Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF7776

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-03-2003
Datum publicatie
25-04-2003
Zaaknummer
AWB 02/1618 en 02/1619
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 02/1618 en 02/1619 20 maart 2003

16020 Meststoffenwet

Kaderregeling ontheffingen experiment 'het Zuivere Ei'

Uitspraak in de zaak van:

1. A, te X, en

2. B, te Z, appellanten,

gemachtigde: mr. H.M.J. Offermans, advocaat te Roermond,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Haan, werkzaam bij Bureau Heffingen te Assen.

1. De procedure

Op 4 september 2002 heeft het College van appellanten afzonderlijke beroepschriften ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen besluiten van verweerder van 26 juli 2002.

Bij die besluiten heeft verweerder de ingangsdatum van de ontheffingen uitbreidingsverbod die aan appellanten bij besluiten van 5 november 1998 in het kader van het beleidsexperiment "het Zuivere Ei" zijn verleend, als volgt vastgesteld: voor appellant sub 1 is de ingangsdatum van zijn ontheffing vastgesteld op 15 april 1999, voor appellant sub 2 is de ingangsdatum van zijn ontheffing vastgesteld op 14 april 1999.

Verweerder heeft 26 september 2002 een verweerschrift ingediend.

Op 6 februari 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden alwaar partijen bij monde van hun gemachtigde, hun standpunten nader hebben toegelicht. Namens appellant sub 1 was daarbij tevens aanwezig de zoon van appellant sub 1, C.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 55, eerste lid, van de Meststoffenwet (hierna: Mw) luidt als volgt:

"Het is verboden de productie van dierlijke meststoffen op een bedrijf uit te breiden indien de productie groter is of daarmee groter wordt dan 125 kilogram fosfaat per hectare per jaar van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond."

In de Kaderregeling ontheffingen experiment "het Zuivere Ei" (hierna: Kaderregeling) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 1

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

j) Zuivere Ei: beleidsexperiment in het kader waarvan ten hoogste 30 pluimveehouders investeringen plegen gericht op het door middel van biothermische droging produceren van kwalitatief zeer hoogwaardige pluimveemest in ammoniakemissie-arme stallen teneinde de gecertificeerde mest volledig te exporteren;

(…)

Artikel 2

Op een daartoe strekkende aanvraag van de producent wordt, indien wordt voldaan aan de voorwaarden van deze regeling, ten aanzien van een door hem gevoerd bedrijf door de minister een ontheffing verleend van het uitbreidingsverbod, bedoeld in artikel 55, eerste lid, van de wet, tot een daarbij vastgestelde hoeveelheid meststoffen.

(…)

Artikel 4

1. Aan de ontheffing worden de volgende voorschriften verbonden:

(…)

d) terzake van het biothermische droogproces op het bedrijf is een certificaat afgegeven door de controle-instantie ten bewijze dat wordt voldaan aan de eisen ter waarborging van de kwaliteit van de gedroogde dierlijke meststoffen;

(…)

f) alle op het bedrijf geproduceerde meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen worden na biothermische droging overeenkomstig een met de exporteur gesloten overeenkomst volgens een door de minister daartoe vastgesteld model, rechtstreeks en zonder tussenkomst van anderen afgeleverd aan de exporteur, hetgeen aannemelijk wordt gemaakt met de gegevens, bescheiden en bewijsstukken, bedoeld in paragraaf 3 van het Besluit administratieve verplichtingen Meststoffenwet;

(…)

3. De ontheffing wordt voor een periode van 7 jaren verleend welke periode aanvangt met het tijdstip waarop aan alle voorschriften, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan.

(…)

Artikel 5

De overeenkomst, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel f, verplicht de exporteur ertoe om:

(…)

Artikel 9

(…)

2. Zodra de producent aan alle voorschriften van artikel 4, eerste lid, voldoet, geeft hij hiervan kennis aan het bureau onder overlegging van een afschrift van het certificaat, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel d, en de overeenkomst, bedoeld in artikel 5."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellanten zijn pluimveehouders die deelnemen aan het beleidsexperiment "het Zuivere Ei".

