Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF8398

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-04-2003
Datum publicatie
09-05-2003
Zaaknummer
AWB 01/105
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/105 8 april 2003

16500 Wet herstructurering varkenshouderij

Uitspraak in de zaak van:

Landbouwbedrijf A B.V., te B, appellante,

gemachtigde: mr. G.R.A.G. Goorts, te Deurne,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: B. Raven werkzaam bij Bureau Heffingen.

1. De procedure

Op 7 februari 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 december 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante had gemaakt tegen het besluit van verweerder van 21 april 2000 inhoudende de weigering tot registratie van een voorgenomen overgang van varkensrechten.

Op 29 mei 2001 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.

Op 27 juli 2001 heeft verweerder een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2003. Bij die gelegenheid hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Meststoffenwet is het volgende bepaald:

"Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

j. bedrijf: geheel van productie-eenheden bestaande uit één of meer gebouwen of afgescheiden gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van de landbouw, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden, en in ieder geval dat geheel van productie-eenheden dat als één bedrijf is opgegeven op grond van de krachtens artikel 7 gestelde regels inzake de registratie van de productie van dierlijke meststoffen, dan wel het na deze opgave ontstane geheel van productie-eenheden als gevolg van splitsing of samenvoeging overeenkomstig de bij of krachtens hoofdstuk V, de Wet verplaatsing mestproductie of de Wet herstructurering varkenshouderij gestelde regels;

(…)

q. tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond: in Nederland gelegen oppervlakte landbouwgrond, daaronder niet begrepen de oppervlakte waarop zich de bedrijfsgebouwen en daarbij behorende voorzieningen bevinden, die tot het bedrijf behoort op grond van eigendom, een zakelijk gebruiksrecht of een door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Pachtwet, en die in het kader van een normale bedrijfsvoering bij dat bedrijf in gebruik is;"

In de Wet herstructurering varkenshouderij, Stb. 1998, 236, in werking getreden op 1 september 1998, (hierna: Whv), is met het oog op de herstructurering van de varkenshouderij - onder meer - een stelsel van varkensrechten ingevoerd.

De in artikel 1, aanhef en sub b en c, van de Whv opgenomen definities van de begrippen "landbouwgrond" en "bedrijf" komen overeen met de in de Meststoffenwet gegeven definities. Ook van het begrip "overdracht" is in de Whv dezelfde definitie opgenomen als in de Meststoffenwet. In dezelfde bepaling is ook het grondgebonden deel van het varkensrecht omschreven. De omschrijving van deze begrippen luidt als volgt:

"Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

j. overdracht: eigendomsovergang, het vestigen of overdragen van een zakelijk gebruiksrecht dan wel het tenietgaan van dat recht, of het totstandkomen of eindigen van een door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst;

(…)

o. grondgebonden deel van het varkensrecht: deel van het varkensrecht overeenkomend met het op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende varkensrecht, verminderd met 90% van het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen geldend met betrekking tot 1996 te delen door 7,4 kilogram fosfaat. "

Artikel 2 Whv luidt als volgt:

"Voor de toepassing van deze wet:

a. worden het niet-gebonden mestproductierecht en het grondgebonden mestproductierecht telkens in aanmerking genomen zoals deze, al naar het gelang van het geval, op het desbetreffende tijdstip dan wel met betrekking tot het desbetreffende jaar voor het desbetreffende bedrijf door het Bureau Heffingen zijn geregistreerd;

b. (…)"

In de artikelen 6 en 7 Whv is de wijze van berekening van het varkensrecht opgenomen. Uitgangspunt is blijkens artikel 6, eerste lid, dat het varkensrecht overeenkomt met het in 1996 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal varkens, verminderd met 10 %. Ingevolge artikel 7 van de Whv kan de belanghebbende desgewenst kiezen voor het referentiejaar 1995.

