Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AG0159

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-05-2003
Datum publicatie
16-06-2003
Zaaknummer
AWB 02/1455
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/1455 23 mei 2003

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A, te X, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr. J. Teigeler, werkzaam bij Laser.

1. De procedure

Op 25 juli 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 11 juni 2002, verzonden op 13 juni 2002.

Bij dit besluit is beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de vaststelling van haar oppervlakte voederareaal.

Verweerder heeft op 11 oktober 2002 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2003, alwaar partijen hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92 is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 4

2.a. De steunaanvraag ''oppervlakten'' mag na de uiterste datum voor de indiening ervan worden gewijzigd op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten de wijziging uiterlijk op de data als bedoeld in de artikelen 10, 11 en 12 van Verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad ontvangen.

(...)

Artikel 5ter

Onverminderd de voorschriften van de artikelen 4 en 5 kan een steunaanvraag in geval van een door de bevoegde instantie erkende klaarblijkelijke fout, na de indiening op elk moment worden aangepast."

Bij Verordening (EG) nr. 2419/2001, in werking getreden met ingang van 13 december 2001, is het volgende bepaald:

''Artikel 53

1. Verordening (EEG) nr. 3887/92 wordt ingetrokken. Zij blijft evenwel van toepassing op steunaanvragen voor verkoopseizoenen of premieperioden die beginnen vóór 1 januari 2002."

Bij de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen, zoals deze luidde onder vigeur van Verordening (EEG) nr. 3887/92, is voorzover hier van belang, het volgende bepaald:

"Artikel 3

Aan producenten van akkerbouwgewassen die een aanvraag oppervlakten indienen wordt door de minister jaarlijks ter zake van met akkerbouwgewassen ingezaaide oppervlakten of braakgelegde oppervlakten overeenkomstig de raadsverordening, verordening 3508/92, verordening 3887/92, verordening 2316/1999, verordening 2461/1999, deze regeling en het overeenkomstig artikel 3 van de raadsverordening opgestelde regioplan, subsidie verstrekt.

(...)

Artikel 9

1. Na sluiting van de aanvraagperiode doch uiterlijk op 31 mei voorafgaand aan het betrokken verkoopseizoen kan de aanvraag oppervlakten worden gewijzigd in de gevallen bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a, van verordening 3887/92.

2. In afwijking van het eerste lid kan de aanvraag oppervlakten na 31 mei worden gewijzigd:

a. in geval van een duidelijke fout;

(...)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft op 15 mei 2001 op een hiertoe bestemd formulier bij verweerders uitvoeringsdienst Laser een Aanvraag Oppervlakten/Gebruik gewaspercelen Opgave 2001 ingediend.

- Verweerder heeft appellante bij brief van 11 januari 2002 meegedeeld dat ten behoeve van de Regeling dierlijke EG-premies een oppervlakte voederareaal is geregistreerd van 44,24 hectare en dat geen percelen zijn opgegeven voor akkerbouwsubsidie.

- Appellante heeft bij brief van 8 februari 2002 bezwaar gemaakt tegen dit schrijven. Hierbij is het volgende gesteld:

"(...)

Tijdens de invulling van de formulieren aanvraag oppervlakte, was ik in het ziekenhuis.

Mijn zoon heeft toen de bijdragecode 805, in plaats van 845 ingevuld.

Ook de vraag 4 van aanvraag akkerbouwsubsidie, heeft hij nee ingevuld in plaats van ja.

Omdat hij in de veronderstelling was dat het tarwe betrof.

Waardoor ik niet in aanmerking kwam voor maispremie.

Terwijl ik afgelopen jaren altijd maispremie heb ontvangen. (…)"

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Verweerder heeft bij het bestreden besluit de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Daartoe wordt - samengevat - het volgende overwogen.

De brief van 11 januari 2002 is - voor zover het om de oppervlakte voederareaal gaat - geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Appellante maakt echter in feite bezwaar tegen het aanmerken van haar aanvraag als niet meer dan een opgave van voederareaal, terwijl zij met haar aanvraag bovendien in aanmerking wilde komen voor akkerbouwsteun. Daarom acht verweerder het bezwaar ontvankelijk. Ingevolge artikel 9, tweede lid, aanhef en sub a, van de Regeling kan de Aanvraag na 31 mei worden gewijzigd in het geval van een duidelijke fout. Appellante is verantwoordelijk voor het juist invullen van haar aanvraag en de gevolgen van een onjuiste opgave dienen in beginsel voor haar rekening te blijven, tenzij sprake is van een duidelijke fout. Dat is het geval als redelijkerwijs is uitgesloten dat de aanvraag conform de bedoeling was. Blijkens het werkdocument van de Europese Commissie van 18 januari 1999 is sprake van een duidelijke vergissing, indien sprake is van een tegenstrijdigheid in de aanvraag die wijst op een vergissing. In dit geval is geen sprake van een duidelijke fout. De aanvraag is als zodanig niet onlogisch, niet onvolledig consequent ingevuld. Het staat de producent vrij om voor een perceel - waar mogelijk - al dan niet subsidie aan te vragen. De combinatie van gewascode 259 (snijmaïs) en bijdragecode 805 (voederareaal) is geen tegenstrijdige combinatie. Laser behoefde geen gerede twijfel te hebben over hetgeen appellante met haar aanvraag beoogde.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep - samengevat - het volgende aangevoerd.

