Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AH8775

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-06-2003
Datum publicatie
30-06-2003
Zaaknummer
AWB 03/254
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 25 februari 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 17 januari 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaarschrift dat appellant had ingediend tegen het besluit van verweerder van 4 september 2002, strekkende tot weigering van de afgifte van een verklaring van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 4, achtste lid, van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf (hierna: Wabb).

Wetsverwijzingen
Wet assurantiebemiddelingsbedrijf 4, geldigheid: 2003-06-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 03/254 3 juni 2003

22010 Vakbekwaamheidseisen assurantiebemiddelingsbedrijf

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. S. van der Hout, werkzaam bij LAR Rechtsbijstand te Rijswijk,

tegen

de Sociaal-Economische Raad, te Den Haag, verweerder,

gemachtigden: mr. J.B.A. Hoijinck en B. Smit, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 25 februari 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 17 januari 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaarschrift dat appellant had ingediend tegen het besluit van verweerder van 4 september 2002, strekkende tot weigering van de afgifte van een verklaring van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 4, achtste lid, van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf (hierna: Wabb).

Bij brief van 5 maart 2003 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2003, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben uiteengezet.

Ter zitting heeft appellant een op de onderhavige kwestie betrekking hebbend verzoek om voorlopige voorziening (procedurenummer AWB 03/255) ingetrokken.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 4 van de Wabb luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

"1. Inschrijving in het register geschiedt indien de aanvrager voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur:

(…)

b. ten aanzien van het diploma Assurantiebemiddeling B te stellen vakbekwaamheidseisen.

(…)

8. In de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt, onverminderd het bepaalde in het negende lid, bepaald op welke wijze van het voldoen aan de vakbekwaamheidseisen kan blijken. Voorts is de Raad bevoegd te verklaren dat de aanvrager voldoet aan deze eisen. De Raad stelt regels krachtens welke de afgifte van zodanige verklaring zal plaatsvinden en stelt het bedrag vast, dat verschuldigd is voor het verkrijgen van deze verklaring."

In de Verordening Verklaringen Vakbekwaamheid Assurantiebemiddelingsbedrijf 2000 (Stcrt. 2001, 4; hierna: Verordening) zijn regelen gesteld, ter uitvoering van artikel 4, achtste lid, laatste volzin, van de Wabb. De artikelen 2, 3, 5 en 6 luiden, voorzover hier van belang, als volgt:

"Artikel 2

De raad geeft een verklaring op hun aanvraag af aan degenen die bij de afgifte een onmiddellijk redelijk belang hebben en voldoen aan de in deze verordening omschreven vereisten.

Artikel 3

De raad geeft een verklaring slechts af indien de aanvrager, gezien zijn persoonlijke omstandigheden, in het verleden redelijkerwijs niet in de gelegenheid is geweest een krachtens artikel 4, achtste lid, eerste volzin, van de wet (…) aangewezen examendiploma te verwerven, en voorts van hem in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij zich alsnog onderwerpt aan het examen ter verkrijging van zulk een diploma aangewezen krachtens artikel 4, achtste lid, eerste volzin, van de wet.

Artikel 5

1. De verklaring dat de aanvrager voldoet aan de vakbekwaamheidseisen bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de wet wordt afgegeven aan degene die

a. ten minste 40 jaren oud is;

b. ten minste tien jaren werkzaam is geweest in het verzekeringsbedrijf of het assurantiebemiddelingsbedrijf,

- en daarvan ten minste vier jaren onmiddellijk aan de indiening van het verzoek voorafgaande een functie in dat bedrijf heeft bekleed voor het vervullen waaraan een gelijkwaardige vakbekwaamheid is vereist als voorvloeit uit het bezit van het diploma assurantiebemiddeling B, afgegeven door of namens de minister van Financiën,

- en in die functie regelmatig aangelegenheden heeft behandeld betreffende de navolgende onderdelen:

- levensverzekering, met uitzondering van volksverzekering en uitvaartverzekering in natura,

- brandverzekering, uitgebreid met dekking tegen andere gevaren dan brand, en verzekering ter zake van bedrijfsschade,

- transportverzekering, en

- variaverzekering,

mits de bemoeiing met een van de genoemde vier onderdelen intensief is geweest.

