Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF9622

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-05-2003
Datum publicatie
05-06-2003
Zaaknummer
AWB 03/493
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 15
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 17
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 30
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 31
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 107
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 109
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

No. AWB 03/493 2 mei 2003

11230 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Besluit verdachte dieren

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

A, statutair gevestigd te B, verzoekster,

gemachtigde: mr. W.B. van den Berg, advocaat te Meppel,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr. M.T. Veldhuizen, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Bij besluit van 4 april 2003 heeft de directeur van de Voedsel en Waren Autoriteit, onderdeel Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees, ingetrokken de aanwijzing van verzoeksters eendenslachterij te C als slachthuis voor het slachten van eenden, afkomstig uit een gebied dat vrij is van aviaire influenza (klassieke vogelpest). Blijkens de overwegingen bij dit besluit vormen de verspreiding van het aviaire influenzavirus over Nederland en het ongewisse verloop van de ziekte aanleiding voor het nemen van dit besluit, dat ertoe strekt de vervoersbewegingen van dieren die gevoelig zijn voor aviaire influenza, en daarmee de mogelijkheden tot verspreiding van dat virus, zoveel mogelijk te beperken.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 16 april 2003, aangevuld bij brief van 25 april 2003, bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij faxbericht van 25 april 2003 heeft verzoekster zich tevens tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van het besluit van 4 april 2003.

Bij brieven van 28 april 2003, 29 april 2003 en 30 april 2003 heeft verzoekster de gronden van het verzoek aangevuld.

Verweerder heeft de voorzieningenrechter op 28 april 2003 de op het geding betrekking hebbende stukken doen toekomen en op 29 april 2003 een schriftelijke reactie op het verzoek om voorlopige voorziening toegezonden.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 mei 2003, alwaar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht. Aan de zijde van verzoekster waren daarbij tevens aanwezig D en E, directeuren van verzoekster. Aan de zijde van verweerder waren tevens aanwezig mr. T.C. Topp, werkzaam bij verweerders ministerie, en drs. F. de Klerk, cluster-coördinator Dierziekten bij de Afdeling Dierziekten van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees te Voorburg.

Ter zitting heeft verzoekster naar aanleiding van gewijzigde omstandigheden haar verzoek om voorlopige voorziening aangepast. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht het besluit van 4 april 2003 te schorsen tot zes weken nadat op het bezwaarschrift is beslist, alsmede verweerder op te dragen binnen 24 uur na deze uitspraak te beoordelen of de tot 29 april

2003 geldende corridor via de A28 dient te worden hersteld.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de preambule, alsmede de artikelen 1 en 9 van Richtlijn 92/40/EEG van de Raad van 19 mei 1992 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van aviaire influenza (Pb 1992, L167, blz. 1), is onder meer het volgende overwogen:

"Overwegende dat op communautair niveau moet worden bepaald welke bestrijdingsmaatregelen in geval van een uitbraak van aviaire influenza in zijn sterk pathogene vorm, veroorzaakt door een influenzavirus met specifieke kenmerken en hierna "aviaire influenza" genoemd, moeten worden getroffen, ten einde de normale ontwikkeling van de pluimveesector te garanderen en bij te dragen tot de bescherming van de diergezondheid in de gemeenschap;

Overwegende dat een uitbraak van aviaire influenza zich zeer snel kan ontwikkelen tot een epizoötie die een zodanige sterfte veroorzaakt en een zodanig verstorend effect heeft dat de rentabiliteit van de gehele pluimveehouderij daardoor ernstig kan worden geschaad;

Overwegende dat, wanneer de aanwezigheid van de ziekte wordt vermoed, maatregelen moeten worden genomen om, zodra het vermoeden wordt bevestigd, de ziekte onmiddellijk en doeltreffend te kunnen bestrijden;

Overwegende dat verspreiding van de ziekte van meet af aan moet worden voorkomen door nauwlettend toezicht te houden op de verplaatsingen van dieren en op het gebruik van mogelijk verontreinigde produkten, en indien nodig, door inenting;

(…)

Overwegende dat gemeenschappelijke maatregelen voor de bestrijding van aviaire influenza de grondslag vormen voor de handhaving van een uniforme gezondheidsstatus;

(…)

Artikel 1

Bij deze Richtlijn worden de communautaire bestrijdingsmaatregelen vastgesteld die moeten worden toegepast wanneer aviaire influenza uitbreekt bij pluimvee, onverminderd de communautaire voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer.

Deze Richtlijn is niet van toepassing wanneer aviaire influenza wordt geconstateerd bij andere vogels; in dat geval evenwel stellen de Lid-Staten de Commissie in kennis van de eventueel door hen getroffen maatregelen.

Artikel 9

1. Zodra de diagnose van aviaire influenza officieel is bevestigd, zien de Lid-Staten erop toe dat de bevoegde autoriteit rond het besmette bedrijf een besmettingsgebied afbakent, bestaande uit een beschermingsgebied met een straal van ten minste 3 km en een toezichtgebied met een straal van ten minste 10 km. Bij de instelling van deze gebieden moet rekening worden gehouden met factoren van geografische, administratieve, ecologische en epizoötiologische aard in verband met aviaire influenza alsmede met de controlestructuren.

2. In het beschermingsgebied gelden met name de volgende maatregelen:

a) alle bedrijven in het gebied waar pluimvee wordt gehouden, worden geïdentificeerd;

(…)

e) verplaatsingen van personen die in contact komen met pluimvee, pluimveekadavers en eieren, en van voertuigen waarmee pluimvee, pluimveekadavers en eieren binnen het gebied worden vervoerd, worden gecontroleerd; in het algemeen wordt alle vervoer van pluimvee verboden, met uitzondering van doorvoer via de hoofdwegen of hoofdlijnen van het spoorwegnet;

f) pluimvee en broedeieren mogen niet van de bedrijven waar ze zich bevinden, worden afgevoerd, tenzij de bevoegde autoriteit toestemming heeft verleend voor het vervoer van:

i) pluimvee naar een slachting die bij voorkeur gelegen is binnen het besmette gebied of, indien dit niet mogelijk is, naar een door de bevoegde autoriteit aangewezen slachterij buiten dat gebied, om daar onmiddellijk te worden geslacht. Het vlees van dit pluimvee wordt voorzien van het bijzondere merk als bedoeld in artikel 5, lid 1, van Richtlijn 91/494/EEG;

(…)

4. In het toezichtsgebied gelden met name de volgende maatregelen:

a) alle bedrijven in het gebied, waar pluimvee wordt gehouden, worden geïdentificeerd;

b) verplaatsingen van pluimvee en broedeieren binnen het gebied worden gecontroleerd;

c) het pluimvee mag de eerste vijftien dagen het gebied niet verlaten, tenzij om rechtstreeks te worden vervoerd naar een door de bevoegde autoriteit aangewezen slachterij buiten het toezichtsgebied. Het vlees van dit pluimvee wordt voorzien van het bijzondere merk als bedoeld in artikel 5 van Richtlijn 91/494/EEG;

(…)

g) onverminderd het bepaalde onder b) en c), wordt het vervoer van pluimvee binnen het gebied verboden, met uitzondering van doorvoer via de hoofdwegen of de hoofdlijnen van het spoorwegnet.

