Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF8806

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-02-2003
Datum publicatie
16-05-2003
Zaaknummer
AWB 02/520
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 2003-02-20
Meststoffenwet 58k, geldigheid: 2003-02-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(tweede enkelvoudige kamer)

No. AWB 02/520 20 februari 2003

16010 Meststoffenwet - Registratie referentie hoeveelheid

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder.

1. De procedure

Op 26 maart 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 12 februari 2002. Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een brief van 21 juni 2001, waarbij appellant is meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor hardheidsgeval 4, als geregeld in artikel 58k, eerste lid, aanhef en onder d, van de Meststoffenwet (hierna: Msw).

Verweerder heeft op 26 april 2002 een verweerschrift ingediend.

Het College heeft besloten, met toepassing van artikel 8:54 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), het onderzoek te sluiten en zonder zitting uitspraak te doen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Regelgeving.

Bij brief van 6 november 1998 (kamerstukken II, 1998-1999, 26 280, nr. 1) heeft verweerder de Tweede Kamer onder meer te kennen gegeven dat het kabinet het gezien de ontwikkelingen in de pluimveesector onvermijdelijk acht de groei van deze sector een halt toe te roepen en dat ter verwezenlijking van dit doel een stelsel van pluimveerechten in het leven zal worden geroepen. In de bijlage bij deze brief is onder meer aangegeven dat bij de bepaling van de hoogte van het pluimveerecht rekening wordt gehouden met onomkeerbare investeringsverplichtingen die zijn aangegaan met het oog op uitbreiding of omschakeling binnen het mestproductierecht dat reeds op een bedrijf rust.

Het vorenstaande heeft geleid tot de Wet van 7 december 2000 tot wijziging van de Meststoffenwet in verband met de invoering van een stelsel van pluimveerechten (Stb. nr. 538, hierna Wijzigingswet), die op 1 januari 2001 in werking is getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet, waarbij onder meer aan hoofdstuk V van de Msw is toegevoegd titel 2 ("Stelsel van pluimveerechten", artikelen 58a tot en met 58y), is de hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen die in een kalenderjaar mag worden geproduceerd vastgelegd op het niveau van vóór 1998 en aldus aan een maximum gebonden, dat wordt uitgedrukt in het zogeheten pluimveerecht, zoals omschreven in artikel 1, eerste lid, onder aj, van de Msw. In artikel 58h, eerste lid, Msw is bepaald dat het pluimveerecht overeenkomt met de in het referentiejaar op het bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen. Ingevolge artikel 58g, tweede lid, Msw geldt als referentiejaar 1997, tenzij ten aanzien van een daartoe door de belanghebbende aangemeld bedrijf 1995 of 1996 als referentiejaar is gekozen. Ingevolge het derde lid van dit artikel kan ten aanzien van een zodanig bedrijf onder bepaalde voorwaarden 1994 als referentiejaar worden gekozen. In artikel 58k Msw is de in de bijlage bij verweerders brief van 6 november 1998 bedoelde (hardheids)regeling neergelegd voor gevallen waarin onomkeerbare investeringsverplichtingen zijn aangegaan met het oog op uitbreiding of omschakeling binnen het mestproductierecht dat reeds op een bedrijf rust.

Het eerste lid, aanhef en onder d, van dit artikel - "hardheidsgeval 4" - luidt als volgt:

" 1. De omvang van het pluimveerecht van een daartoe aangemeld bedrijf wordt, in afwijking van de artikelen 58h, 58i en 58j, bepaald overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels indien:

d. de op het bedrijf geproduceerde hoeveelheid meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen in 1998 ten minste 25% groter was dan de door deze diersoorten gemiddeld in 1995, 1996 en 1997 geproduceerde hoeveelheid meststoffen, en deze vergroting gepaard ging met ten minste eenzelfde vergroting van zowel het grondgebonden mestproductierecht als het mestproductierecht, als gevolg van een vergroting van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond in de periode van 1 januari 1997 tot en met 5 november 1998."

2.2 Op grond van de stukken zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft een op 6 februari 2001 ondertekend formulier "melding pluimveerechten inclusief hardheidsgevallen" aan Bureau Heffingen doen toekomen, waarin hij heeft aangegeven in aanmerking te willen komen voor hardheidsgeval 4.

- Bij brief van 21 juni 2001 heeft verweerder aan appellant meegedeeld dat zijn bedrijf niet voldoet aan de voorwaarden voor hardheidsgeval 4, omdat hij in de periode

1 januari 1997 tot en met 5 november 1998 geen grond heeft verworven.

- Bij ongedateerde brief, door verweerder ontvangen op 28 september 2001, heeft appellant hiertegen bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard, aangezien de afwijzing voor hardheidsgeval 4 een feitelijke mededeling is, die niet is gericht op een rechtsgevolg. De controle van de voorwaarden uit artikel 58k, eerste lid en onder d Msw bij hardheidsgeval 4 geschiedt niet door een 'beoordeling' door Bureau Heffingen van gegevens die bij de hardheidsmelding zijn meegestuurd. Het al dan niet voldoen aan de voorwaarden voor dit hardheidsgeval blijkt uit gegevens die al afzonderlijk en voor de ontvangst van de hardheidsmelding bij Bureau Heffingen waren geregistreerd.

4. Het standpunt van appellant

Appellant acht het onjuist dat hij voor hardheidsgeval 4 is afgewezen omdat een door hem ingestuurd formulier Registratie Landbouwgrond 1998 is zoekgeraakt. Appellant is geadviseerd het formulier alsnog in te zenden en acht het onjuist dat verweerder nu stelt dat het te laat is ontvangen.

5. De beoordeling van het geschil

Volgens vaste jurisprudentie van het College in zaken op het gebied van de Wet herstructurering varkenshouderij (de Whv) betreft een door het Bureau Heffingen gegeven inhoudelijke reactie op een melding die in het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (het Bhv) is voorzien, welke melding ertoe strekt in aanmerking te willen komen voor een bepaald hardheidsgeval, een besluit in de betekenis van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb (zie de uitspraak van 8 mei 2002, AWB 99/793, www. rechtspraak.nl LJN-nummer AE2893). Aan het karakter van zo'n reactie van een besluit in de betekenis van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat het Bhv een strikte normering kent, die geen beoordelingsruimte laat.

Gelet op de grote mate van overeenstemming tussen een melding in het kader van de Whv voor varkensrechten en een melding in het kader van artikel 58k van de Msw voor pluimveerechten, moet worden geoordeeld dat een inhoudelijke reactie van Bureau Heffingen op een laatstbedoelde melding ook moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat verweerder ten onrechte het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk heeft verklaard, dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en dat verweerder met inachtneming van het overwogene in deze uitspraak opnieuw op het bezwaar dient te beslissen.

Met toepassing van artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, juncto artikel 8:54 en artikel 8:74, eerste lid, Awb, leidt dit tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van verweerder van 12 februari 2002;

- bepaalt dat verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van appellant, met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van € 109,-- (zegge: honderdennegen euro)

aan hem wordt vergoed;

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die genoemd bedrag moet vergoeden.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van S.F.E. Raeven, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2003.

w.g. J.A. Hagen w.g. S.F.E. Raeven