Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF8132

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-04-2003
Datum publicatie
02-05-2003
Zaaknummer
AWB 02/677 en 02/678
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/677 en 02/678 10 april 2003

27366 Kaderwet EZ-subsidies

Subsidieregeling energievoorzieningen non-profit

en bijzondere sectoren

Uitspraak in de zaak van:

Gemeente Kampen, appellante,

gemachtigde: mr. M.M.A. Vermin, advocaat te Amersfoort,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. F.J.B.A. Duijnstee, werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Op 23 april 2002 heeft het College van appellante twee beroepschriften ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen twee besluiten van verweerder van 14 maart 2002.

Bij die besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellante tegen de gedeeltelijke afwijzing van haar aanvragen om een subsidie in het kader van de Subsidieregeling energievoorzieningen in de non-profit en bijzondere sectoren (Stcrt. 1998, 46), nadien meermalen gewijzigd (hierna: Regeling).

Onder dagtekening 30 mei 2002 heeft verweerder twee verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2003, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Regeling, zoals deze luidde na de wijziging van 23 maart 2001 (Stcrt. 2001, nr. 63), inwerkingtreding met ingang van 31 maart 2001, was het volgende bepaald:

"Artikel 2

1. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan:

(…)

- een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, niet zijnde de staat;

(…)

die een voorziening koopt die als bedrijfsmiddel is opgenomen in de Energielijst (…)

4. Geen subsidie wordt verstrekt:

a. indien de aanvrager voor de indiening van de aanvraag ter zake van de koop van de voorzieningen waarop de aanvraag betrekking heeft verplichtingen heeft aangegaan anders dan terzake van het energie-advies dat hem tot de koop van de voorzieningen heeft doen besluiten;

(…)

Artikel 3

1. De subsidie bedraagt 18,5 procent van de in artikel 4, eerste lid, onder a en b, bedoelde kosten (…)"

In de Toelichting bij de Subsidieregeling is het volgende bepaald:

"Uitgangspunt is dat de subsidieregeling zoveel mogelijk aansluit bij de EIA. (…) De subsidiabele investeringen zijn gelijk aan de Energielijst (…)"

Met de hiergenoemde EIA wordt gedoeld op de energie-investeringsaftrek, welke is geregeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964. In de op die wet gebaseerde Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek (Stcrt. 1996, nr. 248, nadien meermalen gewijzigd; hierna Uitvoeringsregeling) was ten tijde hier van belang, onder meer bepaald:

"Artikel 2

Als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie (energie-investeringen) als bedoeld in artikel 11, eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, van de wet worden aangewezen: de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in bijlage I van deze regeling, mits het bedrijfsmiddel of het onderdeel in overeenstemming is met de bestemming voor zover aangegeven in die bijlage, niet eerder is gebruikt en bestaat uit de in die bijlage genoemde bestanddelen.

(…)"

In code 111101 respectievelijk codes 151201 en 210501 in de brochures Energie-investeringen 2000 en 2001, die overeenkomen met categorie A., code 1.2.D. respectievelijk categorie E., code 4.1.C. en categorie A., code 4.2.C., van de in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling genoemde bijlage en de in artikel 2 van de Regeling genoemde Energielijst (Stcrt. 1999, nr. 251 en Stctr. 2000, nr. 249), is onder meer het volgende bepaald:

"Warmtepomp of warmtepompboiler

(…)

en bestaande uit: gesloten warmtepomp (…) (eventueel) lage-temperatuur gebouwverwarmingsnet (…)

Warmte- of koudeopslag in de bodem (aquifer)

(…)

en bestaande uit: (…) (eventueel) voorzien van een lage-temperatuur gebouwverwarmingsnet (…)