Artikel 6, vijfde lid/7, tweede lid Whv, geven aan hoe het gemiddeld varkensrecht in het betreffende referentiejaar moet worden berekend indien in 1996, resp. 1995, overdracht van het bedrijf heeft plaatsgevonden. Blijkens de wetsgeschiedenis (MvT TK 1997-1998, 25 746, nr. 3) is bij een bedrijfsoverdracht die nà 1996 heeft plaatsgevonden de opgave die de vervreemder van het aantal varkens in 1996 heeft gedaan bepalend voor de vaststelling van het varkensrecht.

Met betrekking tot de registratie van een kennisgeving van de verplaatsing van een mestproductierecht zijn verschillende bepalingen in de Whv opgenomen. Voorzover hier relevant is daaromtrent bepaald:

"Artikel 12

Indien registratie heeft plaatsgevonden van een na 9 juli 1997 en vóór inwerkingtreding van deze wet gedane kennisgeving van verplaatsing met betrekking tot het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen, wordt het overeenkomstig artikel 6, 7, 8 of 11 bepaalde varkensrecht voor het bedrijf waarvan het niet-gebonden mestproductierecht afkomstig is verkleind tot ten minste nihil, met 90% van het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door de kilogrammen fosfaat waarmee het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen van het bedrijf is verkleind te delen door 7,4 kilogram fosfaat. De verkleining komt ten laste van het fokzeugenrecht voor zover het aantal varkenseenheden waarmee de verkleining overeenkomt groter is dan het verschil tussen het varkensrecht en het fokzeugenrecht.

Met betrekking tot de omvang van het varkensrecht en het fokzeugenrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is in artikel 13 Whv het volgende bepaald:

"Artikel 13

Het overeenkomstig dit hoofdstuk bepaalde varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, is niet groter dan het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door 90% van het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen, zoals dat gold op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 15, te vermeerderen met 125 kilogram fosfaat per hectare van de op de dag voorafgaand aan dat tijdstip tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, en deze som te delen door 7,4 kilogram fosfaat."

De artikelen 16 en volgende Whv regelen de overgang van het varkensrecht naar een ander bedrijf. Voorzover hier van belang is daarin het volgende bepaald:

"Artikel 16

1. Een varkensrecht kan (…) geheel of gedeeltelijk overgaan naar een ander bedrijf overeenkomstig de artikelen 18 en 19.

2. In afwijking van het eerste lid kan het grondgebonden deel van het varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, niet naar een ander bedrijf overgaan.

(…).

Artikel 18

1. Degene naar wiens bedrijf het varkensrecht, of een gedeelte daarvan, moet overgaan en degene van wiens bedrijf het varkensrecht, of een gedeelte daarvan, afkomstig is, geven van de overgang gezamenlijk kennis aan het Bureau Heffingen, met gebruikmaking van een daartoe door Onze Minister vastgesteld formulier, dat overeenkomstig de op het formulier aangegeven wijze volledig en naar waarheid is ingevuld en door beide partijen is ondertekend.

2. Er kan eerst aanspraak worden gemaakt op het van het andere bedrijf afkomstige varkensrecht, of een gedeelte daarvan, vanaf het tijdstip van registratie van de kennisgeving door het Bureau Heffingen.

(…)

Artikel 19

1. De registratie (…) vindt niet plaats indien:

a. de kennisgeving betrekking heeft op een groter aantal varkenseenheden dan overeenkomt met het varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, van het bedrijf waarvan de varkenseenheden afkomstig zijn;

b. (…)"

Artikel 20

1. In geval van overdracht van een bedrijf kan een verkrijger van het bedrijf eerst aanspraak maken op het varkensrecht van dat bedrijf, vanaf het tijdstip van registratie door het Bureau Heffingen van de door de vervreemder en de verkrijger van het bedrijf gezamenlijk gedane kennisgeving van overgang van het varkensrecht.