2. De verklaring bedoeld in het voorgaande lid kan in bijzondere gevallen eveneens worden afgegeven aan degene, die weliswaar niet volledig voldoet aan de vereisten van dat lid onder b. aangaande de duur en de aard der verrichte werkzaamheden maar wiens kennis van het verzekeringsbedrijf of het assurantiebemiddelingsbedrijf, mede gelet op zijn opleiding of vakstudie, desalniettemin is aan te merken als gelijkwaardig aan die, voortvloeiende uit het voldoen aan de bedoelde vereisten.

Artikel 6

1. Een aanvrager van een verklaring als bedoeld (…) in artikel 5 dient als regel zijn kennis van het verzekeringsbedrijf of het assurantiebemiddelingsbedrijf aan te tonen door het met gunstig gevolg afleggen van een vakproef.

2. Van de vakproef kan slechts worden afgezien indien naar het oordeel van de raad het afleggen van zulk een proef van de aanvrager niet behoeft te worden gevergd.

3. Van de vakproef kan eveneens worden afgezien indien naar het oordeel van de raad het afleggen van zulk een proef gezien de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager, in redelijkheid niet kan worden verlangd.

4. De proeven hebben betrekking op alle onderdelen van het verzekeringswezen, waarmede de verzoeker zich ingevolge de vereisten van (…) artikel (…) 5 van deze verordening moet hebben beziggehouden."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Door middel een ondertekend formulier (Wabb/03) heeft appellant een aanvraag ingediend tot afgifte van een verklaring van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 4, achtste lid, van de Wabb. Op dit formulier heeft appellant vermeld als redenen waarom hij in het verleden niet is toegekomen aan het behalen van het examendiploma en waarom hij meent dat niet in redelijkheid van hem kan worden verlangd dit alsnog te behalen, dat hij naast zijn werk als verzekeringsadviseur en directeur/eigenaar wel zijn deeldiploma assurantie B (particulieren) heeft behaald, maar dat hij door de hectiek en verantwoordelijkheden binnen zijn onderneming het deeldiploma assurantie B (MKB) nog niet met goed gevolg heeft afgelegd.

Voorts heeft appellant op het formulier vermeld dat hij van mening is dat hij gezien zijn vooropleiding en de omstandigheid dat hij reeds het deeldiploma assurantie B (particulieren) heeft behaald, reeds voldoet aan de voor afgifte van de gevraagde verklaring gestelde eisen en om die reden geen vakproef behoeft af te leggen. Bovendien stelt appellant daarin niet eerder op de hoogte te zijn geweest van de mogelijkheid van het aanvragen van thans gevraagde verklaring, zodat hij de studie heeft gevolgd.

- Voormelde aanvraag heeft verweerder bij besluit van 4 september 2002 afgewezen. Verweerder heeft in dit verband onder meer overwogen dat de aanvraag van appellant reeds op grond van artikel 3 van de Verordening zou kunnen worden afgewezen, maar dat gezien het gegeven dat appellant redelijk voldoet aan de in artikel 5 van de Verordening gestelde voorwaarden, is besloten de beslissing op de aanvraag van appellant afhankelijk te stellen van het resultaat van een door appellant af te leggen vakproef als bedoeld in artikel 6 van de Verordening.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 5 september 2002 bezwaar gemaakt.

- Op 12 november 2002 is appellant naar aanleiding van zijn bezwaren door de Commissie Bezwaarschriften van verweerder gehoord.

- Bij advies van 30 december 2002 (CB/02034) heeft de Commissie Bezwaarschriften verweerder geadviseerd het bezwaar van appellant gegrond te verklaren, het besluit van 4 september 2002 in te trekken en appellant de gevraagde verklaring zonder meer te verlenen. De Commissie Bezwaarschriften heeft in het advies onder meer het volgende overwogen:

" (…)

De commissie verstaat het bepaalde in de verordening aldus. Iedere aanvrager dient aan te tonen dat hij voldoet aan de bepalingen van art. 3. Indien hij daaraan voldoet wordt eerst dan beoordeeld of hij voldoet aan de ervaringsvereisten van art. 5. Indien hij daaraan ook voldoet, kan afgifte van de verklaring aan de orde komen. Daarvoor zal de aanvrager in beginsel met gunstig gevolg dienen deel te nemen aan een vakbekwaamheidsproef.