- Bij brieven van 5 november 1998 is aan appellanten ontheffing van het uitbreidingsverbod van artikel 55 van de Mw verleend. In deze brieven is onder meer vermeld dat de periode waarin de ontheffing geldt, ingaat op het tijdstip waarop aan alle voorschriften als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Kaderregeling wordt voldaan, van welk tijdstip melding dient te worden gedaan aan Bureau Heffingen door middel van indiening van het zogenoemde "Meldingsformulier".

- Bij brief van 16 april 1999 heeft Agro Systems B.V. de benodigde documenten voor het verkrijgen van de definitieve ontheffing van het uitbreidingsverbod ex artikel 55 Mw aan verweerder doen toekomen.

Met betrekking tot de ontheffing voor appellant sub 2 waren bij deze brief gevoegd een meldingsformulier, een mestafzetovereenkomst en een goedkeuringscertificaat, alle gedateerd op 14 april 1998. Op het meldingsformulier was als begindatum van de ontheffing vermeld: 1 december 1998.

Met betrekking tot de ontheffing voor appellant sub 1 waren bij deze brief gevoegd een meldingsformulier en een mestafzetovereenkomst, beide gedateerd op 15 april 1999, alsmede een goedkeuringscertificaat gedateerd op 14 april 1999.

Op het meldingsformulier was als begindatum voor de ontheffing vermeld: 8 februari 1999.

- Bij brieven van 12 augustus 1999 heeft verweerder appellant sub 2 meegedeeld dat de periode waarin de ontheffing geldt, ingaat op 15 april 1999 en heeft verweerder appellant sub 1 meegedeeld dat de periode waarin de ontheffing geldt, ingaat op 16 april 1999. Verweerder heeft de ingangsdatum van genoemde ontheffingen gebaseerd op het door appellant sub 2 overgelegde goedkeuringscertificaat, gedateerd op 14 april 1999 en op de door appellant sub 1 overgelegde mestafzetovereenkomst, gedateerd op 15 april 1999.

- Appellanten hebben bij brieven van 20 september 1999 afzonderlijk bezwaar gemaakt tegen de brieven van verweerder van 12 augustus 1999.

- Bij besluiten van 19 januari 2000 heeft verweerder de bezwaarschriften niet-ontvankelijk verklaard.

- Appellanten hebben op 1 maart 2000 bij afzonderlijke beroepschriften tegen deze besluiten beroep ingesteld bij het College.

- Bij uitspraken van 21 mei 2002 heeft het College de beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en bepaald dat verweerder opnieuw op de bezwaren diende te beslissen met inachtneming van het in genoemde uitspraken overwogene.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

Het bestreden besluit met betrekking tot appellant sub 1 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in.

"Gelet op artikel 4, derde lid, Kaderregeling kan de ontheffing niet eerder ingaan dan het moment waarop aan alle voorwaarden is voldaan, in uw geval op 15 april 1999. De voor het ingaan van de ontheffing relevante documenten (het goedkeuringscertificaat en de 'Mestafzetovereenkomst Export') zijn immers pas op 14 resp. 15 april 1999 ondertekend.

(…)

Ten aanzien van uw stelling dat er begin 1999 nog discussie over het model voor de 'Mestafzetovereenkomst Export' was, merk ik op dat dit niet klopt. Het formulier is reeds op 16 oktober 1998 vastgesteld en enkele dagen later gepubliceerd in de Staatscourant. U had derhalve al in februari 1999 kunnen beschikken over de modelovereenkomst.

Ambtshalve kom ik tot de conclusie dat de ontheffing op 15 april 1999 dient in te gaan (…)"

Het bestreden besluit met betrekking tot appellant sub 2 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in.

"Gelet op artikel 4, derde lid, Kaderregeling kan de ontheffing niet eerder ingaan dan het moment waarop aan alle voorwaarden is voldaan, in uw geval 14 april 1999. De voor het ingaan van de ontheffing relevante documenten (het goedkeuringscertificaat en de 'Mestafzetoverenkomst Export') zijn immer pas op 14 april 1999 ondertekend.