Energie-efficiënt verlichtingssysteem

(…)

en bestaande uit: spiegeloptiekarmaturen (…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaken de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft met een daartoe strekkend formulier, ondertekend op 27 september 2000 en door verweerder ontvangen op 3 oktober 2000, op grond van de Regeling een aanvraag ingediend ter verkrijging van subsidie voor investeringen in een tiental in de Energielijst 2000 opgenomen voorzieningen, waaronder, hier van belang, een aquifer, een warmtepomp en een energie-efficiënt verlichtingssysteem. Deze voorzieningen zijn voor rekening van appellante in het nieuw te bouwen gemeentehuis aangebracht. In voornoemde aanvraag heeft appellante het volgende vermeld:

"4. Gegevens voorziening

(…)

Korte omschrijving van de voorziening aquifer (…) energie

eff. verl.

Aantal voorzieningen 1 (…) (…)

Code volgens de Energielijst 151201 (…) 216501

(...)"

4. Gegevens voorziening

(…)

Korte omschrijving van de voorziening warmtepomp (…)

Aantal voorzieningen 1 (…)

Code volgens de Energielijst 111101/(…)"

- Bij faxbericht van 15 december 2000 heeft appellante verweerder verzocht om de subsidieaanvraag betreffende de aquifer mede betrekking te doen hebben op de investeringen in het laagtemperatuur-systeem met bestanddelen (hierna: lt-systeem).

- Op 9 januari 2001 heeft appellante nadere gegevens over voornoemde bedrijfsmiddelen verstrekt, door overlegging van onder meer de opdrachtverlening van appellante aan de firma A, te B, door beide partijen ondertekend op 22 november 2000, houdende de verlening van de opdracht voor het leveren van, ondermeer, een aquifer en een warmtepomp, ten behoeve van het nieuw te bouwen gemeentehuis. Op 18 januari 2001 heeft appellante in dit kader haar opdrachtverlening aan de firma C, te D, door beide partijen ondertekend op 22 november 2000, houdende de verlening van de opdracht voor het leveren van het verlichtingssysteem overgelegd. Op 4 april 2001 en 25 juni 2001 heeft appellante wederom nadere gegevens over voornoemde bedrijfsmiddelen verstrekt.

- In verband met de uitbreiding van het gemeentehuis met een derde vleugel heeft appellante met een daartoe strekkend formulier, ondertekend op 26 juni 2001 en door verweerder ontvangen op 27 juni 2001, een tweede aanvraag ingediend ter verkrijging van subsidie op grond van de Regeling voor haar investeringen in een achttal in de Energielijst 2001 opgenomen voorzieningen, waaronder een energie-efficiënt verlichtingssysteem en een lt-systeem. Ook deze voorzieningen zijn voor rekening van appellante in het nieuw te bouwen gemeentehuis aangebracht.

- Bij brief van 17 oktober 2001 heeft appellante over deze bedrijfsmiddelen nadere gegevens verstrekt, waaronder opgave van de investeringen in het lt-systeem onder de kosten van de warmtepomp. Bij brieven van 19 november 2001 en 20 november 2001 heeft appellante in dit kader wederom nadere informatie verstrekt.

- Bij besluiten van 7 december 2001 respectievelijk 20 december 2001 heeft verweerder de aanvragen om subsidie van 3 oktober 2000 respectievelijk

27 juni 2001 ten dele ingewilligd, in dier voege dat, voor zover hier van belang, geen subsidie is verleend voor de investeringen in het lt-systeem zoals verzocht bij brief van 15 december 2000 en wel subsidie is verleend voor de investeringen in het energie-efficiënt verlichtingssysteem, onder voorbehoud dat het verlichtingssysteem is voorzien van spiegeloptiekarmaturen. Blijkens de onderhavige besluiten heeft de aangevraagde subsidie voor het verlichtingssysteem onder meer betrekking op HF-spots met spiegeloptiek, waarvan de kosten volgens appellante f. 159.576,- bedragen.

- Tegen deze besluiten heeft appellante bij brief van 20 december 2001 bij verweerder bezwaar gemaakt.