De commissie is van oordeel dat belanghebbende niet voldoet aan de criteria genoemd in artikel 3. Van een ieder die anderhalf jaar voor het indienen van de aanvraag het deelcertificaat Particulieren heeft behaald en het onderdeel Midden en Kleinbedrijf drie maanden voor het indienen van de aanvraag met een bijna voldoende resultaat heeft afgelegd, moet naar het oordeel van de commissie per definitie worden gezegd dat hij wèl in de gelegenheid is geweest zich een in artikel 3 genoemd diploma te verschaffen.

De volgende vraag die in dat kader dient te worden beantwoord, is of van belanghebbende niet alsnog mocht worden verlangd dat hij dat diploma (in dit geval het onderdeel Midden- en Kleinbedrijf daarvan) alsnog behaalt. Naar het oordeel van de commissie zijn er geen andere redenen dan drukke werkzaamheden in het opgestarte bedrijf aangevoerd of gebleken. Naar vaste jurisprudentie is deze, op zich staande, reden nimmer grond voor het voorbij gaan aan de drempel die artikel 3 beoogt op te werpen.

Gelet op het vorenstaande is de commissie van oordeel dat de aanvraag van belanghebbende zonder meer had behoren te worden afgewezen. Aangezien de rechtzoekende door het indienen van bezwaar niet slechter af mag zijn dan wanneer hij dat niet had gedaan (het beginsel van reformatio in peius) gaat de commissie er bij de advisering vanuit dat belanghebbende in de situatie verkeert als voldeed hij aan artikel 3."

- Op grond van de beoordeling van de aangevoerde omstandigheden is de Commissie vervolgens tot de conclusie gekomen dat, gelet op artikel 6 van de Verordening, geen vakproef behoort te worden afgelegd en adviseert zij derhalve de gevraagde verklaring zonder meer te verlenen.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen en daarbij de bezwaren van appellant, in afwijking van het advies van de Commissie Bezwaarschriften, ongegrond verklaard.

3. Het standpunt van verweerder

Verweerder deelt de door de Commissie Bezwaarschriften in het uitgebrachte advies weergegeven inzichten en uitvoeringsbeleid niet en heeft daartoe onder meer het volgende gesteld.

De Commissie Bezwaarschriften komt in het uitgebrachte advies aan de invloed van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op de beslissing eerst toe bij haar beoordeling van artikel 6, tweede lid van de Verordening. Deze bepaling van de Awb heeft haar invloed evenwel reeds laten gelden bij de beoordeling van de vraag of de aanvraag van appellant niet reeds op grond van artikel 3 van de Verordening had moeten worden afgewezen. Die beoordeling is in het primaire besluit juist door de werking van artikel 3:4 van de Awb voor appellant voordelig uitgevallen. Een beperking van de toepassing van deze bepaling, zoals is vervat in het eerste lid van artikel 3:4 Awb, ligt niet in artikel 3 van de Verordening besloten. Als voorbeeld van een dergelijke beperking zou bijvoorbeeld een leeftijdscriterium (zoals in artikel 4 van de Verordening) kunnen gelden, want daarvan kan niet worden afgeweken.

Bij de beoordeling of al dan niet reeds aanstonds afwijzing van de aanvraag van appellant had moeten plaatsvinden, heeft verweerder alle verstrekte informatie betrokken. In overeenstemming met artikel 3 van de Verordening kunnen naar vaste jurisprudentie drukke werkzaamheden geen grond vormen de eerst aangewezen weg - het behalen van het vereiste volledige diploma - terzijde te stellen. Aangezien appellant echter heeft gesteld de vereiste studie enkel te hebben aangevangen omdat hem de mogelijkheid onbekend was een verklaring aan te vragen, heeft verweerder gemeend bijzondere omstandigheden aanwezig te moeten achten om niet op grond van artikel 3 van de Verordening tot afwijzing van de aanvraag over te gaan. Verweerder acht in dit perspectief de overweging van de Commissie Bezwaarschriften dat door het volgen van de studie en het afleggen van het examen appellant 'per definitie' wel in de gelegenheid is geweest het diploma te behalen, onjuist.

Anders dan de Commissie Bezwaarschriften is verweerder van mening dat de door appellant gevolgde opleidingen hebben meegewogen bij de beoordeling van de aanvraag van appellant op grond van artikel 5, tweede lid, van de Verordening. Artikel 5, eerste lid onder b, van de Verordening geeft nadere regels omtrent de aard van de verrichte werkzaamheden. Dat appellant daaraan niet volledig voldoet wordt door deze theoretische vorming gecompenseerd.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van zijn beroep onder meer het volgende aangevoerd.