2. Op het tijdstip van registratie van de kennisgeving worden het varkensrecht en het fokzeugenrecht verminderd met:

- 40%, indien de kennisgeving in 1998 wordt gedaan;

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij een op 16 juni 1998 bij verweerder ingediend formulier "overdracht van een heel bedrijf" hebben appellante enerzijds, en C anderzijds, bij verweerder melding gemaakt van de overdracht, op 12 juni 1998, van 18.38 ha landbouwgrond op basis van meerjarige pacht door appellante aan C en van de daarbij behorende grondgebonden en niet-grondgebonden verplaatsbare mestproductierechten. Het door appellante bij deze melding opgegeven mestnummer is 122000420. Aan C is bij gelegenheid van de registratie van deze overdracht het mestnummer 122049470 toegekend.

- Aan de gemelde bedrijfsoverdracht lagen een contractuele indeplaatsstelling van C voor appellante als pachter en een pachtovereenkomst ten grondslag, beide goedgekeurd door de grondkamer. De indeplaatsstelling betrof de pacht door C van de genoemde 18.38 ha landbouwgrond; de pacht had betrekking op een vleesvarkensstal met ondergrond geschikt voor het houden van 684 vleesvarkens en 72 gespeende biggen.

- Appellante is door middel van een door verweerder toegezonden "Overzicht van uw bedrijfssituatie " (hierna: "Overzicht") met volgnummer 6 op de hoogte gesteld van de registratie van deze bedrijfsoverdracht.

- Dezelfde 18.38 ha landbouwgrond is vervolgens op 6 oktober 1998, met ingang van 15 juni 1998, door C voornoemd weer terug overgedragen aan appellante. Dit is aan verweerder gemeld met het formulier "Grondtransacties" Aan deze overdracht lag wederom een - door de pachtkamer goedgekeurde - indeplaatsstelling ten grondslag, ditmaal in omgekeerde richting. Appellante is daarmee opnieuw op basis van meerjarige pacht pachter geworden van de drie dagen eerder door haar aan C overgedragen 18.38 ha landbouwgrond.

- Partijen hebben deze overdracht op 12 oktober 1998 aan verweerder gemeld.

- Van de registratie van deze transactie is appellante op de hoogte gesteld door middel van een "Overzicht" met volgnummer 07.

- Op 7 december 1998 heeft D, de bedrijfsadviseur van appellante een faxbericht aan verweerder gestuurd met de volgende inhoud.

"Naar aanleiding van ons telefonisch onderhoud bericht ik u als volgt.

Na verwerking van de grondtransacties van A BV (mestnummer: 122000420) heeft het bedrijf per 31 augustus 1998 2298 kg grondgebonden mestrechten ter beschikking. Gezien de gerealiseerde mestproduktie in 1995 en 1996 krijgt het bedrijf 311 verhandelbare varkenseenheden, benutbaar door zeugen. U schat in dat de administratieve afhandeling nog even op zich laat wachten. Vandaar dit bericht mijnerzijds. Vooruitlopend op de definitieve melding heeft cliënt de rechten verkocht en wel als volgt:

Bruto VE: 311 VE

Generieke korting 10%: 31,1VE

Resteert (afgerond): 280 VE

Transactiekorting 1998 40%: 112 VE

Benutbaar door koper: 168 VE

Koper en verkoper spreken af dat deze rechten door koper in het jaar 1998.

geheel benutbaar zijn

Mocht het voorgaande niet juist zijn weergegeven dan vraag ik u mij hierover per omgaande te informeren. Bij geen bericht wordt de transactie conform het voorgaande bij u gemeld."

- Op 11 december 1998 hebben appellante en E bij verweerder een formulier "overdracht varkensrechten" ingediend ten behoeve van de overdracht van 168VE.

- Verweerder heeft op 13 oktober 1999 door toezending van het "Overzicht" met volgnummer 08 aan appellante bericht dat in verband met de inwerkingtreding van de Whv per 1 september 1998 voor het bedrijf met mestnummer 122000420 een varkensrecht van 311 VE is berekend.

