Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AH8772

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-06-2003
Datum publicatie
30-06-2003
Zaaknummer
AWB 01/564
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 17 juli 2001 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen twee besluiten van verweerder van 5 juni 2001.

Bij deze besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren tegen de intrekking van de aan appellanten verleende S&O-verklaringen als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Nrs. AWB 01/564 en 01/565 6 juni 2003

27000 Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen

Uitspraak in de zaken van:

1. A, te B en

2. C, te B, appellanten,

gemachtigde: I. Engel,

tegen

de Minister van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr. R.E. Groenewold, werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Op 17 juli 2001 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen twee besluiten van verweerder van 5 juni 2001.

Bij deze besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren tegen de intrekking van de aan appellanten verleende S&O-verklaringen als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.

Het beroepschrift is nader gemotiveerd bij brief van 29 oktober 2001.

Op 27 maart 2002 heeft verweerder in de beide zaken een verweerschrift ingediend.

De geschillen zijn gevoegd behandeld ter zitting van het College op 15 november 2002, waar partijen hun standpunt hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De relevante bepalingen van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: de Wva) luidden ten tijde van de besluitvorming in de onderhavige zaken als volgt:

" Artikel 24

(…)

7. Een S&O-verklaring kan worden gewijzigd of ingetrokken indien blijkt dat te harer verkrijging verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend zouden zijn geweest. Onjuistheid of onvolledigheid van gegevens of bescheiden die Onze Minister van Economische Zaken bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond opleveren voor wijziging of intrekking van een verklaring. Een S&O-verklaring kan tevens worden ingetrokken indien blijkt dat de in artikel 25 bedoelde administratie niet voldoet aan het bij of krachtens dat artikel bepaalde. De bevoegdheid tot het wijzigen of intrekken van een verklaring vervalt door verloop van vijf jaren na de dagtekening van de verklaring.

(…)

Artikel 25

De S&O-inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven houdt een overeenkomstig bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken vast te stellen regels ingerichte administratie bij met betrekking tot de aard en de inhoud van het verrichte speur- en ontwikkelingswerk en de uren welke de daarbij betrokken werknemers hebben besteed aan het speur- en ontwikkelingswerk. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de S&O-belastingplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven."

Artikel 2 van de Uitvoeringsregeling administratieve voorschriften S&O-vermindering (hierna: de Uitvoeringsregeling) luidt als volgt:

" De S&O-inhoudingsplichtige of S&O-belastingplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven dient een zodanige administratie bij te houden dat daaruit uiterlijk twee maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin werkzaamheden zijn verricht waarop de verklaring betrekking heeft op eenvoudige en duidelijke wijze zijn af te leiden:

a. de aard en de inhoud van het verrichte speur- en ontwikkelingswerk;

b. het aantal uren dat de betrokken werknemers, dan wel de betrokken S&O-belastingplichtige aan het verrichte speur- en ontwikkelingswerk per project hebben besteed."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluiten van 24 september 1999 heeft verweerder aan elk van appellanten een verklaring afgegeven, dat het project "RO 99.201 Computer to Plate" als speur- en ontwikkelingsproject in de zin van de Wva is aangemerkt. Deze verklaringen hebben betrekking op werkzaamheden, te verrichten in de tweede helft van het kalenderjaar 1999. Appellanten hebben verweerder vooraf bericht in het kader van dit project samen te werken met derden.

- Op 12 september 2000 heeft verweerder een bedrijfscontrole bij appellanten verricht met betrekking tot de aan hen afgegeven S&O-verklaringen. Naar aanleiding van deze controle is een rapport is opgesteld, waarin onder meer het navolgende staat vermeld:

" RO 99.201, Computer to Plate

Men gaf slechts in algemene termen aan wat het nieuwe proces inhoudt. Technisch inhoudelijke gegevens werden niet verstrekt. Men kon niet aangeven wat de aard en inhoud van de S&O-werkzaamheden was geweest. Herhaald vragen leverde slechts op DAT er technisch inhoudelijk gewerkt is aan het project, niet WAT dat is geweest.

Projectadministratie

De projectadministratie bestaat uit enkele folders van leveranciers en enkele rapporten van brancheorganisaties. Uit de projectadministratie blijkt op geen enkele wijze enige technische inbreng in het project en ook niet dat er technische specificaties van A naar de leveranciers zijn gestuurd. Van alle technische communicatie was volgens zeggen niets bewaard gebleven.

