Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AG0142

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-05-2003
Datum publicatie
16-06-2003
Zaaknummer
AWB 02/1246
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij brief, verzonden op 27 mei 2002, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van eerdergenoemde beslissing, onder meer gegeven naar aanleiding van een klacht, die appellant op 8 april 2001 had ingediend tegen B, registeraccountant te Y (hierna: betrokkene).

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht die appellant tegen betrokkene heeft ingediend, in alle onderdelen ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 02/1246 27 mei 2003

20010 Wet op de registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op 27 mei 2002.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 27 mei 2002, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van eerdergenoemde beslissing, onder meer gegeven naar aanleiding van een klacht, die appellant op 8 april 2001 had ingediend tegen B, registeraccountant te Y (hierna: betrokkene).

Bij een op 14 juni 2002 bij het College ingekomen beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing, voor zover strekkend tot ongegrondverklaring van de tegen betrokkene ingediende klacht, beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 9 juli 2002 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij schrijven van 12 augustus 2002 heeft betrokkene een reactie gegeven op het door appellant in beroep gestelde.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 13 maart 2003, waar appellant en betrokkene in persoon zijn verschenen. Betrokkene heeft zijn standpunt doen toelichten door mr. J.W. van Rijswijk, advocaat te Amsterdam.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht die appellant tegen betrokkene heeft ingediend, in alle onderdelen ongegrond verklaard.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling daarvan en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van de middelen van beroep

3.1 Appellant heeft zijn klacht tegen onder meer betrokkene ingediend bij brieven van 8 april 2001. Daarin heeft appellant gesteld dat zijn klachten betrekking hadden op het volgende (hierbij is de door appellant gehanteerde nummering aangehouden):

1A. Het ten onrechte door betrokkene gemaakte verwijt dat appellant niet alle relevante informatie aan de externe accountant had verstrekt.

1B. Het gedrag van betrokkene jegens appellant was niet integer.

1C. De door betrokkene ten aanzien van de jaarrekening over 1994 afgegeven verklaring voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen.

3. De externe accountant heeft geweigerd opheldering te geven over de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot evenvermeld verwijt aan appellant.

Gezien evenvermelde formulering van de klacht en gelet op hetgeen daaromtrent in het kader van de behandeling door de raad van tucht naar voren is gebracht, kan het College appellant niet volgen in zijn in beroep opgeworpen grief, dat de bestreden tuchtbeslissing een onjuiste weergave bevat van zijn klacht.

Het College verwijst in dit verband naar § 4 van de tuchtbeslissing, waarin de raad van tucht de klacht van appellant jegens betrokkene als volgt samengevat heeft weergegeven:

1. Betrokkene heeft het bestuur van Centurion ten onrechte medegedeeld dat appellant niet alle informatie had verstrekt omtrent betalingen van management fees aan C.

2. Betrokkene heeft ten onrechte een goedkeurende accountantsverklaring verstrekt bij de jaarrekening van Centurion over 1994.

3. Betrokkene heeft ten onrechte geweigerd appellant informatie te verstrekken, waaronder begrepen de weigering appellant inzage te geven in accountantsdossiers.

Naar het oordeel van het College kan de algemeen geformuleerde klacht van appellant inzake de integriteit van betrokkene, geacht worden besloten te liggen in de hier aan de orde zijnde overige onderdelen van diens klacht en hetgeen de raad van tucht daaromtrent heeft beslist.

Gezien het voorafgaande faalt het onderhavige middel van beroep.

3.2 Het College kan appellant evenmin volgen in zijn grief dat de vaststelling van de feiten door de raad van tucht een foutief beeld geeft van de werkelijkheid.

In dit verband wordt overwogen dat appellant bij zijn aan de raad van tucht gezonden brieven waarin zijn klacht was vervat, een groot aantal bijlagen had gevoegd. Naar het oordeel van het College kan niet worden staande gehouden dat de raad van tucht, bij zijn selectie uit de naar voren gebracht gegevens en de samenvatting daarvan, essentiële zaken over het hoofd heeft gezien dan wel onjuist heeft weergegeven.