- Op 19 februari 2002 is appellante op haar bezwaren gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

Bij de bestreden besluiten, die gelijkluidend zijn voor wat betreft de overwegingen en de beslissing, heeft verweerder onder meer het volgende overwogen:

"Energie-efficiënt verlichtingssysteem

(…)

Uw bezwaar dat de door u toegepaste witte verlichtingsarmaturen een betere lichtopbrengst zouden hebben dan standaard armaturen, doet niet af aan het feit dat deze armaturen aan de in de Energielijst opgenomen voorwaarden dienen te voldoen. Immers, niet witte verlichtingsarmaturen maar spiegeloptiekarmaturen worden in de Energielijst voorgeschreven. Aangezien witte verlichtingsarmaturen gebruikt zijn, wordt daarmee niet voldaan aan de voorwaarden die de Energielijst aan verlichtingsarmaturen stelt. Witte verlichtingsarmaturen zijn niet gelijk te stellen aan spiegeloptiekarmaturen. Bij de totstandkoming van de Energielijst is destijds onder spiegeloptiekarmatuur bedoeld een spiegel die zowel licht als 'zicht' weerkaatst en niet een reflector waarin slechts licht wordt weerkaatst.

De subsidie voor het verlichtingssysteem is verleend onder voorbehoud dat zou blijken dat het verlichtingssysteem is voorzien van spiegeloptiekarmaturen. Nu gebleken is dat witte verlichtingsarmaturen zijn toegepast, kan ik voor het energie-efficiënt verlichtingssysteem geen subsidie verlenen. Uw bezwaren geven mij geen aanleiding om tot een ander inzicht te komen.

Warmtepomp of warmtepompboiler

(…)

Het is onweersproken dat u op 22 november 2000 de verplichtingen ter zake het laagtemperatuur systeem bent aangegaan. Dit betekent dat u voor de indiening van de aanvraag om subsidie verplichtingen bent aangegaan.

In bezwaar stelt u hier tegenover dat de niet tijdige indiening van de aanvraag voor het laagtemperatuur systeem u niet is tegen te werpen, omdat het laagtemperatuur systeem niet is opgenomen in de Energielijst en zodoende door u niet kon worden aangemeld. Ik ben het niet eens met uw stelling. Het laagtemperatuur systeem is wel in de Energielijst opgenomen. (…) onder de voorzieningen 'warmtepomp of warmtepompboiler' en 'warmte- en koudeopslag in de bodem (aquifer)'(…). Daar voor beide voorzieningen subsidie is aangevraagd, had u bij de bestudering van deze voorzieningen in de Energielijst kunnen onderkennen dat het laagtemperatuursysteem in de Energielijst is opgenomen. Daarnaast stelt u in bezwaar dat ik u er attent op had moeten maken dat het laagtemperatuur systeem in aanmerking kon komen voor subsidie. U had immers bij de aanvraag een schetstekening van de werktuigbouwkundige installatie gevoegd waar het laagtemperatuur systeem op is aangegeven. De vraag rijst of dit een vergissing mijnerzijds inhoudt. Echter, blijk van deze vergissing houdt niet zonder meer in dat deze vergissing dient te worden beschouwd als een op grond van de aanvraag kenbare vergissing. In dat geval zou van mij kunnen worden verwacht, dat ik die vergissing binnen afzienbare termijn dien te constateren en dat ik u in de gelegenheid dien te stellen uw aanvraag te corrigeren. Op grond van het aanvraagformulier was de vergissing niet kenbaar. Pas bij nadere bestudering van de stukken in het dossier zou de vergissing kunnen blijken. Gelet op de tijdsdruk waarbinnen een groot aantal aanvragen afgehandeld dienen te worden, ben ik van oordeel dat hier geen sprake van een vergissing is waardoor het lt-systeem onder de aanvraag van 3 oktober 2000 zou moeten worden begrepen.