Aangezien hij geruime tijd in loondienst heeft gewerkt tijdens de eerste jaren van zijn carrière, heeft voor hem destijds nimmer de noodzaak bestaan het assurantie B-diploma te behalen. Door zijn werkgevers is hij in het verleden ook nimmer in de gelegenheid gesteld dit diploma te behalen. Thans is appellant, vanwege zijn drukke werkzaamheden en zijn gezinssituatie, niet bij machte het deelexamen assurantie B (MKB) voldoende voor te bereiden en met goed gevolg af te leggen. Hij heeft reeds tweemaal examen gedaan, echter zonder succes.

Appellant meent dat hij ruimschoots voldoet aan de in artikel 5 van de Verordening neergelegde criteria.

Appellant is van mening dat in verband met van zijn situatie toepassing dient te worden gegeven aan artikel 6, tweede lid, van de Verordening en dat appellant kan afzien van het afleggen van een vakproef. Het aan appellant opleggen van de verplichting van het met gunstig gevolg afleggen van de vakproef is voor hem, gelet op zijn kennisniveau (hij heeft de cursus van het deeldiploma assurantie B (MKB) gevolgd), carrièreverloop en huidige positie binnen zijn bedrijf onevenredig belastend.

5. De beoordeling van het geschil

Ter beoordeling van het College ligt de vraag voor of verweerder de afgifte van een verklaring van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 4, achtste lid, van de Wabb terecht heeft geweigerd. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

In artikel 3 van de ter uitvoering van artikel 4, achtste lid, van de Wabb opgestelde Verordening is bepaald dat een verklaring van vakbekwaamheid slechts wordt afgegeven, indien de aanvrager gezien zijn persoonlijke omstandigheden, in het verleden redelijkerwijs

niet in de gelegenheid is geweest een krachtens genoemd artikel 4, achtste lid, van de Wabb aangewezen examendiploma te verwerven en indien voorts niet in redelijkheid van hem kan worden verlangd dat hij zich alsnog aan een dergelijk examen onderwerpt.

Vast staat dat appellant het deelexamen (particulieren) van het assurantie B-diploma reeds heeft behaald en dat hij voor het andere deelexamen (MKB) van dit diploma ten minste één examen met onvoldoende resultaat heeft afgelegd. Naar het oordeel van het College kan, anders dan verweerder meent, in het licht van deze omstandigheden en ook overigens in de aangevoerde omstandigheden geen grond worden gevonden voor het oordeel dat appellant redelijkerwijs niet in de gelegenheid is geweest bedoeld examendiploma te behalen. Reeds hierom komt appellant, gelet op het dwingend bepaalde in artikel 3 van de Verordening ("De raad geeft de verklaring slechts af indien (…)") niet in aanmerking voor afgifte van een verklaring van vakbekwaamheid. In verband hiermede kan het beroep van appellant niet slagen.

Een beoordeling of, ingevolge artikel 6 van de Verordening, behoort te worden afgezien van het afleggen van de vakproef door appellant, zoals de Commissie Bezwaarschriften heeft overwogen, is gelet op het vorenoverwogene niet meer aan de orde. Weliswaar zal verweerder appellant nog immer in de gelegenheid behoren te stellen bedoelde vakproef af te leggen en, bij een voldoende resultaat daarvan, over te gaan tot afgifte van de gevraagde verklaring van vakbekwaamheid, maar zulks volgt uit de - ten onrechte - gedane toezegging van verweerder bij het primaire besluit van 4 september 2002 om de beslissing op de aanvraag van appellant om een verklaring van vakbekwaamheid afhankelijk te stellen van het resultaat van een door hem af te leggen vakproef, welke toezegging verweerder - gelet op het rechtszekerheidsbeginsel - bij het bestreden besluit terecht gestand heeft gedaan.

Gezien de miskenning door verweerder van het dwingende karakter van artikel 3 van de Verordening acht het College termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College;

- verklaart het beroep ongegrond.

- gelast dat verweerder appellant het door hem gestorte griffierecht ad € 109,-- (honderdnegen euro) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke worden vastgesteld op € 644,--, (zeshonderd vierenveertig euro);

- wijst af het anders of meer gevorderde.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. H.C. Cusell en mr. M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2003.

w.g. B. Verwayen w.g. M.S. Hoppener