Appellante heeft al die jaren aanvraag gedaan voor maïspremie en die ook ontvangen. In 2001 heeft zij een aanvraag voor stierenpremie gedaan. Deze werd eerst toegekend, maar later alsnog afgewezen, omdat appellante onvoldoende voederareaal had. In mei 2001 is telefonisch contact geweest met Laser Groningen. De eerste keer werd gezegd dat het niet mogelijk is zowel stierenpremie als maïspremie te ontvangen. Bij een tweede telefonisch contact is echter meegedeeld dat, als in plaats van bijdragecode 845 bijdragecode 805 wordt ingevuld, aanspraak bestaat op beide premies. Door deze verkeerde inlichtingen uit Groningen heeft appellante niet de goede bijdragecode ingevuld om subsidie te ontvangen. Appellante beschikt hierdoor over 44.24 hectare voederareaal, wat meer is dan nodig voor de ongeveer 20 stieren in verkoopseizoen 2001. Er is geen sprake van kwade wil.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt voorop dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt stelt dat slechts aan het bezwaar van appellante tegemoet zou kunnen worden gekomen indien zou moeten worden geoordeeld dat door appellante bij haar aanvraag oppervlakten een klaarblijkelijke fout is gemaakt. Immers alleen in dat geval is het blijkens artikel 5ter van Verordening (EEG) nr. 3887/92 juncto artikel 9, tweede lid, van de Regeling, ook na afloop van de uiterste indieningsdatum van een aanvraag mogelijk die aanvraag te wijzigen. Zoals het College reeds eerder heeft overwogen, is slechts sprake van een klaarblijkelijke fout indien objectief vaststaat dat de aanvankelijke opgave kennelijk fout was. Dit is het geval wanneer uit de aanvraag oppervlakten zelf blijkt dat de gedane opgave niet juist kan zijn.

Naar het oordeel van het College heeft verweerder in het onderhavige geval kunnen oordelen dat geen sprake is van een duidelijke fout in genoemde zin. Appellantes aanvraag was immers niet onlogisch of onbegrijpelijk ingevuld, zodat er bij Laser geen gerede twijfel behoefde te bestaan over hetgeen appellante met haar aanvraag beoogde. Dat appellante in het verleden voor dit perceel premie heeft aangevraagd en ontvangen voor snijmaïs doet daar niets af. Bij de beoordeling van een aanvraag mag Laser - in beginsel - uitgaan van de informatie op het aanvraagformulier. Laser is niet gehouden de ingediende aanvraag te vergelijken met eventuele eerdere aanvragen.

Appellante heeft in haar beroepschrift een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat zij zich bij het invullen van de Aanvraag heeft gebaseerd op van de helpdesk van Laser verkregen informatie. Het College stelt allereerst vast dat nu appellante zich eerst in beroep en dus geruime tijd nadat dit contact zou hebben plaatsgevonden op de daarin verstrekte informatie heeft beroepen, het niet goed mogelijk is om thans nog te achterhalen wat precies tijdens dit gesprek is voorgevallen. Daarnaast is ter zitting gebleken dat appellante niet kan aangegeven met wie zij precies heeft gesproken en ook anderszins geen bewijzen heeft voor het gestelde contact. Tenslotte blijkt uit hetgeen door appellante naar voren is gebracht dat zij tweemaal contact met de helpdesk zou hebben gehad, waarbij haar tegenstrijdige informatie zou zijn verstrekt. Onder deze omstandigheden kon appellante aan de informatie die bij het tweede contact verstrekt zou zijn, niet zonder meer het vertrouwen ontlenen dat deze juist was. Het College ziet reeds daarom geen aanleiding het beroep op het vertrouwensbeginsel te honoreren.

Verweerder heeft appellante niet ervan beticht opzettelijk het formulier onjuist te hebben ingevuld. Appellantes ontkenning van kwade wil harerzijds is dan ook niet van belang.

Doorslaggevend is uitsluitend de wijze waarop appellante haar aanvraag heeft ingevuld, niet de eventuele intenties die daaraan ten grondslag hebben gelegen.

Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2003.

w.g. W.E. Doolaard w.g. R. Meijer