Tenslotte merk ik op dat het project in verband met de nieuwbouw van het stadhuis is uitgevoerd zoals overeengekomen. Van een aanwijsbare scoopwijziging van dit gedeelte van het project is derhalve geen sprake. Overigens heb ik bij de aanvullende aanvraag die ziet op de uitbreiding van het stadhuis met een derde vleugel het daarbij gemelde lt-systeem toegekend.

(…)

Ingevolge artikel 3 van de Subsidieregeling wordt het subsidiepercentage bepaald op 14,5. (…)"

In aanvulling op het bovenstaande heeft verweerder in het verweerschrift en ter zitting het volgende aangevoerd.

Appellante heeft bij het doen van de aanvraag om subsidie op 3 oktober 2000 verzuimd, indien zij onder dat verzoek ook het lt-systeem heeft willen begrijpen, het juiste bedrag te vermelden. Het in het aanvraagformulier opgegeven bedrag voor de warmtepomp heeft op het eerste oog geen aanleiding gevormd voor twijfel omtrent de juistheid daarvan, omdat dit bedrag en de warmtepomp onderling met elkaar in overeenstemming waren.

Ten aanzien van het energie-efficiënt verlichtingssysteem heeft appellante eerst in beroep en dus te laat, naar voren gebracht dat een deel van dat systeem zal bestaan uit spots met spiegeloptiekarmaturen. Appellante heeft nagelaten deze stelling in bezwaar naar voren te brengen, zodat hierop in de bestreden besluiten niet kon worden ingegaan.

Het in de bestreden besluiten gehanteerde subsidiepercentage van 14,5% is onjuist; dit percentage bedraagt 18,5 %. De beide bestreden besluiten worden in die zin aangepast.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroepen onder meer het volgende tegen de bestreden besluiten aangevoerd.

Primair heeft appellante aangevoerd dat verweerder ten onrechte de bij brief van 15 december 2000 genoemde investeringen in het lt-systeem niet heeft beschouwd als in de aanvraag om subsidie van 30 oktober 2000 te zijn opgenomen. Weliswaar is het lt-systeem niet in die aanvraag vermeld, doch wel in de bijgevoegde schetstekening, zodat die aanvraag dient te worden beschouwd als een onvolledige aanvraag. Ingevolge artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) had verweerder appellante in de gelegenheid moeten stellen de aanvraag aan te vullen.

Subsidiair heeft appellante aangevoerd dat nu bij die aanvraag een bijlage was gevoegd waarop het lt-systeem is aangegeven, niet-melding van de kosten van dat systeem in de aanvraag een voor verweerder kenbare -en door hem erkende- vergissing bevat.

Verweerder had appellante er attent op moeten maken dat het lt-systeem in aanmerking kon komen voor subsidie en haar in de gelegenheid moeten stellen haar aanvraag in die zin aan te vullen. Daar komt bij dat verweerder de kennelijke vergissing niet binnen redelijke termijn heeft geconstateerd. Verweerder handelt in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel door het risico van een te late aanvulling van de aanvraag af te wentelen op appellante.

Meer subsidiair heeft appellante aangevoerd dat bij haar door verweerder op grond van een telefonisch onderhoud op 5 december 2000 de verwachting is gewekt dat subsidie voor het lt-systeem zou worden verleend. In dit gesprek is namens verweerder meegedeeld dat niet alle onderdelen van het lt-systeem in het aanvraagformulier waren opgenomen en dat de aanvraag op dit onderdeel kon worden aangevuld. Ook nadien heeft verweerder in correspondentie en gesprekken steeds de verwachting gewekt dat de aangevulde aanvraag subsidiabel was.