(…)"

Artikel 10 van Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (Pb 1990, L224, blz. 29) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Artikel 10

1. Elke Lid-Staat stelt de andere Lid-Staten en de Commissie onmiddellijk in kennis, niet alleen van het uitbreken op zijn grondgebied van de in Richtlijn 82/894/EEG bedoelde ziektes, maar ook van het uitbreken van zoönoses, ziektes of andere aandoeningen die voor de veestapel of voor de gezondheid van de mens een ernstig gevaar kunnen opleveren.

De Lid-Staat van verzending legt onmiddellijk de door de communautaire voorschriften voorgeschreven bestrijdings- of preventiemaatregelen ten uitvoer, met name de afbakening van de daarin bedoelde beschermingszones, of stelt elke andere maatregel vast die hij passend acht.

(…)"

De artikelen 1 en 2 van Beschikking 2003/153/EG van de Commissie van 3 maart 2003 tot vaststelling van beschermende maatregelen in verband met een sterk vermoeden van besmetting met aviaire influenza in Nederland (Pb 2003, L59, blz. 32) luiden, voorzover hier van belang, als volgt:

"Artikel 1

1. Onverminderd de maatregelen die Nederland op grond van Richtlijn 92/40/EEG van de Raad heeft genomen in de toezichtsgebieden, zien de Nederlandse veterinaire autoriteiten erop toe dat:

(…)

b) geen levend pluimvee en broedeieren worden vervoerd binnen Nederland.

2. In afwijking van het bepaalde in lid , onder b), kan de bevoegde veterinaire autoriteit, voor zover de nodige maatregelen op het gebied van de bioveiligheid worden genomen om verspreiding van de ziekte te voorkomen, toestemming verlenen voor het vervoer (…) van:

a) pluimvee dat bestemd is om onmiddellijk te worden geslacht in een daartoe door de bevoegde autoriteit aangewezen slachthuis;

(…)

Artikel 3

De bij deze beschikking vastgestelde maatregelen zijn van toepassing tot en met 6 maart 2003 om 24.00 uur."

In het kader van deze zaak zijn voorts de volgende Beschikkingen van de Commissie van belang:

Beschikking 2003/156/EG van 6 maart 2003 (Pb 2003, L64, blz. 36), Beschikking 2003/172/EG van 12 maart 2003 (Pb 2003, L69, blz. 27), Beschikking 2003/186/EG van 14 maart 2003 (PB 2003, L71, blz. 30), Beschikking 2003/191/EG van 19 maart 2003 (Pb 2003, L74, blz. 30), Beschikking 2003/214/EG van 27 maart 2003 (Pb 2003, L81, blz. 48), Beschikking 2003/258/EG van 10 april 2003 (Pb 2003, L95, blz. 65) en Beschikking 2003/290/EG van 25 april 2003 (Pb 2003, L105, blz. 28).

Uit deze Beschikkingen vloeit onder meer voort dat de geldigheidsduur van de in het hierboven genoemde artikel 1 voorgeschreven maatregelen is verlengd tot en met 12 mei 2003 om 24.00 uur.

Bij Beschikking 2003/214/EG van 27 maart 2003 is artikel 1 van Beschikking 2003/153/EG, zoals dat artikel reeds was gewijzigd bij Beschikking 2003/191/EG, voorzover hier van belang, gewijzigd. Genoemd artikel 1 luidde vanaf dat moment als volgt:

"(…)

3. Onverminderd de maatregelen die Nederland op grond van Richtlijn 92/40/EEG van de Raad heeft genomen in de toezichtsgebieden en de in de bijlage omschreven buffergebieden, zien de Nederlandse veterinaire autoriteiten erop toe dat geen levend pluimvee en broedeieren worden vervoerd binnen Nederland.

4. In afwijking van het bepaalde in lid 2 kan de bevoegde veterinaire autoriteit, voor zover de nodige maatregelen op het gebied van de bioveiligheid worden genomen om verspreiding van aviaire influenza te voorkomen, toestemming verlenen voor het vervoer van de volgende producten, afkomstig uit gebieden buiten de toezichtsgebieden:

a) pluimvee (…) bestemd om onmiddellijk te worden geslacht, naar een daartoe door de bevoegde veterinaire autoriteit aangewezen slachthuis;

(…)"

Bij Beschikking 2003/258/EG van 10 april 2003 zijn, voorzover hier van belang, de leden 3 en 4 van artikel 1 van Beschikking 2003/214/EG vernummerd tot de leden 2 en 3.

Bij de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Stb. 1992, 585; hierna: Gwd) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 15

1. Deze afdeling is van toepassing op door Onze Minister aangewezen besmettelijke dierziekten bij:

(…)

b. pluimvee;

(…)

Artikel 17

1. Bij ministeriële regeling kunnen hetzij voor geheel Nederland, hetzij voor bepaalde gedeelten daarvan, regels worden gesteld ter voorkoming van overbrenging van een besmettelijke dierziekte, waaronder in ieder geval regels omtrent:

(…)

c. het betreden van bedrijven of vestigingen waar dieren worden gehouden, (…);

2. Onder de in het eerste lid bedoelde regels worden mede verstaan regels met betrekking tot:

a. het aanvoeren van dieren, (…), vervoermiddelen alsmede van andere producten of voorwerpen aan bedrijven of vestigingen;

b. het ontvangen van dieren, (…), vervoermiddelen alsmede van andere producten of voorwerpen op bedrijven of vestigingen;

c. het afvoeren van (…), producten van dierlijke oorsprong, (…), vervoermiddelen, alsmede van andere producten of voorwerpen van bedrijven of vestigingen;

(…)

Artikel 30

1. Onze Minister kan het vervoeren van dieren van een door hem te bepalen soort, (…), uit, naar of binnen Nederland of bepaalde gedeelten van Nederland verbieden dan wel verbieden indien niet wordt voldaan aan door hem te stellen regels.

(…)

Artikel 31

Indien in het belang van de bestrijding van besmettelijke dierziekten naar het oordeel van Onze Minister een onverwijlde voorziening noodzakelijk is, kan hij bepalen dat door hem krachtens dit hoofdstuk vastgestelde regelingen onmiddellijk na hun bekendmaking in werking treden. In dat geval kan hij zodanige regeling, in afwijking van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de Bekendmakingswet (Stb. 1988, 18), op andere dan de daar genoemde wijze bekend maken.

Artikel 107

1. Onze Minister kan, voor zover het belang van de gezondheid of het welzijn van dieren zich daartegen niet verzet, van het bij of krachtens deze wet bepaalde vrijstelling of ontheffing verlenen.