- Bij besluit van 21 april 2000 heeft verweerder de registratie van de overgang van varkensrechten van appellante naar E geweigerd.

- Op 28 april 2000 heeft verweerder appellante het volgende bericht:

"Naar is gebleken is (…) voor uw bedrijf ten onrechte een varkensrecht berekend. Immers, de verworven landbouwgrond kan slechts op twee manieren bij Bureau Heffingen worden geregistreerd:

- de grond moet worden bijgeschreven bij een bestaand bedrijf, daarvan was in uw geval geen sprake omdat u uw bedrijf vóór het verwerven van deze grond reeds had vervreemd;

- de grond wordt op een nieuw mestnummer geboekt, omdat sprake is van de vorming van heel nieuw bedrijf. De door u verworven landbouwgrond zal dan ook op een nieuw mestnummer worden geregistreerd.

Inmiddels heeft Bureau Heffingen de door u verworven landbouwgrond geregistreerd onder uw nieuwe mestnummer 122051920. Zowel voor mestnummer 122000420 als voor mestnummer 122051920 is het actuele'Overzicht van uw bedrijfssituatie' bij deze brief gevoegd."

- Appellante heeft een bezwaarschrift ingediend tegen verweerders besluit van 21 april 2000. Naar aanleiding van het bezwaarschrift zijn appellante en E, alsmede C op 12 en 13 december 2000 bij monde van hun gemachtigden telefonisch door verweerder gehoord. Uit het verslag van de hoorzitting van appellante en E wordt de volgende passage geciteerd:

"Is het de bedoeling van partijen geweest dat de heer C de vleesvarkensstal inclusief de daarop rustende mestproductierechten zou pachten van landbouwbedrijf A BV? Gemachtigde bevestigt dit en merkt daarbij op dat de zeugenstallen niet waren betrokken bij deze verpachting. De zeugen-stallen werden immers aan het gebruik voor de varkenshouderij onttrokken. Dit is ook aan de orde geweest tijdens het telefonisch onderhoud tussen de heer D van A&A Accountants en adviseurs en mevrouw F (ex-medewerker van Bureau Heffingen), althans dat leidt gemachtigde af uit de telefoonnotities die gemachtigde in zijn dossier heeft zitten."

- Uit het verslag van het gehoor van C is de navolgende passage overgenomen:

"De voorzitter vraagt of het de bedoeling van partijen is geweest dat de heer C de vleesvarkenstal inclusief de daarop rustende mestproductierechten zou pachten van Landbouwbedrijf A BV. Met andere woorden is het de bedoeling geweest dat de heer C de feitelijke bedrijfsvoering van de vleesvarkensstal over zou nemen. In antwoord hierop merkt gemachtigde op dat het de bedoeling was de overname van het gehele bedrijf te laten plaatsvinden in de geest van hetgeen met mevrouw F (ex-medewerker van Bureau heffingen) is besproken op 11 mei 1998."

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het besluit tot weigering van de registratie van de overgang van varkensrechten gehandhaafd, onder ongegrondverklaring van de bezwaren daartegen. Daartoe is onder meer het volgende overwogen.

De Meststoffenwetgeving en de Whv kennen een eigen, zelfstandig gedefinieerd bedrijfsbegrip en de wijze waarop verweerder dit begrip hanteert is in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke voorschriften. Ofschoon het begrip mestnummer in deze wetgeving niet voorkomt, sluit de uitvoeringspraktijk van verweerder waarin met mestnummers wordt gewerkt naadloos aan bij het in de meststoffenwetgeving gedefinieerde bedrijfsbegrip.