Ten onrechte heeft verweerder het in de eerste aanvraag vergeten lt-systeem niet in de tweede aanvraag voor subsidie gehonoreerd. Door de bouw van het gemeentehuis met een derde vleugel, is sprake van een zogenaamde 'scope-wijziging', aangezien het aantal m² en de kosten met 1/3 zijn vermeerderd. Sprake is van een in een later stadium van het project belangrijke uitbreiding op het oorspronkelijke plan, waardoor in de tweede aanvraag de in de eerste aanvraag vergeten onderdelen van het lt-systeem kunnen worden meegenomen.

Bovendien heeft een medewerker van verweerder in reeds genoemd telefonisch onderhoud van 5 december 2000 de verwachting gewekt dat de nieuwe plannen voor de derde vleugel een scope-wijziging zouden inhouden en dat het lt-systeem in de aanvraag voor de derde vleugel kon worden meegenomen, waardoor ten aanzien van dit systeem voor de gehele bouw subsidie zou worden toegekend. Indien appellante in december 2000 of 24 januari 2001 zou hebben geweten dat dit laatste niet het geval zou zijn, dan zou zij er voor hebben kunnen kiezen om haar investeringen daarop aan te passen. Toen waren de bouwactiviteiten wat betreft het lt-systeem nog niet aangevangen.

Ten aanzien van het energie-efficiënt verlichtingssysteem heeft verweerder ten onrechte in de beide bestreden besluiten beslist dat de witte verlichtingsarmaturen niet kunnen worden begrepen onder de omschrijving van code 210501 in de Energielijsten 2000 en 2001. Het begrip spiegelreflector sluit een witte reflector niet uit. De witte verlichtingsarmaturen hebben een betere lichtopbrengst dan de in die Energielijsten vermelde spiegeloptiekarmaturen. Dit blijkt uit de lichtberekeningen die door de bedrijven E en F zijn opgesteld. Bovendien vindt net als bij een spiegelreflector ook in een witte reflector weerkaatsing en dus spiegeling van licht plaats. Toepassing van de Regeling door verweerder is te stringent, aangezien hierdoor geen rekening wordt gehouden met nieuwe energievoorzieningen als deze witte reflectoren.

Ten aanzien van de armaturen die wel met een spiegelreflector zijn uitgevoerd -de Hf-spots- heeft verweerder ten onrechte de subsidie in de beide bestreden besluiten op nihil bepaald. In de beide primaire besluiten is ter zake van die spots immers wel subsidie verleend.

Ten onrechte heeft verweerder het subsidiepercentage in de beide besluiten bepaald op 14,5%. Dit moet zijn 18,5%.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College dient te beoordelen of de bestreden besluiten, die strekken tot ongegrondverklaring van de bezwaren van appellante tegen de gedeeltelijke afwijzing van haar aanvragen om subsidie op grond van de Regeling in rechte stand kunnen houden. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

5.2 Allereerst is aan de orde of verweerder op goede gronden heeft beslist dat appellante terzake van de koop van het lt-systeem, voor zover dit systeem bij verweerder is aangemeld bij brief van 15 december 2000, niet in aanmerking komt voor subsidie op grond van de Regeling. Hieromtrent overweegt het College als volgt.

Niet is in geschil dat de verplichtingen ten aanzien van de hiervoor in rubriek 2.1 weergegeven warmtepomp en het lt-systeem zijn aangegaan op 22 november 2000 en dat de eerste aanvraag om subsidie betreffende de warmtepomp door verweerder is ontvangen op 3 oktober 2000. Evenmin is in geschil dat de investeringen in het lt-systeem niet zijn vermeld op het aanvraagformulier, alsook dat de reden hiervan was dat appellante niet op de hoogte was van het feit dat ook voor het lt-systeem subsidie mogelijk was.

Hetgeen partijen verdeeld houdt, betreft de vraag of onder die aanvraag om subsidie voor de investeringen in de warmtepomp mede kan worden begrepen een aanvraag om subsidie voor de investeringen in het lt-systeem. Het College beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt hieromtrent als volgt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling komen slechts die investeringen in (onderdelen van) bedrijfsmiddelen voor subsidie in aanmerking, die zijn opgenomen in de Energielijsten 2000 en 2001. Voormeld artikel sluit naar tekst en strekking aldus investeringen uit die niet op de Energielijsten 2000 en 2001 voorkomen.