(…)

3. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften of voorwaarden worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden verleend. Zij kunnen te allen tijde worden ingetrokken.

Artikel 109

Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven."

Artikel 3 van de Regeling vervoersbeperkingsgebieden pluimvee 2003 (Stcrt. 2003, 43; hierna: Regeling) luidde op 2 maart 2003 als volgt:

"1. Het vervoer, met inbegrip van verplaatsing over de openbare weg zonder vervoermiddel, van

a. pluimvee;

b. broed- en consumptie-eieren,

(…)

uit, naar of binnen het gebied, is verboden."

Per 31 maart 2003, ingaande om 17.00 uur, is de Regeling gewijzigd (Stcrt. 2003, 65). Artikel 3, en het bij deze wijziging ingevoegde artikel 3c, van de gewijzigde Regeling luidden vanaf dat moment als volgt:

"Artikel 3

1. Het vervoer, met inbegrip van verplaatsing over de openbare weg zonder vervoermiddel, van

a. AI-gevoelige dieren, en

b. broed- en consumptie-eieren,

uit, naar of binnen het gebied, is verboden.

(…)

Artikel 3c

Het verbod, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing ten aanzien van eenden, afkomstig van buiten het gebied, die rechtstreeks worden vervoerd naar een slachthuis, indien:

a. deze eenden worden vervoerd naar een slachthuis dat is aangewezen door de directeur van de Voedsel en Waren Autoriteit, onderdeel Rijksdienst voor de keuring van Vee Vlees, en

b. deze eenden worden vervoerd langs een door de directeur van de Voedsel en Waren Autoriteit, onderdeel Rijksdienst voor de keuring van Vee en aangewezen route."

Met ingang van 10 april 2003, 00.00 uur, is de Regeling gewijzigd (Stcrt. 2003, 73). De artikelen 3, 3c, alsmede Bijlage II bij deze gewijzigde Regeling luid(d)en vanaf dat moment als volgt:

"Artikel 3

1. Het vervoer, met inbegrip van verplaatsing over de openbare weg zonder vervoermiddel, van

a. AI-gevoelige dieren, en

b. broed- en consumptie-eieren,

uit, naar of binnen het gebied, is verboden.

(…)

Artikel 3c

Het verbod, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing ten aanzien van eenden, afkomstig van buiten het gebied, die rechtstreeks worden vervoerd naar een in bijlage II bij deze regeling bedoeld slachthuis en langs een route zoals beschreven in die bijlage.

Bijlage II

Slachthuis en route als bedoeld in artikel 3c van de regeling

Slachthuis G (…) H (EG nr. 5017)

route: *"

Met ingang van 25 april 2003, 24.00 uur, is artikel 3c van de Regeling gewijzigd (Stcrt. 2003, 82). Bij deze wijziging is onder meer de bestaande tekst van artikel 3c vernummerd tot artikel 3c, eerste lid, en is een tweede lid aan artikel 3c toegevoegd.

Met ingang van 29 april 2003, 20.00 uur, is Bijlage II bij de Regeling gewijzigd (nog niet gepubliceerd). Bijlage II van de gewijzigde Regeling luidt vanaf dat moment als volgt:

"Slachthuis en route als bedoeld in artikel 3c van de regeling

Slachthuis G (…) H (EG nr. 5017)

Route: *"

Bij de Regeling compartimentering AI-gevoelige dieren 2003 van 27 maart 2003 (Stcrt. 2003, 63; laatstelijk gewijzigd op 29 april 2003, 20.00 uur; hierna: Regeling compartimentering) is Nederland in een aantal compartimenten opgedeeld teneinde de verspreiding van het aviaire influenzavirus via allerhande transportmiddelen tegen te gaan. Ten tijde hier van belang was Nederland opgedeeld in de compartimenten A tot en met H. Compartiment A vormt samen met compartiment B het beschermings- en toezichtsgebied Gelderse Vallei / Beneden-Leeuwen. Compartiment C (Noord) omvat Noord- en Oost-Nederland, welke delen van Nederland vrij zijn van het aviaire influenzavirus.

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Sedert 28 februari 2003 zijn bij pluimvee in Nederland besmettingen met hoogpathogene aviaire influenza (klassieke vogelpest), subtype H7N7, geconstateerd. In het gebied van de Gelderse Vallei hebben zich de eerste uitbraken van deze aviaire influenza voorgedaan.

- Het bedrijf van verzoekster bestaat uit een tweetal moederdierbedrijven annex eendenbroederijen te C en F, alsmede een eendenslachterij te C.

Het bedrijfsonderdeel te F ligt in compartiment C (Noord) als bedoeld in de Regeling compartimentering. Aldaar kan nog op de gebruikelijke wijze worden geproduceerd.

De bedrijfsonderdelen te C, waaronder de eendenslachterij zijn gelegen in het toezichtsgebied, in de zin van Richtlijn 92/40/EEG, van de Gelderse Vallei en compartiment A, als bedoeld in de Regeling compartimentering. De eendenslachterij bevindt zich net buiten C, halverwege de grens tussen het beschermings- en het toezichtsgebied in de zin van Richtlijn 92/40/EEG, alsmede ten noordoosten van buffergebied Putten, als omschreven in Beschikking 2003/214/EG.

- Naast de eendenslachterij van verzoekster is in Nederland één andere eendenslachterij gevestigd: slachterij G te H. Dit bedrijf is in hetzelfde toezichtsgebied en compartiment gelegen als de eendenslachterij van verzoekster. Deze slachterij bevindt zich in de bebouwde kom van H en is niet ver verwijderd van de grens van het toezichtsgebied in de zin van Richtlijn 92/40/EEG.

- Bij besluit van 21 maart 2003 is verzoekster, naar van de zijde van verweerder is gesteld, op grond van artikel 107 van de Gwd een ontheffing verleend, welke ertoe strekt dat zij ten behoeve van de slacht levende eenden vanuit gebieden gelegen in het - in een later stadium ingesteld - compartiment C (Noord) mag aanvoeren naar haar slachthuis.

- Op een de voorzieningenrechter onbekende datum is slachterij G te H een vergelijkbare ontheffing verleend.

- Bij besluit van 4 april 2003 heeft de directeur van de Voedsel en Waren Autoriteit, onderdeel Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (hierna: de directeur) de aan verzoekster op 21 maart 2003 verleende ontheffing ingetrokken. Bedoelde ontheffing is in dit intrekkingsbesluit aangeduid als een door de directeur genomen besluit tot aanwijzing van het slachthuis van verzoekster als slachthuis als bedoeld in artikel 3c, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling.

- Tegen het besluit van 4 april 2003 heeft verzoekster bij verweerder bezwaar gemaakt en bij de voorzieningenrechter van het College een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, zoals nader omschreven in rubriek 1 van deze uitspraak.