Urenadministratie

In de urenadministratie wordt per persoon per dag bijgehouden hoeveel uren er aan het project gewerkt is. Een koppeling met de projectadministratie is niet aanwezig.

Overig

Men was tot voor kort niet op de hoogte van de verplichting tot een projectadministratie. Men had geheel conform de aanvraag gewerkt. Men verzocht om clementie, met de belofte in het vervolg een deugdelijke administratie te voeren. Senter deelt mee dat het niet kunnen aantonen van S&O werkzaamheden en het ontbreken van een administratie zal leiden tot het intrekken van de beschikking en dat de enige clementie is dat men (op eigen verzoek) alsnog de projectadministratie mag samenstellen uit gegevens die bij de diverse leveranciers voorhanden zijn. Wel moet daar in voldoende mate uit blijken wat de technisch inhoudelijke inbreng van A en C is geweest. Voor het CTP project zou men bij Scitex navraag doen of daar documenten zijn welke de technische inbreng van A en C aantonen. A en C hebben hiervoor 4 weken de tijd.

Aan het eind van het bezoek heeft Senter een artikel uit het 1999 november nummer van Prepress meegekregen. Het doorlezen van dat artikel leert dat A bètatester is voor diverse leveranciers, o.a. voor het polyester CTP proces. Hieruit blijkt niet dat het initiatief voor de ontwikkeling bij A en C ligt."

- Bij brief van 20 oktober 2000 hebben appellanten verweerder een aantal stukken doen toekomen met betrekking tot het onderhavige project.

- Bij besluiten van 22 december 2000 heeft verweerder de bovengenoemde S&O-verklaringen ingetrokken.

- Bij brief 31 januari 2001 hebben appellanten hiertegen bezwaar gemaakt.

- Op 10 april 2001 hebben appellanten hun bezwaar mondeling toegelicht.

- Bij brief van 25 april 2001 hebben appellanten verweerder, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, informatie doen toekomen met betrekking tot de uitvoering van het in het geding zijnde project.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten en het nadere standpunt van verweerder

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de intrekkingen van de S&O-verklaringen gehandhaafd en hiertoe - kort en zakelijk samengevat weergegeven - het volgende overwogen.

Om een adequate controle in het kader van de wet mogelijk te maken dient de S&O-inhoudingsplichtige en S&O-belastingplichtige voor de projecten waarvoor hij een S&O-verklaring heeft ontvangen over de uitvoering van deze projecten in zijn administratie zodanige gegevens bij te houden dat daarmee inzicht wordt verschaft in de voortgang van die projecten. Uit deze administratie dient op eenvoudige en duidelijke wijze afgeleid te kunnen worden welke speur- en ontwikkelingswerkzaamheden zijn verricht en de daaraan bestede tijd.

Op basis van de door appellanten gevoerde administratie kan niet worden vastgesteld wat de activiteiten van appellanten in het kader van het onderhavige project hebben ingehouden en wanneer deze uitgevoerd zijn.

In het verweerschrift heeft verweerder onder meer nog het navolgende aangevoerd.

" Appellanten stellen voorts dat de feitelijke ontwikkelingen zijn uitgevoerd, de bewijzen daarvan tastbaar aanwezig zijn en dat een redelijke projectadministratie en behoorlijke urenadministratie voorhanden waren. Uit de getoonde administratie zou blijken dat speur- en ontwikkelingswerk is verricht. Ik ben nog steeds van mening dat uit de door appellanten gevoerde administratie niet blijkt dat door hen speur- en ontwikkelingswerkzaamheden zijn verricht.

Overigens erkennen appellanten in hun beroepschrift dat er geen nauwkeurige projectadministratie is gevoerd."

Ter zitting van het College heeft verweerder nog het navolgende aangevoerd.

Bij het bedrijfsbezoek bleek de projectadministratie te bestaan uit enkele folders van leveranciers en enkele rapporten van brancheorganisaties. Van enige technische inbreng door appellanten bij de uitvoering van het onderhavige project blijkt uit deze stukken niet. Uit de nagezonden stukken blijkt dit evenmin. Voorzover schetsen zijn overgelegd, zijn de meeste van deze schetsen gedateerd vóór 1 juli 1999 en houden deze dus geen verband met werkzaamheden binnen de periode waarvoor de S&O-verklaring is afgegeven.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter ondersteuning van hun beroep - samengevat - onder meer het volgende tegen de bestreden besluiten aangevoerd.