Tekst, doel en strekking van de Regeling brengen mee dat subsidie slechts kan worden verstrekt indien uit de omschrijving van het bedrijfsmiddel en/of uit de opgegeven kosten ervan in de aanvraag duidelijk is waarvoor de subsidie is aangevraagd. In de omschrijving in code 111101 in de Energielijst 2000, hiervoor weergegeven in rubriek 2.1, zijn zowel de warmtepomp als het lt-systeem opgenomen. In de aanvraag om subsidie zijn slechts de kosten van de warmtepomp opgenomen. De investeringen in het lt-systeem zijn hierin niet begrepen en kunnen derhalve niet in de aanvraag worden "ingelezen". Hieraan doet niet af dat bij het aanvraagformulier stukken zijn gevoegd waarop een schets van het lt-systeem is weergegeven.

Gelet op het vorenstaande strandt het betoog van appellante dat sprake is van een onvolledige aanvraag op 3 oktober 2000. Voorts valt naar het oordeel van het College niet staande te houden dat sprake is geweest van een uitbreiding van het oorspronkelijke project als gevolg waarvan een geheel nieuwe verplichting ter zake is ontstaan welke een ingrijpende wijziging van de oorspronkelijke verplichting inhield. Niet is immers gebleken dat de bouw van het gemeentehuis niet overeenkomstig de oorspronkelijke plannen is uitgevoerd. Hierbij wordt opgemerkt dat weliswaar sprake is van uitbreiding van het gemeentehuis met een derde vleugel, doch in dat kader heeft appellante voor de kosten van het lt-systeem op 27 juni 2001 een nieuwe aanvraag om subsidie ingediend, welke subsidie door verweerder is verleend.

Blijkens de onder rubriek 4 aangehaalde grieven stelt appellante zich subsidiair op het standpunt dat sprake is van een zodanig duidelijk kenbare vergissing dat verweerder die had behoren te onderkennen en dat uit de ingevolge artikel 3:2 Awb op verweerder rustende zorgvuldigheidsplicht voortvloeit dat verweerder appellante in de gelegenheid had moeten stellen haar aanvraag tijdig te corrigeren.

Het College kan appellante in dit betoog niet volgen.

Ingevolge het tweede lid van artikel 4:2 Awb verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Als regel heeft te gelden dat het bestuursorgaan op de juistheid van de door de aanvrager verschafte gegevens kan afgaan, tenzij sprake is van een voor dat orgaan kenbare vergissing of de aanvrager eigener beweging tijdig de onjuistheid van de eerder door hem verschafte gegevens aantoont.

Dit laatste heeft zich in dit geval niet voorgedaan, nu appellante de door haar gemaakte vergissing eerst bij brief van 15 december 2000 kenbaar heeft gemaakt, zulks nadat zij de aanvraag om subsidie had gedaan. Van een voor verweerder kenbare vergissing in de hiervoor bedoelde zin is naar het oordeel van het College ook geen sprake, nu het voor verweerder niet op het eerste gezicht, zonder nadere bestudering van de bij het aanvraagformulier gevoegde bijlagen, duidelijk had moeten zijn dat de investeringen in het lt-systeem niet waren vermeld. Hierbij neemt het College in aanmerking dat de door appellante op het aanvraagformulier vermelde bedragen in redelijke verhouding staan tot de door appellante op het aanvraagformulier vermelde andere voorzieningen.