- Op 28 april 2003 waren in Nederland 226 bedrijven besmet met het aviaire influenzavirus, 33 bedrijven ernstig verdacht van besmetting met dit virus en 12 bedrijven serologisch positief getest op de aanwezigheid van antistoffen tegen het virus.

3. Het standpunt van verzoekster

Ter ondersteuning van haar verzoek om voorlopige voorziening heeft verzoekster het volgende betoogd.

3.1 Verzoekster heeft een spoedeisend financieel belang bij toewijzing van het verzoek. Voor haar dreigt een faillissement, omdat het moederdierenbedrijf en de broederij te C reeds weken zijn ingesloten en slechts voor het verwerkingsbedrijf produceren. Voorts zijn het moederdierenbedrijf en de broederij in F weliswaar nog in productie, doch de hieruit voortkomende vleeseenden moeten bij verzoeksters concurrent - slachterij G te H - worden geslacht om vervolgens weer op de slachterij van verzoekster te worden verpakt in verband met het unieke bedrijfsgebonden EG-herkomstcertificaat. Deze productie is voor verzoekster zeer verliesgevend vanwege de hogere kosten, waaronder slachtloon aan slachterij G. Voor de ongeveer 60 werknemers van verzoeksters slachterij is geen werk beschikbaar.

De jaarlijkse omzet van de gezamenlijke onderneming van verzoekster bedraagt ongeveer € 35.000.000,--, waarvan de slachterij € 25.000.000,-- voor haar rekening neemt. De schade van verzoekster als gevolg van het noodgedwongen bij slachterij G laten slachten van eenden tussen 10 en 22 april 2003 bedraagt € 105.435,20. De gezamenlijke overige schadeposten belopen een bedrag van € 25.000,-- per dag. Het noodfonds, waaruit maximaal € 100.000,-- kan worden uitgekeerd, biedt verzoekster onvoldoende soelaas. Er bestaan geen andere tegemoetkomingsregelingen.

Een faillissement van verzoekster zal een onomkeerbare situatie doen ontstaan. In het gunstigste geval zal bij een voor verzoekster succesvol verlopende bodemprocedure een enorme schuld en een verminderde concurrentiepositie zijn ontstaan, doch aannemelijker is dat verzoekster failliet zal gaan en als gevolg daarvan ongeveer 60 werknemers zullen moeten worden ontslagen.

Voorts is sprake van een zeer grote gevolgschade omdat circa 50 boerenbedrijven niet aan de slachterij van verzoekster kunnen leveren.

3.2 Verzoekster is van mening dat het besluit ten aanzien waarvan de voorlopige voorziening is gevraagd onzorgvuldig is voorbereid.

Uit door verweerder toegezonden op de zaak betrekking hebbende stukken komt naar voren dat bij de besluitvorming is uitgegaan van onjuiste adresgegevens van de slachterij van verzoekster, waardoor deze kennelijk geacht wordt zuidelijker in de Gelderse Vallei te zijn gesitueerd. Hierdoor is, uitgaande van de tot 29 april 2003, 20.00 uur, geldende route naar slachterij G, de door compartiment A af te leggen afstand naar de beide slachterijen onjuist berekend.

Voorts is de slachterij van verzoekster niet gelegen temidden van een groot aantal pluimveebedrijven. Verzoekster verwijst in dit verband naar een e-mailbericht d.d. 11 april 2003 van H.B.A. Hulsbergen van het Productschap Pluimvee en Eieren aan drs. F.H. Pluimers, Chief Veterinary Officer van de Directie Voedings- en Veterinaire Aangelegenheden van verweerders ministerie, waarin is vermeld dat uit de KIP-administratie van het Productschap blijkt dat op 11 april 2003 alleen ten zuiden van de slachterij van verzoekster drie pluimveebedrijven waren gelegen, waarvan er inmiddels één preventief is geruimd, alsmede dat de afstand tussen de slachterij van verzoekster en voormelde pluimveebedrijven méér dan twee kilometer bedraagt. De slachterij van verzoekster wordt bovendien vanuit het noorden benaderd.

Verder acht verzoekster het door verweerder gehanteerde argument voor de intrekking van de aanwijzing als slachthuis, dat besloten was de vervoersbewegingen zo veel mogelijk te beperken teneinde verspreiding van het aviaire influenzavirus te voorkomen, evenmin overtuigend. Er heeft immers geen verdere verspreiding van het aviaire influenzavirus in compartiment A (Gelderse Vallei), en dus ook niet in C, plaatsgevonden. Van verdere verspreiding was slechts sprake in een geheel ander compartiment ten zuiden van de Gelderse Vallei.

Intrekking van de aanwijzing leidt bovendien niet tot een beperking van het aantal vervoersbewegingen, maar daarentegen tot méér vervoersbewegingen. De slachterij van verzoekster en slachterij G zijn de enige twee eendenslachterijen in Nederland. Het totale aantal te slachten eenden verandert niet door de intrekking van de tot verzoekster gerichte aanwijzing, doch dit aantal zal enkel bij slachterij G worden geslacht. De door verzoekster aangevoerde bij G geslachte eenden zullen vervolgens voor verpakking naar de slachterij van verzoekster in C moeten worden overgebracht, hetgeen juist resulteert in extra vervoersbewegingen.

De slachterij van verzoekster levert geen gevaar op voor verspreiding van het aviaire influenzavirus, omdat de aan te voeren te slachten eenden afkomstig zijn uit het vrij van aviaire influenza veronderstelde compartiment C (Noord).

3.3 Verzoekster is van mening dat het besluit ten aanzien waarvan de voorlopige voorziening is gevraagd in strijd met het verbod van willekeur is genomen.

Slachterij G heeft de haar verleende aanwijzing behouden. De slachterij van verzoekster en slachterij G maakten tot 4 april 2003 gebruik van een op dat moment geldende gezamenlijke corridor vanuit compartiment C door compartiment A en het toezichtsgebied Gelderse Vallei, welke corridor voor een belangrijk deel gevormd werd door dezelfde autosnelweg (A28) en afslag van die autosnelweg (C). Slechts vanaf deze afslag was sprake van een divergerende corridor. Tot de slachterij van verzoekster is de afstand vanaf deze afslag nog 1,7 km en tot slachterij G nog 2,3 km. De veterinaire risico's zijn bij vervoer van eenden naar slachterij G derhalve groter.

Uit een oogpunt van rechtsgelijkheid is het niet juist dat bedrijven die in een gelijke toestand verkeren, zoals verzoekster en slachterij G ongelijk worden behandeld. Uit dit verschil in behandeling vloeit tevens voorts dat de vrije mededinging op onaanvaardbare wijze wordt beperkt.