De uit het gestelde in beroep blijkende opvatting van appellant, dat de raad van tucht bepaalde, in verband met zijn klacht van belang zijnde, feiten en omstandigheden onjuist heeft geïnterpreteerd en daaraan onjuiste conclusies heeft verbonden, betreft een kwestie van andere orde, waarop hierna zal worden ingegaan.

Derhalve treft ook voormeld middel van beroep geen doel.

3.3 Met betrekking tot de grief van appellant betreffende de ongegrondverklaring door de raad van tucht van het - in § 3.1 onder 1A en 1 weergegeven - onderdeel van zijn klacht inzake mededelingen die betrokkene aan het bestuur van Centurion zou hebben gedaan omtrent het niet door hem - appellant - verstrekken van informatie omtrent transacties met C, overweegt het College dat de lezingen van appellant en betrokkene aangaande dit onderwerp uiteenlopen.

Appellant verwijt betrokkene dat hij zonder daarover tevoren met hem - appellant - overleg te voeren, op een gecombineerde vergadering van commissarissen en bestuursleden van Centurion, gehouden op 4 mei 1995, onjuiste mededelingen als voormeld, heeft gedaan.

Betrokkene heeft in het kader van zijn lezing van de desbetreffende feiten en omstandigheden naar voren gebracht dat hij en een collega van het accountantskantoor waaraan hij was verbonden, in verband met een dreigende escalatie van de discussie op voormelde vergadering, door het bestuur en de commissarissen van Centurion zijn gehoord buiten aanwezigheid van appellant. Daarbij heeft betrokkene, naar zijn zeggen, naar aanleiding van vragen van de zijde van het bestuur en de commissarissen de relevante feiten zakelijk weergegeven en geen informatie verstrekt welke niet reeds aan appellant bekend was op grond van besprekingen die betrokkene eerder met appellant had gevoerd.

Het College stelt vast dat in de dossierstukken, waaronder begrepen de notulen van eerdergenoemde gecombineerde vergadering, geen steun kan worden gevonden voor hetgeen appellant in het kader van het onderhavige klachtonderdeel naar voren heeft gebracht omtrent tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van betrokkene. Ook overigens is zodanig handelen niet aannemelijk kunnen worden.

Hieruit volgt dat het onderhavige middel van beroep niet kan slagen.

3.4 Met betrekking tot de behandeling door de raad van tucht van het in § 3.1 onder 1C en 3 vermelde klachtonderdeel heeft appellant naar voren gebracht dat betrokkene geen goedkeurende verklaring ten aanzien van de jaarrekening van Centurion over 1994 had mogen afgeven, aangezien daarin geen afzonderlijke post was opgenomen omtrent het financiële risico dat voor Centurion bestond blijkens de borgstelling door C voor eventuele navorderingen van Centurion in de sfeer van de belastingen en de sociale verzekeringen, ter zake van transacties die in het verleden met C waren verricht.

Betrokkene heeft hieromtrent naar voren gebracht dat bij hem bij de controle van de jaarrekening 1994 bedenkingen waren gerezen tegen de wijze van boeking van betalingen die als zogenoemde management fees door Centurion aan C waren gedaan. Naar aanleiding hiervan heeft het bestuur van Centurion overleg gevoerd met C, hetgeen er uiteindelijk toe heeft geleid dat afspraken zijn gemaakt omtrent de werkrelatie en dat C zich garant heeft verklaard voor betalingen ter zake van eventuele navorderingen als hiervoor bedoeld.

Betrokkene achtte het, toen de relatie met C naar behoren was geregeld en eerderbedoelde financiële risico's voor Centurion waren afgedekt, verantwoord zijn goedkeuring aan de jaarrekening 1994 te hechten.

Het College vermag, gelet op evenvermelde toelichting van betrokkene, niet in te zien dat hij bij het goedkeuren van de jaarrekening van Centurion over 1994 niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht dan wel anderszins tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld.

In dit verband overweegt het College voorts dat appellant zijn stelling inzake de onvolledigheid van de door betrokkene goedgekeurde jaarrekening 1994 ongenoegzaam heeft onderbouwd en dat ook overigens geen grond kan worden gevonden voor het oordeel dat de jaarrekening niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

Het thans aan de orde zijnde middel van beroep slaagt derhalve evenmin.

