Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF7858

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-04-2003
Datum publicatie
25-04-2003
Zaaknummer
AWB 02/305, 02/306, 02/307 en 02/308
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Nrs. AWB 02/305, 02/306, 02/307 en 02/308 16 april 2003

7200 Restitutie

Uitspraak in de zaken van:

Meating Neede B.V., te Neede,

en

E.A.G. Euro Agri Groep B.V., te Neede, appellanten,

vertegenwoordigd door: P.J. den Ouden, directeur, bijgestaan door K.H. Meenhorst, belastingadviseur te Rotterdam,

tegen

het Productschap Vee en Vlees, te Zoetermeer, verweerder,

gemachtigde: mr. M.R. Bierling, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 31 januari 2002 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een viertal besluiten van verweerder van 21 december 2001, met kenmerken 00/104 EAG, 00/104A EAG, 00/105 en 00/105A.

Bij deze besluiten zijn niet-ontvankelijk verklaard de bezwaren van appellanten tegen verweerders besluiten van 18 april 2000, waarbij eerder aan appellanten toegekende restituties ingetrokken en teruggevorderd werden, en tegen verweerders besluiten van 19 juni 2001 tot intrekking van de besluiten van 18 april 2000.

Appellanten hebben op 14 februari 2002 de beroepen nader gemotiveerd..

Op 21 mei 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben op 19 juni 2002 gerepliceerd, waarop verweerder op 18 juli 2002 een dupliek heeft ingediend.

Op 19 maart 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen hebben bij die gelegenheid hun standpunten nader uiteengezet.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In de maand april van 1993 hebben appellanten aangifte ten uitvoer gedaan van partijen rundvlees met als bestemming Jordanië. Het vlees werd vervoerd met het ms A.

- Meating Neede B.V. heeft terzake van deze uitvoer een restitutie ontvangen van fl. 1.378.625,49 terwijl het bij E.A.G. Euro Agri Groep B.V. ging om een bedrag van fl. 885.266,36 aan restitutie.

- Op basis van een rapportage naar aanleiding van een onderzoek in 1998 van de UCLAF, (controledienst van de Europese Commissie) waarin beschreven werd, dat het vlees niet was ingevoerd in Jordanië, maar was doorgevoerd naar Irak, heeft verweerder bij besluiten van 18 april 2000 de reeds uitbetaalde restitutie ingetrokken en teruggevorderd.

- Appellanten hebben daartegen op 25 april 2000 bezwaar gemaakt.

- Op 24 januari 2001 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waar appellanten hun bezwaren nader hebben uiteengezet.

- Op 24 april 2001 heeft verweerder van andere exporteurs dan appellanten, bescheiden ontvangen waaruit verweerder heeft opgemaakt, dat appellanten terzake van de uitvoer van het vlees naar Irak voor restitutie in aanmerking kwamen.

- Bij besluiten van 19 juni 2001 heeft verweerder de beslissingen van 18 april 2000 ingetrokken. Verweerder heeft appellanten gevraagd om, nu volledig aan hun bezwaren tegemoet gekomen was, deze bezwaren in te trekken.

- Appellanten hebben bij brief van 23 juli 2001laten weten hun bezwaar te handhaven. Daarbij hebben zij aangegeven, dat hun bezwaren nu geacht moesten worden mede gericht te zijn tegen de intrekkingsbesluiten van 19 juni 2001, omdat zij zich met de overwegingen, die aan die intrekkingsbeslissingen ten grondslag liggen, niet konden verenigen.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

De bestreden besluiten houden onder meer het volgende in.

3.1 Bij de aan beide appellanten afzonderlijk gerichte brieven, met de kenmerken 00/104 EAG en 00/105, waarin besloten wordt op de bezwaarschriften tegen de besluiten van 18 april 2000, heeft verweerder allereerst overwogen, dat deze bezwaarschriften niet ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geacht kunnen worden mede gericht te zijn tegen de intrekkingsbesluiten van 19 juni 2001, omdat daarbij immers geheel aan die bezwaren tegemoet gekomen werd.

