Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AG1636

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-05-2003
Datum publicatie
18-06-2003
Zaaknummer
AWB 02/1304
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 27 juni 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 17 mei 2002, verzonden op 24 mei 2002.

Bij dit besluit is het bezwaarschrift van appellante van 23 november 2001 tegen het besluit van 15 november 2001, waarbij is beslist op appellantes aanvraag in het kader van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling), ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 02/1304 23 mei 2003

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te X, appellante,

gemachtigden: C, te X en D, te Y ,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr. S.J. Bergeijk, werkzaam bij Laser.

1. De procedure

Op 27 juni 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 17 mei 2002, verzonden op 24 mei 2002.

Bij dit besluit is het bezwaarschrift van appellante van 23 november 2001 tegen het besluit van 15 november 2001, waarbij is beslist op appellantes aanvraag in het kader van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling), ongegrond verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2003, alwaar de gemachtigden van partijen de standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 24 van Verordening (EG) nr. 2316/1999 luidt als volgt:

"In afwijking van artikel 8, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 mogen de lidstaten voor de in bijlage X van de onderhavige verordening bedoelde gewassen en voor de door de betrokken lidstaten vast te stellen gebieden die in de in die bijlage versnelde regio's gelegen zijn, de inzaaitermijn tot uiterlijk 15 juni verlengen.

Wanneer de verlenging van de inzaaitermijn voor alle akkerbouwgewassen geldt, mogen de lidstaten voor de producenten in de betrokken gebieden ook de termijn voor indiening van de aanvragen voor areaalbetalingen tot uiterlijk 15 juni of tot de uiterste inzaaidatum ingeval die datum eerder dan de eerstgenoemde uitvalt, verlengen."

Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92 is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 4

2.a. De steunaanvraag ''oppervlakten'' mag na de uiterste datum voor de indiening ervan worden gewijzigd op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten de wijziging uiterlijk op de data als bedoeld in de artikelen 10, 11 en 12 van Verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad ontvangen.

(...)

Artikel 5 ter

Onverminderd de voorschriften van de artikelen 4 en 5 kan een steunaanvraag, in geval van een door de bevoegde instantie erkende klaarblijkelijke fout, na de indiening op elk moment worden aangepast."

Bij Verordening (EG) nr. 2419/2001, in werking getreden met ingang van 13 december 2001, is het volgende bepaald:

''Artikel 53

1. Verordening (EEG) nr. 3887/92 wordt ingetrokken. Zij blijft evenwel van toepassing op steunaanvragen voor verkoopseizoenen of premieperioden die beginnen vóór 1 januari 2002."

Bij de Regeling, zoals deze luidde onder vigeur van Verordening (EEG) nr. 3887/92, is voorzover hier van belang, het volgende bepaald:

"Artikel 3

Aan producenten van akkerbouwgewassen die een aanvraag oppervlakten indienen wordt door de minister jaarlijks ter zake van met akkerbouwgewassen ingezaaide oppervlakten of braakgelegde oppervlakten overeenkomstig de raadsverordening, verordening 3508/92, verordening 3887/92, verordening 2316/1999, verordening 2461/1999, deze regeling en het overeenkomstig artikel 3 van de raadsverordening opgestelde regioplan, subsidie verstrekt.

(...)

Artikel 9

1. Na sluiting van de aanvraagperiode doch uiterlijk op 31 mei voorafgaand aan het betrokken verkoopseizoen kan de aanvraag oppervlakten worden gewijzigd in de gevallen bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a, van verordening 3887/92.

2. In afwijking van het eerste lid kan de aanvraag oppervlakten na 31 mei worden gewijzigd:

a. in geval van een duidelijke fout;

(…)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft op 20 april 2001 op een hiertoe bestemd formulier - bij verweerders uitvoeringsinstantie Laser ontvangen op 23 april 2001 - op grond van de Regeling een aanvraag akkerbouwsubsidie ingediend.

- Bij brief van 11 juli 2001 heeft appellante Laser het volgende bericht:

"Bij controle van de basisgegevens v/d registratie gewaspercelen, is mij gebleken dat in mijn aanvraag oppervlakten 2001 een cruciale fout is geslopen.

