Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AG1665

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-06-2003
Datum publicatie
18-06-2003
Zaaknummer
AWB 00/139
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 8 februari 2000 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 30 december 1999 van verweerder.

Dit besluit strekt tot ongegrondverklaring van het bezwaar d.d. 31 maart 1999 gericht tegen het besluit van verweerder van 22 februari 1999, waarbij de aanvraag om subsidie van 16 november 1998 op grond van het Besluit subsidies economie, ecologie en technologie (Stb. 1997, nr. 13) is afgewezen.

Wetsverwijzingen
Besluit subsidies economie, ecologie en technologie, geldigheid: 2003-06-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/139 3 juni 2003

27337 Kaderwet EZ-subsidies

Besluit subsidies economie, ecologie en technologie

Beslissing op het verzoek om geheimhouding in de zaak van:

1. A B.V. en

2. B B.V., beiden gevestigd te X, appellanten,

gemachtigde: mr. K.W.H. Albert, advocaat te Boxtel,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: drs. M.J. Brandenburg, drs. R. Wismeijer en ing. R.P.J.M. Salden, allen werkzaam bij de Nederlandse Organisatie voor Energie en Milieu (Novem), te Sittard.

1. De procedure

Op 8 februari 2000 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 30 december 1999 van verweerder.

Dit besluit strekt tot ongegrondverklaring van het bezwaar d.d. 31 maart 1999 gericht tegen het besluit van verweerder van 22 februari 1999, waarbij de aanvraag om subsidie van 16 november 1998 op grond van het Besluit subsidies economie, ecologie en technologie (Stb. 1997, nr. 13) is afgewezen.

Bij brief van 2 maart 2000 hebben appellanten de gronden van hun beroep aangevuld.

Onder dagtekening 16 juni 2000 is een verweerschrift ingediend.

Bij brief d.d. 19 februari 2002 hebben appellanten het College verzocht verweerder op te dragen om in deze procedure het preadvies subsidieaanvragen vierde tender E.E.T., nr. EETK 98036 d.d. 18 december 1998 van de projectadviseur van het Programmabureau E.E.T. (hierna: preadvies) en het standaardformulier interne adviesronde E.E.T., nr. EET 98036 van een adviseur van Novem (hierna: standaardformulier), te overleggen.

Bij griffiersbrief van 7 maart 2002 is verweerder om overlegging verzocht van het preadvies en het standaardformulier, dan wel indien tegen overlegging daarvan bezwaren bestaan, aan te geven wat deze bezwaren zijn.

Bij brief van 17 april 2002 heeft verweerder het College bericht dat tegen overlegging van het preadvies en het standaardformulier aan appellanten bezwaren bestaan. Voorts heeft verweerder met betrekking tot deze stukken een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), met de mededeling dat in geval overlegging van die stukken gewenst wordt, uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van deze stukken (artikel 8:29, eerste lid, Awb).

Op 22 april 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar verweerder en appellanten bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben uiteengezet. Namens appellanten is tevens verschenen C, directeur van appellanten.

Overeenkomstig een ter zitting gemaakte afspraak heeft verweerder op 22 april 2003 het preadvies en het standaardformulier alsnog overgelegd en het verzoek om beperking van de kennisneming daaromtrent gehandhaafd en toegelicht.

2. Overwegingen

2.1 Gelet op de overlegging - alsnog - van de in de vorige alinea bedoelde stukken staat het College thans allereerst voor de vraag of de beperking van de kennisneming van het preadvies van de projectadviseur en het standaardformulier van een adviseur van de toenmalige Novem in dit geding gerechtvaardigd is.

2.2 Ingevolge artikel 8:29, eerste lid, Awb kan een partij bij het overleggen van stukken het College mededelen dat uitsluitend het College van die stukken kennis zal mogen nemen.

Uit het derde lid van dit artikel volgt dat het College beslist of zodanige beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. De omstandigheid dat een bestuursorgaan een verzoek om informatie op grond van de algemene openbaarmakingsregeling zou kunnen afwijzen is niet zonder meer doorslaggevend in een procedure tussen partijen. Daartoe is een afzonderlijke toets op "gewichtige redenen" vereist.

Het College dient, naar mede blijkt uit de Memorie van Toelichting bij de Awb, bij toepassing van evengenoemd wettelijk voorschrift een op de voorliggende zaak toegesneden beslissing te nemen op grond van een afweging van de ter zake dienende belangen, waarbij er op moet worden toegezien dat het evenwicht tussen de posities van partijen niet wordt verstoord. In dit verband heeft als uitgangspunt te gelden dat partijen over en weer zoveel mogelijk beschikken over relevante informatie om de door hen gewenste positie in de procedure in te nemen, alsmede dat de rechter beschikt over alle informatie die nodig is om de hem voorgelegde zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Een uitzondering op voormeld uitgangspunt is aan de orde, indien de bescherming van het belang dat bepaalde gegevens niet, althans in beperkte mate openbaar worden, zulks vergt.

Gelet op het voorgaande biedt hetgeen verweerder heeft aangevoerd geen grond voor een geslaagd beroep op beperking van de kennisneming van het preadvies en het standaard-formulier. Hierbij neemt het College in aanmerking dat verweerder ter motivering van zijn verzoek om beperkte kennisneming van voornoemde stukken slechts heeft aangevoerd dat sprake is van stukken, opgesteld ten behoeve van intern beraad, met daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

Dit kan, in het licht bezien van hiervoor weergegeven normatief kader, geen argument opleveren voor een geslaagd beroep op beperkte kennisneming. Tenslotte neemt het College in aanmerking dat is gesteld noch gebleken dat kennisneming van die stukken door appellanten de belangen van derden, de projectadviseur en de Novem-adviseur daaronder begrepen, zou kunnen schaden. Gelet hierop valt niet in te zien dat de belangen van verweerder zwaarder wegen dan het belang van appellanten om inzage in die stukken te krijgen.

2.3 Het verzoek om beperking van de kennisneming van het preadvies en het standaardformulier dient derhalve bij deze tussenbeslissing te worden afgewezen.

Conform artikel 6, zesde lid, van zijn procesregeling zal het College bedoeld preadvies en standaardformulier aan verweerder doen terugzenden. Verweerder wordt in de gelegenheid gesteld binnen twee weken na verzending van deze beslissing het preadvies en het standaardformulier alsnog als voor appellanten toegankelijke gedingstukken in te brengen. Vervolgens zullen appellanten in de gelegenheid worden gesteld om te reageren, en zal de procedure worden voortgezet teneinde een beslissing op het ingestelde beroep te nemen.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. De beslissing

Het College:

- beslist dat beperking van de kennisneming ten aanzien van het pre-advies subsidieaanvragen vierde tender E.E.T., nr. EET

98036 en het standaardformulier interne adviesronde E.E.T., nr. EET 98036 niet gerechtvaardigd is;

- gelast de griffier, deze stukken terug te zenden aan verweerder;

- stelt verweerder in de gelegenheid, binnen twee weken na verzending van deze beslissing deze stukken alsnog als voor

appellanten toegankelijke gedingstukken over te leggen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gegeven door mr. B. Verwayen, mr. H.C. Cusell en mr. M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Rapmund, als griffier, op 3 juni 2003.

w.g. B. Verwayen w.g. I.K. Rapmund