Ingevolge artikel 6:19, derde lid, van de Awb, staat intrekking van een besluit niet aan vernietiging daarvan in de weg, indien de indiener van het bezwaarschrift daarbij belang heeft. Daarbij moet vooral gedacht worden aan de aanspraak op schadevergoeding in verband met de onrechtmatigheid van het primaire besluit. Verweerder heeft in dit verband overwogen dat hangende de bezwaarschriftprocedure niet tot invordering van de teruggevorderde restitutie is overgegaan, zodat van renteverlies geen sprake kan zijn. Ook de daarnaast wellicht in te stellen vordering tot vergoeding van proceskosten in de bezwaarfase komt niet voor inwilliging in aanmerking, omdat zo'n vergoeding uitsluitend aan de orde kan zijn als het besluit tegen beter weten in genomen is. Daarvan is echter geen sprake. Verweerder is op grond van de geldende EG-regelgeving gehouden om tot intrekking en terugvordering over te gaan, indien achteraf blijkt dat ten onrechte restitutie is betaald.

Pas op grond van nadien gebleken feiten, zijnde het - niet door appellanten geleverde - bewijs dat appellanten terzake van de export van het vlees naar Irak toch voor restitutie in aanmerking kwamen, is het besluit van 18 april 2000 ingetrokken.

Ook de wens van appellanten om de motivering van het bestreden, maar inmiddels ingetrokken, besluit aan te tasten geldt in rechte niet als een belang dat het voortzetten van de procedure en uiteindelijk de vernietiging van het bestreden besluit kan rechtvaardigen.

Gelet op het aldus ontbreken van belang bij voortzetting van de bezwaarprocedures met betrekking tot de ingetrokken besluiten van 18 april 2000, worden de bezwaarschriften niet-ontvankelijk verklaard.

3.2 Voor wat betreft de bezwaren gericht tegen de intrekkingsbesluiten met de kenmerken

00/104A EAG en 00/105A, overweegt verweerder dat met deze besluiten het effect bereikt is, dat door appellanten met hun bezwaarschriften van 25 april 2000 beoogd werd, namelijk het weer in leven roepen van de besluiten waarbij de restitutie werd toegekend.

Appellanten hebben bij het ongedaan maken van dat effect geen belang; zij zouden zich bij het herleven van de intrekking van de restitutiebesluiten zeker niet neerleggen.

Derhalve moeten ook de bezwaarschriften tegen de intrekkingsbesluiten niet-ontvankelijk verklaard worden.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter ondersteuning van de beroepen onder meer het volgende tegen de bestreden besluiten aangevoerd.

4.1 Appellanten menen wel voor schadevergoeding in aanmerking te komen. Daarvoor is immers bepalend of de primaire besluiten onrechtmatig waren. Zij hebben ook schade geleden, nu verweerder in verband met de terugvordering kasbedragen en bankgaranties heeft vastgehouden, hetgeen ook effect had op hun mogelijkheid om van derden krediet te verkrijgen. Zij hebben er daarom alle belang bij, dat de besluiten van 18 april 2000 op inhoudelijke gronden vernietigd worden, omdat aldus de onrechtmatigheid van deze besluiten zal worden vastgesteld.

Vervolgens zetten appellanten uiteen op welke inhoudelijke gronden deze besluiten naar hun oordeel voor vernietiging in aanmerking komen. Zij menen, dat verweerder in dit geval de besluiten van 18 april 2000 had moeten vernietigen op de door hen aangedragen gronden. De intrekking op - ondeugdelijke - andere gronden is slechts een poging om zich eraan te kunnen onttrekken de onrechtmatigheid van de besluiten van 18 april 2000 onder ogen te zien en te erkennen.