Perceelnr. 173.66.460.42, volgnr. 9 is niet beteeld met gras, zoals door mij was aangegeven, maar met snijmaïs (al 15 jaar lang).

Middels dit schrijven verzoek ik u vriendelijk om de bijdragecode en gewascode respectievelijk te wijzigen in 845 en 259 en mij door deze wijziging alsnog de premie toe te kennen.

(...)"

- Laser heeft appellante bij brief van 6 augustus 2001 als volgt bericht:

"(...)

De door u voorgestelde wijziging heeft betrekking op het gebruik (teelt) van de percelen en had uiterlijk 15 juni 2001 door Laser ontvangen moeten zijn.

Derhalve zal bij de beoordeling van uw aanvraag uitgegaan worden van de gegevens zoals vermeld op bijgevoegde kleurenkopie. De niet toegestane wijziging is als extra perceel aan uw aanvraag toegevoegd met bijdragecode 999 (geen bijdrage).

(...)"

- Bij besluit van 15 november 2001 is de aanvraag van appellante toegewezen tot een bedrag van Fl. 2987,29 (€ 1355,57).

- Appellante heeft bij brief van 23 november 2001, door verweerder ontvangen op 27 november 2001, bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe is - samengevat - het volgende overwogen.

Door het aanvraagformulier te ondertekenen heeft appellante verklaard kennis te hebben genomen van en in te stemmen met de voorwaarden en verplichtingen zoals vermeld in de Regeling en bekend te zijn met de communautaire regelgeving. Gelet op artikel 4, tweede lid, van de Verordening (EEG) nr. 3887/92 mag een Aanvraag oppervlakten in 2001 gewijzigd worden op voorwaarde dat de wijziging uiterlijk op 15 mei door Laser is ontvangen. Vanaf 16 mei tot en met 15 juni mogen wijzigingen worden aangebracht in het gebruik (teelt) van de percelen, maar mogen geen braakpercelen of percelen voederareaal worden toegevoegd. Na 15 juni 2001 is het alleen toegestaan oppervlakte terug te trekken uit de Aanvraag. De door appellante ingediende wijziging heeft betrekking op het gebruik van een perceel en is ingediend op 12 juli 2001, nadat zij de fout had ontdekt. Deze wijziging had uiterlijk op 15 juni 2001 door Laser moeten worden ontvangen. Het verzoek om wijziging is derhalve terecht afgewezen. Ingevolge artikel 9, tweede lid, aanhef en sub a, van de Regeling kan de Aanvraag na 31 mei worden gewijzigd in het geval van een duidelijke fout. Appellante is verantwoordelijk voor het juist invullen van haar aanvraag en de gevolgen van een onjuiste opgave dienen in beginsel voor haar rekening te blijven, tenzij sprake is van een duidelijke fout. Dat is het geval als redelijkerwijs is uitgesloten dat de aanvraag ten tijde van de indiening conform de bedoeling was. Blijkens het werkdocument van de Europese Commissie van 18 januari 1999 is sprake van een duidelijke vergissing, indien sprake is van een tegenstrijdigheid in de aanvraag die wijst op een vergissing. In dit geval is geen sprake van een duidelijke fout. Appellante heeft op het overzicht gewaspercelen 12 percelen grasland opgegeven met bijdragecode 875 en 1 perceel met snijmaïs, met bijdragecode 845. Op het voorblad heeft appellante aangegeven geen voederareaal aan te vragen. Dit is geen tegenstrijdigheid als bedoeld in genoemd werkdocument. De aanvraag is als zodanig niet onlogisch, niet onvolledig en consequent ingevuld. Het is niet redelijkerwijs uitgesloten dat ten tijde van de aanvraag de opgave conform appellantes bedoeling was en Laser behoefde dan ook geen gerede twijfel te hebben over hetgeen appellante met haar aanvraag beoogde. Het is niet relevant dat in voorgaande jaren wel premie snijmaïs is toegekend voor dit perceel. Er wordt bij de beoordeling van de aanvraag voor 2001 uitgegaan van het aanvraagformulier 2001.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