Appellante heeft meer subsidiair aangevoerd dat door toezeggingen dan wel mededelingen die aan verweerder kunnen worden toegerekend, bij haar rechtens te eerbiedigen verwachtingen zijn gewekt, die verweerder in dier voege had behoren te honoreren, dat hij subsidie voor het lt-systeem had moeten verlenen, dan wel appellante de gelegenheid had moeten bieden de aanvraag van 3 oktober 2000 met de kosten in het lt-systeem aan te vullen. Het College volgt appellante niet in dit betoog. Hiertoe overweegt het College dat appellante haar stelling niet aannemelijk heeft gemaakt.

Verder is van betekenis dat uit de Regeling volgt dat geen verplichtingen mogen zijn aangegaan ter zake van het lt-systeem vóór het doen van een aanvraag. Ook wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellante zich door de mededelingen van de kant van ambtenaren van verweerder daaromtrent, heeft laten stimuleren investeringen te doen. Appellante is immers reeds op 22 november 2000 verplichtingen ten aanzien van het lt-systeem aangegaan, terwijl zij zich beroept op een nadien gevoerd telefoongesprek dat zou hebben plaatsgevonden op 5 december 2000, alsmede op daarna gevoerde gesprekken en correspondentie.

Vorenstaande betekent dat moet worden uitgegaan van een aanvraag om subsidie ter zake van de koop van het lt-systeem op 22 november 2000 zodat verweerder op goede gronden heeft beslist dat appellante vóór die aanvraag om subsidie ter zake van de koop van het lt-systeem verplichtingen heeft aangegaan en de aanvraag deswege op grond van de Regeling niet subsidiabel is.

Naar het oordeel van het College liggen de gevolgen van de te late indiening van de aanvraag geheel binnen de risicosfeer van appellante. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de aanvrager om zich op de hoogte te stellen van de voorschriften die bij de Regeling zijn gegeven en deze in acht te nemen.

De grief strandt derhalve.

5.3 Vervolgens is aan de orde of verweerder in de bestreden besluiten terecht de subsidie voor de investeringen in het energie-efficiënt verlichtingssyteem op nihil heeft gesteld.

Voorop moet worden gesteld dat de opsomming van energiebesparende bedrijfsmiddelen in de Energielijsten als limitatief moet worden beschouwd, waarbij een strikte uitleg van de daarin opgenomen omschrijvingen van bedrijfsmiddelen en onderdelen van bedrijfsmiddelen past.

Ten eerste doet zich de vraag voor of de onderhavige witte verlichtingsarmaturen voldoen aan de omschrijving van code 210501 in de Energielijsten 2000 en 2001. Het College overweegt hieromtrent als volgt.

Ingevolge code 210501 in de Energielijsten 2000 en 2001 moet sprake zijn van armaturen, die zijn voorzien van een spiegeloptiek. Voormelde code 210501 sluit naar tekst en strekking investeringen in andere dan spiegeloptiekarmaturen uit. Vast staat dat de onderhavige investeringen betrekking hebben op witte verlichtingsarmaturen, die niet zijn voorzien van een spiegeloptiek. Het College is gelet hierop van oordeel dat hiermee niet is voldaan aan de omschrijving van code 210501 in de Energielijsten 2000 en 2001.

Dat, naar appellante heeft gesteld, de onderhavige witte verlichtingsarmaturen ook energiebesparing opleveren, doet hieraan, wat daar ook van zij, niet af.

Het College is gelet op het vorenstaande van oordeel dat verweerder bij de bestreden besluiten op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat met de investeringen in de aangemelde witte verlichtingsarmaturen niet is voldaan aan de omschrijving van code 210501 in de Energielijsten 2000 en 2001 en in de weg staat aan verlening van subsidie.

Ook deze grief strandt derhalve.

Vervolgens doet zich in dit kader de vraag voor of verweerder in de bestreden besluiten appellante terecht geen subsidie heeft verleend voor de HF-spot-voorzieningen. Het College overweegt in dit verband als volgt.

Verweerder heeft in de bestreden besluiten voor de investeringen in de spot-voorzieningen geen subsidie verleend, zonder hieraan in die besluiten enige motivering te wijden. Het College is van oordeel dat een motivering op dit onderdeel in de bestreden besluiten niet achterwege had mogen blijven.