3.5 Naar het oordeel van het College treft ten slotte geen doel het middel van beroep, betreffende de ongegrondverklaring door de raad van tucht van het in § 3.1 onder 3 weergegeven klachtonderdeel inzake het niet verstrekken van informatie, respectievelijk verschaffen van inzage in accountantsdossiers aan appellant.

Immers, deze aangelegenheid regardeert betrokkene niet, aangezien zij is behandeld door een voormalige collega van betrokkene, terwijl betrokkene ten tijde hier van belang niet meer verbonden was aan de accountantskantoor waar de gegevens zich bevonden.

3.6 Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep moet worden verworpen.

De hierna te melden beslissing berust op het bepaalde in Titel II van de Wet op de Registeraccountants.

4. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. C.J. Borman en mr. J.A. Hagen in tegenwoordigheid van mr. M.J. van den Broek-Prins, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2003.

w.g. H.C. Cusell w.g. M.J. van den Broek-Prins

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratie-consulenten te Amsterdam

inzake

A,

k l a g e r,

tegen

1. B,

registeraccountant

en

2. D,

registeraccountant,

b e t r o k k e n e n

----------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. De Raad heeft kennisgenomen van de volgende aan de wederpartij bekende stukken:

(a) de klachten van 8 april 2001 met bijlagen;

(b) de verweerschriften van 20 september 2001 met bijlagen;

(c) de ter zitting van de Raad van 13 december 2001 door klager overgelegde pleitnota.

2. De Raad heeft de klacht behandeld in zijn openbare zitting van 13 december 2001, gehouden te Amsterdam. Klager is in persoon verschenen, vergezeld van de heer E. Betrokkenen zijn eveneens in persoon verschenen, vergezeld van de heer J. van Hees en raadsman Mr J.W. van Rijswijk, advocaat te Amsterdam.

3. Op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde stelt de Raad het volgende vast.

3.1 Klager is voormalig bestuurder van de coöperatieve handelsvereniging Centurion B.A., gevestigd te Rijsenhout ("Centurion"). Betrokkene B was sinds medio zeventiger jaren als medewerker betrokken bij de controle van Centurion, waarna hij sinds 1984 als partner de eindverantwoordelijkheid voor deze controleopdracht droeg. Op 4 mei 1995 heeft betrokkene B een goedkeurende accountantsverklaring verstrekt bij de jaarrekening 1994 van Centurion, waarna hij uiteindelijk op 31 december 1997 het kantoor PriceWaterhouseCoopers N.V. heeft verlaten. De controle van de jaarrekening 1996 van Centurion is de laatste controle waarvoor betrokkene B eindverantwoordelijkheid heeft gedragen. Vanaf de jaarrekening 1998 heeft betrokkene D de eindverantwoordelijkheid voor de controleopdracht inzake Centurion.

3.2 Centurion is een inkoopvereniging van heren- en damesmodedetaillisten. Centurion zorgt voor centrale inkoop en financiering van kleding. Vervolgens incasseert Centurion bij de detaillisten, zijnde de leden van de coöperatie. Indien de leden niet tijdig aan de betalingsverplichtingen voldoen, wordt door Centurion rente in rekening gebracht. Bedoelde rentebedragen werden door Centurion op individuele basis soms geheel of gedeeltelijk gecrediteerd. Toegekende kortingen werden door het bestuur van Centurion goedgekeurd. De vastlegging daarvan vond plaats in de notulen, maar op anonieme basis.

3.3 Tijdens de controlewerkzaamheden inzake de jaarrekening 1994 van Centurion zijn door het controleteam vragen gesteld over de facturering van management fees door de heer C, manager van de damesdivisie van Centurion. In het controlememorandum is - voor zover hier van belang - hierover het volgende opgenomen:

"Jaarlijkse kosten bedragen circa 90K. Factuur wordt verstuurd door een Italiaans bedrijf. In werkelijkheid is de heer C 40 uur per week werkzaam voor Centurion. Ten aanzien van de premies werknemersverzekeringen loopt Centurion derhalve risico's (fictief dienstverband 40 á 50K exclusief boete)."