Voorts hebben slachterijen in andere gebieden in Nederland waar uitbraken van aviaire influenza aan de orde van de dag zijn, hun aanwijzing behouden en wordt zelfs toegestaan dieren uit andere compartimenten - waar meer uitbraken plaatsvinden - aan te voeren. Verzoekster wijst er in dit verband op dat verweerder toestemming heeft verleend dieren vanuit compartiment E (Oost) in compartiment G (Nederweert) te laten slachten. De hieraan verbonden veterinaire risico's zijn vele malen groter dan de risico's die verbonden zijn aan het vervoer van en naar de slachterij van verzoekster vanuit het vrij van aviaire influenza veronderstelde compartiment C (Noord).

3.4 Verzoekster is van mening dat verweerder bij de voorbereiding van het besluit ten aanzien waarvan de voorlopige voorziening is gevraagd een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt.

Verweerder is kennelijk van mening dat het financiële belang van het voorkomen van een beroep op een vergoedingsregeling door pluimveehouders opweegt tegen de extra veterinaire risico's die zijn verbonden aan de toename van risicovolle vervoersbewegingen tussen de compartimenten E (Zuid-Oost) en G (Nederweert). In dat licht bezien is onbegrijpelijk dat het grote financiële belang van verzoekster bij behoud van haar aanwijzing, van ondergeschikt belang is geacht in omstandigheden die veel minder gevaar op verspreiding van het aviaire influenzavirus meebrengen.

Nu met een toestaan van vervoer van eenden uit compartiment C naar de slachterij van verzoekster geen onoverkomelijke extra risico's in het leven worden geroepen (een uiterst streng en nauwkeurig in acht genomen hygiëneprotocol is tussen 21 maart 2003 en 4 april 2003 gehanteerd; er zijn nimmer overtredingen geconstateerd; en compartiment A - Gelderse Vallei - is vrijwel volledig geruimd), zijn de belangen van verzoekster bij behoud van haar aanwijzing zwaarwegender dan de belangen die zijn verbonden aan handhaving van het besluit tot intrekking van die aanwijzing.

Voorts heeft verweerder bij zijn keuze voor handhaven van de aanwijzing van slachterij G en intrekking van de aanwijzing ten behoeve van de slachterij van verzoekster niet alle relevante omstandigheden en af te wegen belangen betrokken. Zo heeft verweerder verzuimd bij zijn risicoanalyse de omstandigheid mee te wegen dat slachterij G op nog geen 300 meter afstand van het ziekenhuis 'I' is gelegen. Deze situering vormt een risicofactor voor besmetting van patiënten van het ziekenhuis met het aviaire influenzavirus vanwege hun verminderde weerstand. Dit risico wordt vergroot door de aanwezigheid van een vijver in de nabijheid van het ziekenhuis, waarin zich eenden en ganzen bevinden. Hierdoor neemt de kans op verspreiding van het aviaire influenzavirus toe.

3.5 Indien het verzoekster zou worden toegestaan via de oorspronkelijk geldende corridor eenden naar haar slachthuis aan te voeren, wordt het gevaar voor verspreiding van het aviaire influenzavirus vanuit compartiment A naar compartiment C in het noorden van Nederland niet wezenlijk vergroot. In compartiment A is immers vrijwel geen pluimvee meer aanwezig en bij de preventieve ruiming van het gebied rond C is geen besmetting met aviaire influenza aangetoond. Derhalve bestaat in dat geval voor verweerder geen grond om het buffergebied Putten tot Harderwijk uit te breiden en de in dat gebied gevestigde moederdierbedrijven preventief te ruimen.

3.6 Tenslotte is verzoekster van mening dat de met ingang van 29 april 2003, 20.00 uur, gewijzigde route/corridor naar slachterij G niet leidt tot vermindering van het verspreidingsrisico van het aviaire influenzavirus, maar juist tot een toename van dat risico. De nieuwe route loopt immers via een lokale weg door het vrij van het aviaire influenzavirus veronderstelde en dus niet preventief geruimde compartiment C, aan welke weg zich naar aller waarschijnlijkheid hobbypluimvee bevindt. De nieuwe route voert derhalve over een grotere afstand door gebied waar een groter besmettingsrisico bestaat dan het geval was bij het eerdere tracé via autosnelweg A28, welke weg voor een belangrijk gedeelte door een preventief geruimd gebied loopt.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft in reactie op het verzoek om voorlopige voorziening het volgende naar voren gebracht.

4.1 Het door verzoekster gestelde spoedeisende financiële belang, dat overigens niet met stukken is onderbouwd, kan niet tot toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening leiden. In een zaak als de onderhavige bestaat slechts aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening indien, ook zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht, ernstig dient te worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is. Naar de mening van verweerder is daarvan geen sprake.

4.2 Aviaire influenza is een zeer besmettelijke virusziekte die overdraagbaar is op hoenderachtigen. De ziekte verloopt snel en de meeste kippen en kalkoenen sterven eraan. De incubatietijd bedraagt drie tot veertien dagen, maar er zijn aanwijzingen dat deze ook drie tot vier weken kan bedragen. Van eenden is bekend dat een infectie met het aviaire influenzavirus nogal eens symptoomloos of met geringe verschijnselen verloopt, waardoor infecties gemakkelijk kunnen worden gemist. Vastgesteld is dat in Nederland een hoogpathogeen aviaire influenzavirus aanwezig is. Dit virus dient op grond van door het Office International des Epizooties (OIE) opgestelde regels bestreden te worden. De in Nederland aangetroffen variant van het aviaire influenzavirus, subtype H7N7, is niet gelijk aan de varianten die enkele jaren geleden in Italië zijn aangetroffen. Besmette vogels scheiden het virus uit via de luchtwegen, de oogbindvliezen en de ontlasting. Overdracht van het virus vindt plaats via direct contact tussen vogels (migrerende vogels, transport van levende vogels, tenstoonstellingen/markten en import van exotische vogels) of indirect door blootstelling aan besmet materiaal (via pluimveemest, materiaal, voertuigen, personen, dieren, lucht (alleen over korte afstanden), open water, drinkwaterreservoirs, pluimveevlees en eieren). Het virus wordt eenvoudig verspreid door met ontlasting - dat zeer hoge concentraties virus kan bevatten - vermengd materiaal. Op deze wijze kan het virus dus worden overgebracht door vogels, zoogdieren, voer, water, instrumenten, kratten, kleding, transportmiddelen en insecten.

