbeeld de factuurdatum.

5. De beoordeling van het beroep

5.1 Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de melding niet binnen drie maanden na het aangaan van de investeringsverplichting is ontvangen. Hierbij wordt het volgende in aanmerking genomen.

In het aanvullend beroepschrift van 16 augustus 2002 is naar voren gebracht dat de investeringsverplichting in 2000 is aangegaan.

Vaststaat dat appellante op 20 april 2001 een factuur terzake van aanbetaling in verband met de bakwand is gezonden. Bij brief van 18 februari 2002 heeft appellante verklaard dat deze factuur op 20 april 2001 is voldaan. Hieruit blijkt naar het oordeel van het College dat de investeringsverplichting in ieder geval op 20 april 2001 was aangegaan: niet valt in te zien waarom reeds voor het aangaan van bedoelde verplichting zou worden gefactureerd en aanbetaald.

Het College volgt appellante niet in haar betoog dat de melding is gedaan binnen drie maanden nadat de omvang van de investeringsverplichting duidelijk was. Hierbij wordt het volgende in aanmerking genomen.

Vaststaat dat B de plaatsing van de bakwand bij brief van 14 juni 2001 heeft bevestigd. Zoals K tijdens het in § 2.2 van deze uitspraak genoemde telefoongesprek van 17 juni 2002 ook heeft bevestigd, blijkt hieruit dat (de omvang van) de investering vóór 14 juni 2001 duidelijk was. De telefonische verklaring van 8 februari 2002 van M is hiermee in lijn. In laatstbedoeld telefoongesprek is voorts bevestigd dat de bakwand op 1 juni 2001 is tentoongesteld. Hierop heeft de in § 2.2 van deze uitspraak genoemde kennisgeving van een "inloopdag" bij C betrekking. Dit betekent dat de bakwand vóór 1 juni 2001 is vervaardigd en dat de omvang van de hierop betrekking hebbende investering derhalve vóór 1 juni 2001 bekend was.

5.2 Voorzover, op grond van hetgeen in het aanvullend beroepschrift is gesteld, zou moeten worden aangenomen dat de investeringsverplichting reeds in 2000 is aangegaan, zou de melding moeten worden beoordeeld aan de hand van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) en de daarop gebaseerde regelgeving. Ingevolge artikel 11 Wet IB 1964 en artikel 3.42 Wet IB 2001 is immers bepalend in welk kalenderjaar de investering is gedaan en niet in welk jaar de melding van deze investering is ontvangen. Een beoordeling aan de hand van artikel 11 Wet IB 1964 en de daarop berustende uitvoeringsregeling zou evenwel niet tot een andere uitkomst hebben geleid, aangezien een energie-investering ook in 2000 binnen drie maanden na het aangaan van de investeringsverplichting diende te worden gemeld.

5.3 Dat wellicht aan de doelstelling van artikel 3.42 Wet IB 2001 is voldaan, laat onverlet dat een verzoek om een verklaring als hier aan de orde slechts kan worden gehonoreerd indien aan de terzake geldende voorwaarden is voldaan. Het is de verantwoordelijkheid van appellante, zich tijdig op de hoogte te (doen) stellen van deze voorwaarden.

5.4 Aan appellante kan worden toegegeven dat het wettelijk criterium "aangaan van verplichtingen" aanleiding kan geven tot misverstanden en discussies en daarmee tot problemen bij het doen van een melding, aangezien in artikel 3 Regeling 2001 is bepaald dat de termijn waarbinnen een melding moet worden gedaan aanvangt bij het aangaan van de verplichtingen. Met name komt het moment waarop de investeerder geacht wordt verplichtingen te zijn aangegaan niet altijd overeen met het moment waarop hij in zijn eigen perceptie definitief tot de investering heeft besloten. Denkbaar is, zoals appellante ter zitting van het College naar voren heeft gebracht, dat de regelgever nagaat of de aanvang van de termijn voor het doen van een melding is te koppelen aan een criterium dat investeerders, leveranciers en adviseurs meer houvast biedt en dat in de uitvoering minder problemen en mogelijke conflicten oproept.

In het verlengde hiervan acht het College begrijpelijk dat investeerders als appellante het onbevredigend vinden dat hun melding wegens termijnoverschrijding wordt afgewezen, te meer indien wel aan de doelstelling van artikel 3.42 Wet IB 2001 is voldaan.

Hetgeen in de vorige alinea is overwogen vormt echter geen aanleiding het beroep gegrond te verklaren. Het College stelt in dit verband voorop dat het de rechter op grond van artikel 11 Wet algemene bepalingen niet is toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van een algemeen verbindend voorschrift als artikel 3 Regeling 2001 te beoordelen. Bovendien kan tegen artikel 3 Regeling 2001 als zodanig ingevolge artikel 8:2, aanhef en onder a, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld.

Evenmin ziet het College plaats voor het oordeel dat verweerder artikel 3 Regeling 2001 in het bestreden besluit ten onrechte heeft toegepast. Dat deze bepaling onverbindend zou zijn wegens strijd met hetzij hogere regelgeving, in het bijzonder de Wet IB 2001, hetzij ongeschreven fundamentele rechtsbeginselen is gesteld noch gebleken.

5.5 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep van appellante ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr. B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2003.

w.g. J.A. Hagen w.g. B. van Velzen

Tegen een uitspraak waarin de begrippen "investeren" en "bedrijfsmiddelen" worden gebruikt, kan beroep in cassatie worden ingesteld. Verwezen wordt naar de aanbiedingsbrief bij deze uitspraak.