Op zichzelf is juist dat de gevoerde projectadministratie summier van aard en niet geheel in orde was. Hierbij is echter van belang dat verweerder weliswaar eist dat een projectadministratie moet worden gevoerd, maar niet erg duidelijk blijkt, waar deze dan precies uit dient te bestaan. Pas in de loop van het kalenderjaar 2000 hebben appellanten enig inzicht verkregen in de eisen die aan een dergelijke projectadministratie worden gesteld.

Hoofdzaak is echter dat het in de aanvragen omschreven technisch nieuwe fysieke product(ieproces) tastbaar aanwezig is. Mede bezien in het licht van de wel overgelegde stukken kan hieruit worden afgeleid dat het onderhavige project daadwerkelijk conform de aanvraag is uitgevoerd.

De constructie van de in de aanvragen omschreven eigenlijke apparatuur is voorbehouden aan de (grote) producenten daarvan, doch deze ontwikkeling heeft in samenwerking met appellanten plaatsgevonden, waarbij appellanten de eisen en technische specificaties hebben vastgesteld.

5. De beoordeling van het geschil

De onderhavige procedures spitsen zich toe op de vraag of verweerder op juiste gronden heeft geoordeeld dat uit de door appellanten gevoerde administratie niet op eenvoudige en duidelijke wijze de aard en de inhoud van het beweerdelijk door hen verrichte speur- en ontwikkelingswerk valt af te leiden.

Verweerder heeft op goede gronden vastgesteld dat de projectadministratie van appellanten in dit opzicht tekortschiet. Het College overweegt hiertoe dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat uit de stukken die appellanten hebben overgelegd danwel zijn aangetroffen ten tijde van de bedrijfscontrole op 12 september 2000, niet op eenvoudige en duidelijke wijze de aard en inhoud van door appellanten verricht speur- en ontwikkelingswerk valt af te leiden. Bedoelde stukken zijn, zo zij al betrekking hebben op de periode waarvoor de onderhavige verklaringen zijn afgegeven, zeer summier (bestaande uit enkele handgeschreven aantekeningen bij een afbeelding of schema), afkomstig van derden of betreffen de inhoud van werkzaamheden van derden (zoals bijvoorbeeld de door D verrichte (vocht)wateranalyse), zonder dat zij inzicht verschaffen in de aard van de daaraan voorafgaande of daaropvolgende speur-en ontwikkelingswerkzaamheden van appellanten zelf.

Waar appellanten aldus niet voldaan hebben aan de uit artikel 25 van de Wva voortvloeiende administratieverplichting, komt verweerder op grond van artikel 24, zevende lid, derde volzin, van de Wva de bevoegdheid toe tot intrekking van de S&O-verklaring over te gaan.

Het College ziet geen reden waarom verweerder van deze bevoegdheid in de onderhavige gevallen geen gebruik zou hebben mogen maken.

De stelling van appellanten dat hun niet erg duidelijk was waaruit hun administratie precies moest bestaan, kan hun niet baten. Immers de Uitvoeringsregeling schrijft met name voor dat uit de administratie op eenvoudige een duidelijke wijze zijn af te leiden de aard en de inhoud van het verrichtte speur- en ontwikkelingswerk, en appellanten hebben niet serieus weersproken dat hun administratie niet aan dit voorschrift voldeed.

Door appellanten is voorts gesteld dat de door hen verrichte S&O-werkzaamheden in ieder geval blijken uit het bestaan van het in de desbetreffende aanvragen omschreven fysieke product(ieproces). Ook deze stelling kan niet leiden tot het hiermee beoogde doel, reeds omdat uit de enkele realisatie van een in een aanvraag bedoeld nieuw product of productieproces niet zonder meer kan worden afgeleid dat deze het resultaat is van ontwikkelingswerk van de aanvrager zelf en niet dat van derden. Dit klemt in het onderhavige geval te meer, nu appellanten voorafgaande aan de afgifte van de onderhavige verklaringen verweerder uitdrukkelijk hebben bericht dat bij de uitvoering van het onderhavige project wordt samengewerkt met anderen. In geval van een dergelijke samenwerking is een inzichtelijke projectadministratie eens te meer van belang, teneinde duidelijkheid te verkrijgen over het aandeel van de aanvrager bij de uitvoering van het project.

De slotsom is dat de beroepen ongegrond zijn.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. M.J. Kuiper en mr.C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr. R.P.H Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2003.

w.g. D. Roemers w.g. R.P.H. Rozenbrand