De uitbraak van aviaire influenza heeft ingrijpende maatschappelijke en economische gevolgen. De pluimveesector is goed voor ruim 5% van de totale brutoproductiewaarde van de Nederlandse land- en tuinbouw. De Nederlandse pluimveesector produceert jaarlijks 9,5 miljard consumptie-eieren en ruim 750.000 ton pluimveevlees (voornamelijk vleeskuikens). Nederland exporteert 75% van zijn pluimvee(producten) en is daarmee een belangrijke exporteur van pluimvee(producten). Het totaal aantal kippen in Nederland bedraagt ongeveer 101 miljoen stuks. De uitbraak van aviaire influenza in Nederland vindt haar oorsprong in het gebied van de Gelderse Vallei, van oudsher een concentratiegebied van de pluimveehouderij. In totaal zijn 15.000 werknemers in Nederland direct of indirect van de pluimveesector in Nederland afhankelijk. De maatregelen tot bestrijding van aviaire influenza grijpen diep in de bedrijfsvoering van besmette en verdachte bedrijven in. Voor de geruimde bedrijven zal het enige tijd duren voordat er weer pluimvee kan worden gehouden. Ook de handel (als gevolg van import- en exportverboden), alsmede de pluimvee- en eierenverwerkende industrie ondervinden grote (financiële) gevolgen en ditzelfde geldt voor niet-pluimveesectoren, zoals compostbedrijven en akkerbouwers. Een aantal pluimveeslachterijen ligt geheel stil, waarvan een aantal in de getroffen gebieden, en de overige slachterijen in Nederland draaien op beperkte schaal, mede vanwege het geldende importverbod op levend pluimvee.

De uitbraak van aviaire influenza is gezien de omvang van de pluimveesector in Nederland een potentiële ramp. Er is nog steeds sprake van een zich uitbreidende epidemie. Mede gelet op ervaringen die in Italië zijn opgedaan met een aviaire influenza-epidemie moeten besmette en verdachte bedrijven zo snel mogelijk worden geruimd om de omvang van deze epidemie te beperken. Niet slagvaardig optreden betekent een reëel risico dat de crisis zich nog verder uitbreidt. Gelet op het tijdsverloop blijft een strenge handhaving van de compartimentsgrenzen noodzakelijk. Naarmate de crisis langer duurt, zou de Nederlandse pluimveesector belangrijke (export)markten kunnen verliezen. Uit het oogpunt van de volksgezondheid bestaat evenzeer aanleiding om de huidige uitbraken van aviaire influenza krachtig te bestrijden. Zeker 266 ruimers hebben oogklachten gekregen (in 34% van die gevallen is een test op het virussubtype H7N7 positief uitgevallen). Voorts is in de praktijk gebleken dat het aviaire influenzavirus van mens op mens kan worden overgedragen (3 gevallen) en is in één geval een veearts die pluimveebedrijven heeft bezocht in verband met verdenking van besmetting met het aviaire influenzavirus, waarvan achteraf één bedrijf besmet bleek te zijn, aan het aviaire influenzavirus overleden. Wetenschappers wijzen erop dat niet 100% kan worden uitgesloten dat het onderhavige subtype aviaire influenzavirus kan muteren indien het in contact komt met een humane influenzavirus, in welk geval de mogelijkheid bestaat dat het aviaire influenzavirus verandert in een voor mensen gevaarlijke variant.

4.3 Het bestrijdingsbeleid van verweerder is erop gericht geweest om uitbraken van aviaire influenza beperkt te houden tot de Gelderse Vallei. In dat verband is besloten tot het ruimen van pluimvee in het gehele beschermingsgebied en de buffergebieden Wageningen en Putten aan de grenzen van het gebied Gelderse Vallei. Nederland is in het kader van dit bestrijdingsbeleid opgedeeld in diverse compartimenten. Vervoer tussen deze verschillende compartimenten van dieren die gevoelig zijn voor aviaire influenza is in beginsel niet toegestaan, teneinde verspreiding van het aviaire influenzavirus zoveel mogelijk te beperken en de virusvrije compartimenten virusvrij te houden. Hiervan wordt alleen afgeweken voorzover dat strikt noodzakelijk is.

De slachterij van verzoekster bevindt zich in het toezichtsgebied van de Gelderse Vallei ten noordoosten van het buffergebied Putten. De moederdierbedrijven annex broederijen van verzoekster zijn gevestigd te C en F. De slachterij van verzoekster is daarmee gelegen in compartiment A en de moederdierbedrijven annex broederijen zijn gelegen in respectievelijk de compartimenten A en C. Compartiment C is vrij van het aviaire influenzavirus.

De enige twee eendenslachterijen van Nederland, de slachterij van verzoekster en slachterij G te H, zijn gevestigd in compartiment A. In compartiment C worden eenden voor de slacht gehouden. Om welzijnsproblemen te voorkomen moet een mogelijkheid worden geboden om eenden uit compartiment C te laten slachten in één van de eendenslachterijen in compartiment A. Aanvankelijk zijn op grond van artikel 107 van de Gwd hiervoor zowel aan de slachterij van verzoekster als aan slachterij G ontheffingen verleend, welke de mogelijkheid scheppen ten behoeve van de slacht levende eenden vanuit gebieden die vrij zijn van het aviaire influenzavirus naar hun slachthuizen aan te voeren. Van de daarbij vastgestelde vervoerscorridor was het eerste gedeelte voor beide slachterijen gelijk. Bedoelde ontheffingen dienen met ingang van 31 maart 2003 geacht te worden door de directeur te zijn verleend dan wel in de vorm van besluiten tot aanwijzing als slachthuis in de zin van artikel 3c, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling te zijn voortgezet.

Desgevraagd door verweerder, hebben epidemiologen op 3 april 2003 advies uitgebracht omtrent het tot dan toe gevoerde beleid, aangezien het met de gevolgde strategie niet lukte om de aviaire influenza-epidemie in de Gelderse Vallei onder controle te brengen. Deze epidemiologen hebben met betrekking tot het buffergebied Putten, waar de slachterij van verzoekster vlakbij is gelegen, geadviseerd om de noordoostelijke grens van dit buffergebied te verplaatsen richting H, omdat de dichtheid van pluimveebedrijven in het toezichtsgebied net buiten het buffergebied Putten gevaarlijk hoog was, waardoor verspreiding van het aviaire influenzavirus richting het noorden mogelijk was. De pluimveebedrijven in dit vergrote buffergebied, waaronder eendenbedrijven, zouden dan preventief moeten worden geruimd.

Verweerder heeft dit advies van de epidemiologen niet overgenomen, omdat de gevolgen voor het gebied rond C onacceptabel zouden zijn voor het voortbestaan van de eendensector in Nederland. Momenteel zijn nog twee broederijen buiten het beschermings- en toezichtsgebied van de Gelderse Vallei in gebruik, welke broederijen in 30% van de normale broedcapaciteit in Nederland (circa 170.000 eendenkuikens per week) voorzien. De overige twee broederijen zijn gevestigd in de Gelderse Vallei, waarvan tenminste één broederij in het gebied ligt dat bij uitbreiding van het buffergebeid Putten zou moeten worden geruimd. In dat geval zal de aanvoer van broedeieren met een aanzienlijk percentage afnemen. Als gevolg daarvan zouden enorme liquiditeitsproblemen in de primaire sector van de gehele eendenketen ontstaan, omdat het minimaal een jaar vergt om de verloren productie weer op te starten.