Aan verweerders mededeling dat ten name van het bedrijf van appellante 311 varkenseenheden zijn geregistreerd kunnen geen rechten worden ontleend. De terugboeking van de 18.38 ha landbouwgrond heeft abusievelijk plaatsgevonden onder het oude mestnummer van appellante (122000240). Bij schrijven van 28 april 2000 is aan appellante meegedeeld dat dit bedrijf niet in aanmerking kwam voor berekening van het varkensrecht op basis van de Whv. De onjuiste registraties zijn inmiddels gecorrigeerd en appellante is van die correcties op de hoogte gesteld.

Tijdens de hoorzitting is namens A BV verklaard dat de grond van het voormalig bedrijf van Rutten weer is teruggeboekt om het "inzakken" van niet-gebonden mestproductierechten bij het bedrijf van C tegen te gaan. De indeplaatsstelling heeft inderdaad het door de bij de overdracht betrokken partijen gewenste resultaat gehad, maar daarnaast ook het - ongewenste - effect dat ten onrechte voor het bedrijf van A een mestproductierecht is geregistreerd.

Dat het bedrijf onder mestnummer 122000420 na de overdracht aan C voor de toepassing van de Meststoffenwet is blijven bestaan op grond van de grondgebruiksverklaring van MINAS is onjuist. De grondgebruiksverklaring is slechts van betekenis in het stelsel van de regulerende mineralenheffing op basis van de Regeling landbouwgrond Meststoffenwet (Stcrt. 248, 1997). Dit stelsel moet los worden gezien van de in hoofdstuk V van die wet voor een groot aantal diersoorten neergelegde beperkingen met betrekking tot de omvang van de mestproductie op een bepaald bedrijf. Dit hoofdstuk V dat in directe verbinding moet worden gelezen met de Wet verplaatsing mestproductie, heeft vormgegeven aan het volumebeleid, dat voor de varkenshouderij zijn beslag heeft gekregen in de Whv. Voor de toepassing van hoofdstuk V van de Meststoffenwet is een grondgebruiksverklaring niet relevant. Er wordt voor de uitleg van het begrip "bedrijf" uitsluitend grond in aanmerking genomen waarover het bedrijf ingevolge een zakelijk gebruiksrecht of pacht beschikt, zoals ook blijkt uit de in artikel 1, aanhef en sub q van de Meststoffenwet gegeven definitie. De vermeende toezegging aan appellante door een medewerker van Bureau Heffingen is niet aannemelijk geworden. De fax van de bedrijfsadviseur van appellante bevat veeleer de mededeling dat appellante, vooruitlopend op een definitieve melding haar varkensrecht heeft verkocht. Verweerder heeft niet gereageerd op de mededeling dat bij het uitblijven van een reactie op het faxbericht tot melding zal worden overgegaan, omdat pas na registratie van een kennisgeving definitief conclusies kunnen worden verbonden aan het al dan niet overgaan van het varkensrecht.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Het uitgangspunt van verweerder dat een bedrijf ophoudt te bestaan, wanneer gedurende een zeer korte periode de landbouwgrond niet tot het bedrijf heeft behoord is onjuist. De tekst van de Meststoffenwet, noch de toelichting daarop bieden daartoe enig aanknopingspunt. Uit de systematiek van de Whv vloeit rechtstreeks voort dat ten gevolge van de terugboeking van gronden naar het bedrijf van appellante op dit bedrijf weer 311 varkensrechten zijn geboekt. De door verweerder voor de toepassing van zowel de Meststoffenwet als de Whv gebruikte mestnummers hebben geen wettelijke grondslag. De aan het bestreden besluit ten grondslag liggende gedachte dat appellante op 15 juni 1998 pachter werd van een ander bedrijf geregistreerd onder een nieuw mestnummer is dan ook onjuist. In zoverre is het bestreden besluit in strijd met de Wet.

De grondoverdracht tussen appellante en C had ten doel het inzakken van mestproductierechten op het bedrijf van C te voorkomen. Bureau Heffingen was bekend met deze praktijk en heeft haar steeds geaccepteerd.