Het betreffende Italiaanse bedrijf was gevestigd te Gardi, terwijl C in Nederland woonachtig en werkzaam was. Bedoeld bedrijf zond Centurion elk kwartaal een rekening voor verrichte werkzaamheden op het gebied van onder meer marketing en inkoopbegeleiding. De met bedoelde facturen gemoeide kosten werden niet in de winst- en verliesrekeningen maar op tussenrekeningen van Centurion verantwoord en daarna op kwartaalbasis aan de desbetreffende leden doorberekend. Dit aspect is door betrokkene B aan de orde gesteld bij de bestuurder van Centurion, zijnde klager, alsmede de administrateur van Centurion. Op 21 maart 1995 heeft deze bespreking plaatsgevonden, waarin volgens betrokkene B door klager werd aangegeven dat hij C niet kende. Betrokkene B heeft klager erop gewezen dat de gevolgde handelwijze, inhoudende dat ten behoeve van de in Nederland woonachtige C, die betalingen via Italië ontving, mede fiscaal gezien vragen opriep.

3.4 Op verzoek van betrokkene B heeft op 28 maart 1995 collegiaal overleg plaatsgevonden waaraan Prof. Drs J. van Manen heeft deelgenomen. Na uiteindelijk met zowel de Raad van Commissarissen als het gehele bestuur van Centurion overleg te hebben gevoerd werd, zoals gezegd, uiteindelijk op 4 mei 1995 een goedkeurende accountantsverklaring verstrekt bij de jaarrekening 1994 van Centurion nadat C accoord was gegaan met een dienstbetrekking per 1 januari 1995 en zekerheidsverschaffing voor de eventuele risico's voor Centurion uit het verleden, waarbij C garant stond voor alle eventuele navorderingen.

3.5 Begin 1999 werd betrokkene D benaderd door de heer G, destijds bestuursvoorzitter van Centurion met het verzoek vast te stellen of een aantal kortingen op te betalen rentebedragen daadwerkelijk waren gecrediteerd. Op 18 februari 1999 heeft betrokkene D na een feitelijk onderzoek te hebben verricht bij brief gerapporteerd aan de heer G voornoemd. Betrokkene D heeft geweigerd klager inzage te verschaffen in de controledossiers.

4. De klacht luidt - naar de Raad begrijpt en samengevat weergegeven - als volgt:

(i) betrokkene B valt tuchtrechtelijk te verwijten dat hij het bestuur van Centurion heeft medegedeeld dat klager genoemd bestuur niet alle informatie heeft verstrekt over de betalingen van management fees aan de heer C en voorts heeft betrokkene B ten onrechte een goedkeurende accountantsverklaring verstrekt bij de jaarrekening 1994 van Centurion;

(ii) betrokkene D heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld met betrekking tot het door hem verrichte onderzoek in het kader van het door Centurion aan klager gerichte verwijt dat (te) hoge kortingen aan debiteuren werden verstrekt;

(iii) betrokkenen B en D hebben ten onrechte geweigerd klager informatie te verstrekken, waaronder begrepen de weigering klager inzage te geven in de accountantsdossiers.

5. Met betrekking tot de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Raad als volgt.

5.1 Ten aanzien van het onder (i) vermelde eerste klachtonderdeel heeft klager onder meer naar voren gebracht dat hij door zijn werkgever Centurion in 1998 is ontslagen. Klager stelt zich op het standpunt dat hij geschaad is in zijn verweer ten aanzien van de door het bestuur van Centurion aan hem gerichte verwijten doordat betrokkene B niet tijdig in dat verband relevante informatie aan klager heeft verstrekt. Betrokkene B heeft het klachtonderdeel gemotiveerd betwist. Klager heeft niet duidelijk gemaakt op welke informatie hij doelt. Er is geen sprake geweest van informatieverstrekking aan het bestuur en of de Raad van Commissarissen van Centurion buiten klager om, aldus betrokkene B. Tegenover de gemotiveerde betwisting heeft klager naar het oordeel van de Raad onvoldoende aannemelijk gemaakt - en ook overigens is niet aannemelijk geworden - dat betrokkene B in verband met de door klager bedoelde informatieverstrekking tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5.2 Het tweede gedeelte van het eerste klachtonderdeel heeft betrekking op de door betrokkene B verstrekte goedkeurende accountantsverklaring bij de jaarrekening 1994 van Centurion. Volgens klager heeft betrokkene B tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door de goedkeurende accountantsverklaring te verstrekken. Betrokkene heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Naar het oordeel van de Raad heeft klager tegenover de gemotiveerde betwisting nagelaten het klachtonderdeel deugdelijk te motiveren zodat, mede gezien het hierboven in 5.1 gestelde, klachtonderdeel (i) in zijn geheel ongegrond is.