Met de uitbraak van aviaire influenza in Ospel (gemeente Nederweert in de provincie Limburg) op 4 april 2003 is de situatie drastisch veranderd. Het besmette bedrijf in Ospel bevindt zich immers op grote afstand van het toen geldende vervoersbeperkingsgebied Gelderse Vallei / Beneden-Leeuwen. Deze besmetting is hoogstwaarschijnlijk ontstaan door een vervoerscontact. Naar aanleiding van deze omstandigheid heeft verweerder besloten dat vanaf dat moment nog strenger moet worden omgegaan met het vervoer van levende dieren naar een slachthuis. Op basis van de toen beschikbare gegevens, welke ook thans nog valide zijn, is besloten dat het vanuit het oogpunt van dierziektebestrijding de voorkeur verdiende om slechts één slachterij in compartiment A eenden uit compartiment C te laten slachten. Eén slachterij heeft voldoende capaciteit om het aanbod van slachtrijpe eenden uit compartiment C te verwerken. Gekozen is toen om de aanwijzing van de slachterij van verzoekster in te trekken.

De redenen voor verweerder om bij de aanwijzing van één eendenslachterij te kiezen voor slachterij G te H in plaats van voor de slachterij van verzoekster te C zijn de volgende:

- De slachterij van verzoekster ligt tussen de grenzen van het beschermingsgebied en het toezichtsgebied van de Gelderse Vallei. Slachterij G ligt dichter bij de buitengrens van het toezichtsgebied. Om eenden aan te voeren vanuit compartiment C moet om bij de slachterij van verzoekster te komen een grotere afstand worden afgelegd door het toezichtsgebied van compartiment A, dan het geval is bij slachterij G. Bovendien gaat de route naar de slachterij van verzoekster langs andere pluimveebedrijven in dit toezichtsgebied.

- De slachterij van verzoekster ligt temidden van een aantal andere pluimveebedrijven. Slachterij G ligt in de bebouwde kom zonder pluimveebedrijven in de omgeving. Door de vervoersbewegingen rond de slachterij van verzoekster te intensiveren, wordt het besmettingsgevaar van de overige pluimveebedrijven vergroot. Bij het in- en uitladen van dieren bij de slachterij is er een vergrote kans op het vrijkomen van het aviaire influenzavirus door ronddwarrelend stof, waardoor dit in- en uitladen beter kan gebeuren in een gebied met zo min mogelijk overige pluimveebedrijven in de omgeving.

- Indien de slachterij van verzoekster haar aanwijzing als slachthuis voor eenden afkomstig uit compartiment C zou behouden, dan is het hiervoor beschreven advies van de epidemiologen om het buffergebied Putten uit te breiden om verspreiding van het aviaire influenzavirus naar het noorden van Nederland te voorkomen. Zoals hiervoor is uiteengezet acht verweerder uitbreiding van dit buffergebied onwenselijk.

- Het intrekken van de aanwijzing van de slachterij van verzoekster maakte het mogelijk een nieuwe corridor naar slachterij G te H in te stellen. Deze nieuwe corridor is niet alleen korter, maar voert vanuit het noorden ook grotendeels door de stad H, terwijl de oude corridor langs een groot aantal bedrijven voert, waar voor het aviaire influenzavirus gevoelige dieren worden gehouden. In het beschermingsgebied van de Gelderse Vallei doen zich nog steeds uitbraken voor in de vorm van besmettingen bij hobbydieren. Deze uitbraken vinden dichter bij de slachterij van verzoekster dan bij slachterij G plaats.

Anders dan verzoekster meent, is verweerder bij de besluitvorming uitgegaan van de juiste adresgegevens en situering van haar slachterij. In het kader van de onderhavige procedure waren echter aanvankelijk onjuiste plattegronden aan de voorzieningenrechter verstrekt.

Verweerder betwist dat de intrekking van de aanwijzing van verzoeksters slachterij een toename van het aantal risicovolle vervoersbewegingen impliceert. De risico's liggen voornamelijk in het vervoer van levende dieren die in open vervoermiddelen worden vervoerd. Nadat de eenden van verzoekster bij slachterij G zijn geslacht worden zij na het ondergaan van een stringent hygiëneprotocol met dichte wagens ter verpakking naar de slachterij van verzoekster getransporteerd.

Naar de mening van verweerder kan het financiële belang van verzoekster bij behoud van de aanwijzing van haar slachterij niet opwegen tegen het belang van het voorkomen van verspreiding van het aviaire influenzavirus naar andere delen van Nederland.

Indien de voorzieningenrechter het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening toewijst, zal verweerder, ondanks de daaraan in zijn optiek verbonden negatieve gevolgen, uitvoering geven aan eerdervermeld advies van de epidemiologen van 3 april 2003 en overgaan tot uitbreiding van het buffergebied Putten richting Harderwijk.

5. De beoordeling van het verzoek

5.1 Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

5.2 Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben gesteld overweegt de voorzieningenrechter in de eerste plaats als volgt.

De voorzieningenrechter benadrukt dat de taken en bevoegdheden van de bestuursrechter, oordelend op een verzoek om voorlopige voorziening, beperkt zijn. Bij de toetsing van besluiten als hier aan de orde gaat het niet primair om de vraag of verweerder wellicht andere beslissingen zou kunnen nemen, doch vooral of bij de uitoefening van bevoegdheden verweerder is gebleven binnen het daarvoor bestemde normatieve kader en of zijn beslissingen een juiste feitelijke grondslag hebben.

Wat het aangevochten besluit betreft, dient in aanmerking te worden genomen dat de onderhavige uitbraak van aviaire influenza verweerder, gezien zijn wettelijke taak betreffende de zorg voor de bestrijding van besmettelijke dierziekten, plaatst voor het op voortvarende wijze nemen van ingrijpende beslissingen, waarbij een breed scala van af te wegen belangen aan de orde is.

Waar het bij de toetsing van het door verweerder in dit verband gevoerde beleid en de daarbij gemaakte keuzes om gaat, is de vraag of dit beleid voorshands als rechtens aanvaardbaar kan worden aangemerkt. Voor een negatief oordeel op dit punt is slechts plaats, indien zou moeten worden geconcludeerd dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn beleid heeft kunnen komen. Derhalve past terughoudendheid bij de beoordeling van het in rubriek 4 van deze uitspraak uiteengezette beleid, dat verweerder heeft gehanteerd bij het nemen van het aangevochten besluit.

Voorts moet in overweging worden genomen dat - zoals voortvloeit uit de toepasselijke communautaire en nationale voorschriften - voor verweerder bij de onderhavige besluitvorming overwegingen van veterinaire aard een uiterst belangrijke rol hebben gespeeld. De in dit verband gehanteerde waardering van veterinaire risico's, waarbij het gaat om het vervoer van levend pluimvee per vrachtauto, behoort tot de specifieke bevoegdheid van verweerder. Het is niet aan het College, laat staan aan de voorzieningenrechter in een voorlopige voorzieningsprocedure, een zodanige inschatting in zichzelf na te wegen. Voor de voorzieningenrechter komt het treffen van een voorlopige voorziening in dit opzicht eerst binnen handbereik wanneer het door verweerder gegeven exposé over de veterinaire aspecten zo evident en overtuigend door de verzoekende partij op losse schroeven wordt gezet, dat dit exposé niet langer als basis voor het door verweerder ingezette en gehandhaafde beleid kan dienen.