3.2 Appellanten wijzen erop, dat de door derden geleverde stukken die verweerder geaccepteerd heeft als bewijs dat zij terzake van het met het ms A vervoerde vlees toch voor restitutie in aanmerking komen, blijkens de door verweerder zelf gehanteerde bewijsregels niet als genoegzaam bewijs kunnen worden aanvaard. Naar hun oordeel kunnen de intrekkingsbesluiten van 19 juni 2001 op deze grond dus niet in stand blijven. Daarom dringen zij aan op vernietiging van deze besluiten.

Zij beseffen, dat daardoor voor hen weer een betalingsverplichting zal ontstaan, maar zijn er van overtuigd, dat hun bezwaarschriften tegen de besluiten van 18 april 2000 - al dan niet na een beroepsprocedure - gehonoreerd zullen worden. Op deze wijze zal hun naam gezuiverd zijn en zal vastgesteld zijn, dat verweerders beschuldigingen en verwijten aan hun adres iedere grond missen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Artikel 6:19, derde lid, van de Awb houdt in dat intrekking van een besluit niet aan vernietiging daarvan in de weg staat, als de indiener van het bezwaarschrift daarbij belang heeft.

Appellanten hebben ter zitting verklaard voornemens te zijn een schadeclaim in te dienen bij de burgerlijke rechter als de onrechtmatigheid van de besluiten van 18 april 2001 in rechte zou worden vastgesteld.

Het College acht het niet op voorhand onaannemelijk, dat enige schade geleden is. Verweerder heeft ter zitting immers erkend, dat in verband met de terugvordering bankgaranties van appellanten zijn vastgehouden.

Gelet daarop kan niet worden volgehouden, dat appellanten geen belang hebben bij vernietiging van de besluiten van 18 april 2000.

De bestreden besluiten 00/104 EAG en 00/105, die van een andere zienswijze uitgaan, komen derhalve voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal alsnog inhoudelijk op de bezwaarschriften moeten beslissen en moeten bezien of de bezwaren tegen de besluiten van 18 april 2000 gegrond zijn, zodat deze besluiten herroepen moeten worden.

5.2 Met een vernietiging van de besluiten van 19 juni 2001 konden appellanten echter niet anders bereiken dan dat de ingetrokken besluiten van 18 april 2000 zouden herleven. Nu appellanten laatstgenoemde besluiten juist vernietigd wilden zien, zij het op een andere grond dan waarop verweerder de intrekking ervan gebaseerd heeft, heeft verweerder terecht geoordeeld, dat appellanten bij vernietiging van de besluiten van 19 juni 2001 geen in rechte geldend te maken belang hadden. De niet-ontvankelijkverklaring, neergelegd in de besluiten 00/104A EAG en 00/105A, houdt derhalve stand zodat de daartegen gerichte beroepen ongegrond moeten worden verklaard.

Het College acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Ingevolge het besluit proceskosten bestuursrecht komen de reiskosten, tweede klas, ad € 26,90 plus verletkosten ad € 40,-- per uur, gedurende acht uur van de directeur van appellanten alsmede een vergoeding voor het verschijnen ter zitting van K.H. Meenhorst, als medegemachtigde, die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, voor vergoeding in aanmerking.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart de beroepen tegen de besluiten met de kenmerken 00/104 EAG en 00/105 gegrond;

- vernietigt de genoemde besluiten;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw op de bezwaarschriften beslist met

inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- verklaart de beroepen tegen de besluiten met de kenmerken 00/104A EAG en 00/105A ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die appellanten gezamenlijk gemaakt hebben tot een bedrag van € 668,90

(zegge: zeshonderdachtenzestig euro en negentig cent) en wijst het Productschap Vee en Vlees aan als de rechtspersoon

die deze kosten moet betalen;

- bepaalt dat het Productschap Vee en Vlees aan beide appellanten het griffierecht ad € 218,-- (zegge: tweehonderdachttien

euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. M.J. Kuiper en mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 april 2003.

w.g. C.M. Wolters w.g. L. van Duuren