Het was niet de bedoeling appellante op te heffen. Dat is trouwens ook niet gebeurd. In de eerste plaats zijn de oude zeugenstallen niet in de overdracht betrokken geweest. En bovendien is er grond bij appellante in gebruik gebleven op grond van een grondgebruiksverklaring als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Regeling Landbouwgrond Meststoffenwet. De opvatting van verweerder dat deze grond wel voor MINAS maar niet voor de onderhavige situatie als productie-eenheid van dat bedrijf kan worden aangemerkt berust op een onjuiste - te beperkte - uitleg van het bedrijfsbegrip in de Meststoffenwet.

Gelet op het vorenstaande is na de retouroverdracht 18.38 ha landbouwgrond aan het nog bestaande bedrijf van appellante toegevoegd. In zoverre is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.

Bovendien heeft verweerder het vertrouwensbeginsel geschonden. Alvorens tot vervreemding van de varkensrechten is overgegaan heeft Bureau Heffingen op 7 december 1998 telefonisch aan de bedrijfsadviseur van appellante meegedeeld dat op het bedrijf van appellante met mestnummer 12000420 een aantal van 311 verhandelbare varkensrechten rustten. Op basis van die mededeling en ook omdat Bureau Heffingen verder niet meer gereageerd heeft op het faxbericht van de bedrijfsadviseur van 7 december 1998 heeft appellante haar varkenseenheden vervreemd. Daarbij komt nog dat verweerder pas ruim anderhalf jaar later op zijn standpunt is teruggekomen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In dit geschil dient de vraag te worden beantwoord of appellante beschikte over fokzeugenrechten ingevolge de op 1 september 1998 in werking getreden Whv, welke zij op de wijze als door haar aangegeven aan E kon overdragen.

5.2 Verweerder heeft die vraag ontkennend beantwoord. Hij is op grond van de overweging dat voor het bedrijf van appellant geen verhandelbare fokzeugenrechten zijn geregistreerd gekomen tot een weigering van de registratie van de overgang van varkensrechten tussen appellante en E. De wijze waarop verweerder heeft gemotiveerd waarom het bedrijf van appellant niet voor verhandelbare fokzeugenrechten beschikt, te weten dat appellantes bedrijf, in verband met de overdracht op 12 juni 1998, van rechtswege heeft opgehouden te bestaan, acht het College ondeugdelijk. Verweerder heeft voor zijn standpunt geen aan de wet en de wetsgeschiedenis ontleende argumenten naar voren gebracht, maar verwezen naar een naar zijn mening bij het systeem van de Meststoffenwet naadloos aansluitende uitvoeringspraktijk waarbij mestnummers worden gehanteerd, die steeds een afzonderlijk bedrijf zouden identificeren in de zin van de meststoffenwetgeving. Overigens blijkt uit de stukken dat verweerder deze praktijk in het stelsel van de eveneens op de Meststoffenwet gebaseerde regulerende mineralenheffing (MINAS) niet hanteert. Verwijzing door verweerder naar deze uitvoeringspraktijk is, gelet op het vorenstaande en gelet op de weinig inzichtelijke wijze waarop het stelsel van varkensrechten in de Whv is geregeld, niet een voldoende onderbouwing verweerders standpunt dat het overgedragen bedrijf van rechtswege heeft opgehouden te bestaan.

5.3 Voor de beoordeling van het voorliggende geschil komt geen beslissende betekenis toe aan de vraag of op grond van de feitelijke omstandigheden, die aan de bedrijfsoverdracht ten grondslag hebben gelegen, moet worden geconcludeerd dat het bedrijf van appellant na de overdracht van grond aan C is opgehouden te bestaan. Zoals uit het hierna overwogene zal blijken moet op andere gronden dan verweerder heeft aangevoerd de conclusie immers eveneens luiden dat in verband met het bepaalde bij artikel 19, eerste lid, onder a, Whv geen overgang van varkensrechten tussen appellante en E kan worden geregistreerd. Daartoe overweegt het College het volgende.