Hetgeen bij het aangevochten besluit is beslist, vloeit mede voort uit de stringente voorschriften die de Commissie heeft gericht tot de lidstaat Nederland bij de hiervoor in rubriek 2.1 vermelde Beschikkingen van 3, 12, 19 en 27 maart 2003, betreffende het vervoer binnen Nederland van levend pluimvee en broedeieren en het verlenen van toestemming voor het vervoer van levend pluimvee dat bestemd is om onmiddellijk te worden geslacht in een daartoe door de bevoegde autoriteit aangewezen slachthuis, voorzover de nodige maatregelen worden genomen op het gebied van de bioveiligheid teneinde de verspreiding van het aviaire influenzavirus te voorkomen.

5.3 De voorzieningenrechter ziet voorshands in verband met dit stringente regime geen grond voor het oordeel dat de directeur zich, na eerdervermelde uitbraak van aviaire influenza op 4 april 2003 in Ospel, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat

- uitgaande van de veterinaire noodzaak het vervoer van levend pluimvee tot een volstrekt minimum te beperken en - in aanmerking genomen dat één eendenslachterij voldoende capaciteit heeft voor de verwerking van het aanbod van slachtrijpe eenden uit compartiment C, die voor waarborging van de continuïteit van de betrokken sector geboden is, een keuze diende te worden gemaakt tussen het laten doorfunctioneren van hetzij de slachterij van verzoekster hetzij slachterij G. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat ten aanzien van de bestrijding van de aviaire influenza-epidemie de omstandigheden ten gevolge van genoemde uitbraak op 4 april 2003 van de ziekte in het op ruime afstand van de tot dan toe ingestelde beschermings- en toezichtsgebieden gelegen Ospel, wezenlijk zijn gewijzigd en rekening moest worden gehouden met de mogelijkheid dat deze uitbraak was gelegen in verspreiding van het virus door een vervoerscontact. In verband hiermede hebben de autoriteiten het op veterinaire gronden geboden geacht de vervoersstromen van levend pluimvee naar slachthuizen zoveel mogelijk te beperken. Bij de onderhavige standpuntbepaling heeft tevens een rol gespeeld dat verweerder de door epidemiologen geadviseerde uitbreiding van het buffergebied Putten richting H niet heeft willen realiseren, aangezien zulks voor de eendenhouderijsector in Nederland al te ingrijpende negatieve gevolgen zou hebben.

5.4 Gezien de beschikbare gegevens kan, naar voorlopig oordeel, niet met vrucht worden betoogd dat de directeur ten onrechte heeft gekozen voor het ongedaan maken van de aanwijzing respectievelijk ontheffing met betrekking tot de slachterij van verzoekster. De onderbouwing die verweerder heeft gegeven voor zijn keuze om niet de slachterij van verzoekster, maar die van G in staat te stellen door te gaan met het slachten van eenden is vooralsnog in veterinair opzicht niet zonder redelijke grond te achten.

Verzoekster heeft erop gewezen dat de directeur bij de voorbereiding van het tot haar gerichte intrekkingsbesluit is uitgegaan van een verkeerde situering van haar slachterij en dat hij op grond daarvan de veterinaire risico's van het vervoer van levende eenden naar deze slachterij onjuist heeft ingeschat.

Deze onjuistheid is echter, naar op grond van de beschikbare gegevens moet worden aangenomen, niet van wezenlijke betekenis voor de uitkomst van de veterinaire beoordeling. De door verzoekster geponeerde stelling neemt immers niet weg dat haar slachterij zich in het buitengebied bij C in de omgeving van tenminste twee pluimveehouderijen bevindt, terwijl slachterij G is gelegen in de bebouwde kom van H, waar zich geen pluimveebedrijven bevinden.

Evenmin treft doel de stelling van verzoekster dat verweerder met het intrekkingsbesluit niet minder maar juist meer risicovolle vervoerscontacten heeft gecreëerd, omdat de bij slachterij G geslachte eenden ter verpakking alsnog naar de slachterij van verzoekster moeten worden vervoerd. Verweerder heeft ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat aan het vervoer van geslachte eenden in dichte wagens aanzienlijk minder risico's op verspreiding van het aviaire influenzavirus kleven dan aan het vervoer van levende dieren.

De voorzieningenrechter acht in hetgeen verzoekster heeft gesteld aangaande de aanwezigheid van een ziekenhuis in de omgeving van slachterij G voorshands geen grond gelegen voor de opvatting dat de besluitvorming van verweerder uit een oogpunt van volksgezondheid of diergeneeskunde op een ondeugdelijke grondslag berust.

Naar aanleiding van het betoog van verzoekster, dat verweerder ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de omvangrijke schade die voor haar voortvloeit uit het aangevochten besluit en die gezien het met dit besluit te dienen doel niet eenzijdig te haren laste behoort te komen, oordeelt de voorzieningenrechter dat daarin, gelet op hetgeen tot dusverre bekend is geworden omtrent de financiële situatie van verzoekster, geen aanleiding kan worden gevonden voor het treffen van enigerlei voorlopige voorziening. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat - gelijk uit het vorenoverwogene volgt - het thans aangevochten besluit, gezien de toepasselijke voorschriften uit een oogpunt van bestrijding van aviaire influenza rechtens niet onaanvaardbaar is te achten. Voorts gaat het hier om een primair besluit en staat het verzoekster, zoals haar ter zitting van 1 mei 2003 is medegedeeld, vrij genoemde kwestie inzake nadeelcompensatie in het kader van de bezwaarschriftenprocedure, eventueel nader onderbouwd, aan de orde te stellen.

De voorzieningenrechter onthoudt zich evenwel van een rechtsoordeel omtrent de uitkomst van een daarop in bezwaar te geven beslissing.

5.5 In verband met het vorenoverwogene kan, naar voorshands moet worden geoordeeld, niet worden staande gehouden dat het door verweerder bij het nemen van het aangevochten besluit gehanteerde beleid kennelijk onredelijk is. Evenmin heeft de voorzieningenrechter in de beschikbare gegevens grond kunnen vinden voor het oordeel dat verweerder heeft gehandeld in strijd met toepasselijke voorschriften, dan wel dat verweerder is uitgegaan van een onjuist feitensubstraat, waarbij tevens aan de orde is de door verweerder gehanteerde veterinaire beoordeling van de zich in dit geval voordoende omstandigheden.

Dit alles leidt tot de slotsom dat het verzoek om voorlopige voorziening niet voor toewijzing in aanmerking komt.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2003.

w.g. H.C. Cusell w.g. M.S. Hoppener