5.3 Klachtonderdeel (ii) richt zich tegen betrokkene D. Volgens klager heeft betrokkene D het door hem verrichte onderzoek naar verstrekte kortingen aan debiteuren onzorgvuldig uitgevoerd. Klager meent dat betrokkene D met name onzorgvuldig handelen kan worden verweten door het verzenden van een brief aan bestuurslid G van Centurion op 18 februari 1999, waarin betrokkene D - voor zover hier van belang - het volgende schrijft:

"Op uw verzoek hebben wij vastgesteld dat er over de jaren 1996 tot en met 1998 aan Max Droste B.V. te Wageningen en Wil Klaasen Mode B.V. te Doetinchem, in opdracht van de heer A, in totaal, respectievelijk F 8.273 en F 50.387 aan betalingskorting is gecrediteerd.

Voor de goede orde maken wij u erop attent dat met de heer H op 31 oktober 1995 een aanvullende overeenkomst is gesloten met betrekking tot de restitutieregeling en de betalingskorting.

Ons is niet gebleken dat deze overeenkomst door het bestuur is geaccordeerd."

Klager acht met name de laatste zin van bovengenoemde inhoud van de brief van 18 februari 1999 onzorgvuldig. Volgens klager wordt in bedoelde brief ten onrechte de suggestie gewekt dat klager zijn bevoegdheden te buiten is gegaan. Betrokkene D heeft het tweede klachtonderdeel gemotiveerd betwist. Bij brief van 24 september 1999 heeft betrokkene D aan klager uiteengezet dat in de brief van 18 februari 1999 geen waardeoordeel wordt gegeven over het handelen van klager, zodat van onzorgvuldig handelen richting klager geen sprake is, aldus betrokkene D. Ondanks het feit dat van de brief van 24 september 1999 een copie aan het bestuur van Centurion is gezonden, is de Raad van oordeel dat betrokkene D door het verzenden van zijn brief van 18 februari 1999 jegens klager dermate onzorgvuldig heeft gehandeld, dat hem daarvan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. In die brief wordt immers, zonder dat betrokkene D dienaangaande informatie bij klager had ingewonnen, de suggestie gewekt dat klager zonder toestemming van het bestuur een kortingsregeling is overeengekomen, terwijl vaststaat dat dergelijke overeenkomsten bij Centurion op anonieme basis door het bestuur werden geaccordeerd, zodat van goedkeuring ook niet kon blijken. Het klachtonderdeel is dan ook gegrond. Ter zake van dit onderdeel acht de Raad de maatregel van schriftelijke waarschuwing passend en geboden.

5.4 Klachtonderdeel (iii) heeft betrekking op de (afwezigheid van) informatieverstrekking door betrokkenen aan klager. Klager heeft zich daarbij onder meer op het standpunt gesteld dat hem ten onrechte is geweigerd inzage te verkrijgen in de controledossiers van betrokkenen. Betrokkenen hebben zich daartegen verweerd met de stelling dat het arbeidsgeschil tussen klager en Centurion hen niet regardeerde en dat voorts op grond van artikel 10 GBR 1994 ook niet op het verzoek van klager kon worden ingegaan. Met betrokkenen is de Raad van oordeel dat betrokkenen ten aanzien van het derde klachtonderdeel geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken, zodat het klachtonderdeel faalt.

6. Beslissing

De Raad:

­ verklaart het tweede onderdeel van de klacht gegrond;

­ verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

­ legt aan betrokkene D de maatregel van schriftelijke waarschuwing op.

Aldus gewezen door Mr D.H. Beukenhorst, voorzitter, J. van der Linde en Drs P.P.M. van der Ree, leden, in aanwezigheid van Mr B.M. Mendel, adjunct-secretaris.

____________ __________________

Voorzitter Adjunct-secretaris