5.4 Uit artikel 12 Whv volgt dat aan de kennisgeving van de bedrijfsoverdracht door appellante aan C op 16 juni 1998, daaronder begrepen de overdracht van de daarbij behorende grondgebonden en niet-grondgebonden verplaatsbare mestproductierechten, consequenties zijn verbonden. Gesteld noch gebleken is dat appellante na de overdracht op 12 juni 1998 wederom niet-gebonden mestproductierechten heeft verworven, zodat moet worden vastgesteld dat appellante sinds 12 juni 1998 niet meer in het bezit was van een dergelijk recht. Gelet op het bepaalde bij artikel 1, aanhef en sub o, gelezen in samenhang met artikel 12 Whv, konden voor haar dan ook geen varkenseenheden op basis van enig niet-gebonden mestproductierecht worden bepaald. Voorzover appellante door de terugboeking van de 18.38 ha landbouwgrond nog enig varkensrecht ter beschikking stond, kon dit, gelet op -onder meer - artikel 1, aanhef en sub o Whv, slechts het grondgebonden deel van haar varkensrecht zijn.

5.5 Het grondgebonden deel van een varkensrecht kan echter in verband met het bepaalde bij artikel 16, tweede lid, juncto artikel 20 Whv alleen overgaan als sprake is van bedrijfsoverdracht. Daarvan is tussen appellante en E geen sprake. Derhalve rustten ten tijde van de inwerkingtreding van de Whv op het bedrijf van appellante geen varkensrechten die zij, los van de grond, aan E kon overdragen.

5.6 Het door verweerder in bezwaar gehandhaafde standpunt dat, op grond van de overweging dat voor het bedrijf van de vervreemder geen verhandelbaar fokzeugenrechten zijn geregistreerd, geen registratie van de overgang van rechten tussen appellante en E kon plaatsvinden is gelet op het vorenstaande juist.

5.7 Wat er zij van eventuele schade die appellante door onjuiste voorlichting van de kant van verweerder heeft geleden - schade is niet gesteld en vergoeding ervan is niet gevorderd - , het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel in verband met de aanvankelijk onjuiste voorlichting van verweerder zoals deze blijkt uit het "overzicht bedrijfssituatie" met volgnummer 08, kan, gelet op de dwingendrechtelijke bepalingen van het Whv, die zich in dit geval verzetten tegen een overdracht van rechten, er niet toe leiden dat alsnog een overdracht van varkensrechten, als gevraagd wordt geregistreerd.

5.8 Vorenstaande overwegingen leiden tot de slotsom dat het bestreden besluit niet voldoet aan het in artikel 7:12 van de Awb neergelegde vereiste dat een beslissing op bezwaar berust op een deugdelijke motivering. In verband hiermee moet het beroep van appellante gegrond worden verklaard en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Uit het daarna overwogene volgt echter tevens dat de door appellante en E gevraagde registratie overgang van varkensrechten terecht is geweigerd. De in deze uitspraak opgenomen vervangende motivering van het College treedt voor verweerders onjuiste motivering van het bestreden besluit in de plaats. Deze vervangende motivering kan echter evenmin tot een andere uitkomst leiden dan tot ongegrondverklaring van het bezwaarschrift, zodat de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing op bezwaar in stand moeten worden gelaten.

5.9 Het College acht daarbij termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

5.10 Vorenstaande overwegingen leiden tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep van appellante gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 29 december 2000;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro)

onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten aan appellante dient te vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het griffierecht ten bedrage van € 204,20 (zegge: tweehonderdenvier

euro en twintig cent) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M.A. van der Ham en mr. J.A. Hagen in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 april 2003.

w.g. B. Verwayen w.g. A. Bruining.