Hierbij neemt het College in aanmerking dat deze voorzieningen onderdeel uitmaken van de twee aanvragen om subsidie. Ook wordt in aanmerking genomen dat appellante in de aanvraagprocedures op deze voorzieningen betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, terwijl appellante in de bezwaarprocedures niet uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij haar subsidie-aanvraag op dit onderdeel wenst in te trekken. Dat appellante, zoals verweerder stelt, in bezwaar geen (specifieke) bezwaren met betrekking tot de Hf-spots heeft aangevoerd kan haar bezwaarlijk worden tegengeworpen, nu verweerder appellante voor de spot-voorzieningen in de primaire besluiten, onder voorbehoud dat sprake is van een systeem voorzien van spiegeloptiekarmaturen, subsidie heeft verleend.

Hieruit volgt naar het oordeel van het College dat verweerder in de bezwaarprocedures had dienen te onderzoeken of nog sprake is van aanvragen om subsidie voor de onderhavige spot-voorzieningen en, indien dat het geval is, nader te onderzoeken of hiermee wordt voldaan aan het in voornoemde code 210501 neergelegde vereiste dat sprake moet zijn van spiegeloptiekarmaturen en een daarop in de bestreden besluiten toegesneden motivering dienen te geven. De bestreden besluiten geven geen blijk dat een dergelijk onderzoek in het kader van de besluitvorming van verweerder heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft zich beperkt tot het - ten onrechte - zonder meer schrappen van deze door appellante aangevoerde posten.

De bestreden besluiten leveren in zoverre strijd op met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegde beginsel dat bepaalt dat de beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering en komen derhalve in aanmerking voor vernietiging.

Deze grief treft derhalve doel. De beroepen op dit onderdeel zijn gegrond.

5.4 Ter zake van het door verweerder in de bestreden besluiten gehanteerde subsidiepercentage van 14,5%, overweegt het College als volgt.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Regeling bedraagt, in gevallen als hier aan de orde, het subsidiepercentage 18,5% van de kosten. Gelet hierop heeft verweerder in de bestreden besluiten een onjuist subsidiepercentage gehanteerd. Ter zitting heeft verweerder dit erkend en verklaard dat hij dit percentage in de beide besluiten zal wijzigen in 18,5%.

Dit betekent dat de daarop gerichte grief slaagt. Ook op die grond komen de bestreden besluiten voor vernietiging in aanmerking. De beroepen op dit onderdeel zijn gegrond.

5.5 Conclusie is dat de beroepen gegrond moeten worden verklaard, met bepaling dat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw beslist op de bezwaarschriften.

Verweerder zal in de nieuw te nemen besluiten opnieuw op de bezwaren van appellante terzake van de spot-voorzieningen dienen te beslissen. In die nieuw te nemen besluiten zal verweerder ook de subsidiepercentages en de op grond daarvan berekende subsidies kunnen aanpassen. Uitgangspunt daarbij dient te zijn dat dit percentage 18,5% bedraagt.

Het College overweegt tenslotte dat de door appellante betaalde griffierechten door verweerder dienen te worden vergoed, alsmede dat termen aanwezig zijn verweerder onder toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellante, zijnde de kosten van de door haar gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Met inachtneming van het Besluit bestuurskosten procesrecht worden deze kosten vastgesteld op € 644,--.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de bezwaarschriften te beslissen;

- bepaalt dat het door appellante betaalde griffierecht ad € 218,- (zegge: tweehonderdachttien euro) aan haar wordt vergoed;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten aan de zijde van appellante, welke worden vastgesteld op € 644,-- (zegge:

zeshonderdvierenveertig euro);

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die genoemde bedragen moet vergoeden.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, mr. J.A. Hagen en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 april 2003.

w.g. M.A. van der Ham w.g. I.K.Rapmund