In de Aanvraag is een vergissing gemaakt door het foutief invullen van een gewascode en bijdragecode. Deze vergissing is nogal laat ontdekt en kenbaar gemaakt aan Laser Groningen. Laser doet de reactie af als te laat en heeft de fout niet hersteld. Laser gaat hiermee wel erg kort door de bocht. Ieder jaar wordt de aanvraag ingevuld door een buitendienstmedewerker van Coöperatie De Valk Wekerom u.a.. Door de MKZ-crisis in Kootwijkerbroek was het deze medewerker verboden het bedrijf van appellante te betreden. Daarom is telefonisch geregeld dat de aanvraagformulieren getekend in de brievenbus zouden worden gedeponeerd, waar de medewerker ze uit zou komen halen. De formulieren, met een kopie van de Aanvraag oppervlakten 2000, zijn door de medewerker opgehaald. Appellante heeft verzocht de Aanvraag 2001 gelijk aan die van 2000 in te vullen. Dat is gebeurd. Na opheffing van het bezoekverbod is bij het eerste bezoek van de medewerker aan appellante een kopie van de Aanvraag 2001 ter hand gesteld. Bij het nakijken werd de vergissing ontdekt. Bij één perceel was de gewascode van grasland (blijvend) ingevuld in plaats van de gewascode van snijmaïs. Ook de bijdragecode was foutief ingevuld, te weten gras in plaats van snijmaïs. Direct werd een verzoek tot correctie gedaan, maar helaas kwam dit verzoek na 15 juni bij Laser binnen. Dit was een direct gevolg van het bezoekverbod, anders was de fout eerder ontdekt. Laser heeft niet meegenomen dat genoemd perceel al vele jaren als snijmaïsperceel is opgegeven en dat in juli en augustus het gewas nog op het veld staat en dus gecontroleerd kan worden.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt voorop dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt stelt dat slechts aan het bezwaar van appellante tegemoet zou kunnen worden gekomen indien zou moeten worden geoordeeld dat door appellante bij haar aanvraag oppervlakten een klaarblijkelijke fout is gemaakt. Immers alleen in dat geval is het blijkens artikel 5ter van Verordening (EEG) nr. 3887/92 juncto artikel 9, tweede lid, van de Regeling, ook na afloop van de uiterste indieningsdatum van een aanvraag mogelijk die aanvraag te wijzigen. Zoals het College reeds eerder heeft overwogen, is slechts sprake van een klaarblijkelijke fout indien objectief vaststaat dat de aanvankelijke opgave kennelijk fout was. Dit is het geval wanneer uit de aanvraag oppervlakten zelf blijkt dat de gedane opgave niet juist kan zijn.

Naar het oordeel van het College is in het onderhavige geval geen sprake van een klaarblijkelijke fout in voornoemde zin. Appellantes aanvraag was immers niet onlogisch of onbegrijpelijk ingevuld, zodat er bij Laser geen gerede twijfel behoefde te bestaan over hetgeen appellante met haar aanvraag beoogde. Dat appellante in het verleden voor dit perceel premie heeft aangevraagd en ontvangen voor snijmaïs doet daar niets af. Bij de beoordeling van een aanvraag mag Laser - in beginsel - uitgaan van de informatie op het aanvraagformulier. Laser is niet gehouden de ingediende aanvraag te vergelijken met eventuele eerdere aanvragen. Voorts vermag het College niet in te zien dat Laser, zoals door appellante is aangevoerd, gehouden was om, nadat het verzoek om wijziging was binnengekomen, op het bedrijf van appellante te controleren welk gewas op het veld stond.

Appellante heeft zich nog beroepen op het bestaan van een overmachtsituatie, veroorzaakt door het bezoekverbod in verband met de MKZ-crisis. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting constateert het College echter dat het bezoekverbod weliswaar heeft verhinderd dat - als in voorgaande jaren is gebeurd - de buitendienstmedewerker gezamenlijk met appellante de aanvraag heeft ingevuld, maar niet in de weg stond aan correcte indiening van de aanvraag. Controle had zo nodig op allerlei wijzen geregeld kunnen worden. Het beroep op overmacht faalt derhalve.

Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2003.

w.g. W.E. Doolaard w.g. R. Meijer