(…)

Ambtshalve kom ik tot de conclusie dat de ontheffing op 14 april 1999 dient in te gaan (…)"

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter ondersteuning van het beroep - onder meer - aangevoerd dat de dag waarop de voor de ontheffingen van het verbod van artikel 55 van de Mw relevante documenten zijn ondertekend, niet bepalend mag zijn voor de ingangsdatum van die ontheffingen. Appellant sub 1 heeft in dat verband naar voren gebracht dat hij met ingang van 8 februari 1999 een mestafzetovereenkomst heeft gesloten met Agro Limburg B.V. en dat de biothermische droogunit ook vanaf die datum in zijn bedrijf operationeel is. Appellant sub 1 is van mening dat, nu hij vanaf 8 februari 1999 overeenkomstig de voorschriften van de Kaderregeling handelt, de ontheffing vanaf die datum behoort in te gaan.

Appellant sub 2 heeft eveneens gesteld dat hij reeds eerder, namelijk vanaf 1 december 1998 overeenkomstig de voorwaarden van de Kaderregeling handelt, zodat zijn ontheffing vanaf 1 december 1998 behoort in te gaan.

Appellanten menen dat het feit dat het model mestafzetovereenkomst eerst op een later moment is ondertekend, niet aan hen mag worden verweten. Weliswaar is bedoeld model op 29 oktober 1998 in de Staatscourant gepubliceerd doch op dat moment waren de aanvullende voorwaarden die door Agro Limburg B.V. te Roermond met de aan het experiment deelnemende pluimveehouders waren afgesproken en die onlosmakelijk met de mestafzetovereenkomst verbonden zijn, nog niet door verweerder getoetst. Eerst medio april 1999 is Agro Limburg B.V., desgevraagd, door de directie Zuid van verweerders ministerie meegedeeld dat, indien er geen reactie komt op ter toetsing toegezonden aanvullende voorwaarden, deze waarschijnlijk akkoord bevonden worden. Na die mededeling hebben partijen de mestafzetovereenkomsten ondertekend.

Artikel 4, lid 3, van de Kaderregeling dwingt, zo stellen appellanten, ook niet tot het standpunt dat de ingangsdatum bepaald wordt door het moment waarop documenten op schrift gesteld zijn. Bij de technische oplevering van de installatie gaat het om de controle of de installatie aan de technische kwaliteitseisen voldoet. Dat controlemoment, ofwel de dag waarop een biothermische droogunit wordt opgeleverd, is het voor de ingangsdatum van de ontheffing relevante moment, aldus appellanten.

5. De beoordeling van het geschil

Het College ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder terecht de ingangsdatum van de onderhavige ontheffingen op respectievelijk 15 april 1999 en 14 april 1999 heeft vastgesteld. Het College beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Op grond van artikel 4, derde lid, van de Kaderregeling gaat een ontheffing als hier aan de orde, in op het tijdstip dat aan alle voorschriften van artikel 4, eerste lid, wordt voldaan. Tot de voorwaarden van artikel 4, eerste lid, behoort de onder f gestelde voorwaarde dat met de exporteur een overeenkomst volgens een door de minister daartoe vastgesteld model wordt afgesloten met betrekking tot de rechtstreeks en zonder tussenkomst van anderen aan de exporteur te leveren meststoffen. Op bedoeld model voor de af te sluiten overeenkomst - de zogenoemde Mestafzetovereenkomst Export - wordt er onder het kopje 'Toelichting' op gewezen dat één van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de Kaderregeling is dat een mestafzetovereenkomst wordt afgesloten met Agro Limburg B.V. te Roermond. In de marge naast de toelichting is vermeld dat het formulier volledig ingevuld en ondertekend aan verweerder dient te worden teruggestuurd.

Appellanten hebben op 16 april 1999 aan verweerder mestafzetovereenkomsten export doen toekomen die op respectievelijk 15 en 14 april 1999 zijn ondertekend. Gelet op artikel 4, derde lid, van de Kaderregeling en de hiervoor aangehaalde toelichting op het model met de daarbij in de marge vermelde opdracht, heeft verweerder zich naar het oordeel van het College terecht op het standpunt gesteld dat eerst door de ondertekening van de mestafzetovereenkomsten export op respectievelijk 15 en 14 april 1999 overeenkomsten in de krachtens de regeling vereiste vorm tot stand zijn gekomen en dat vanaf dat moment aan de voorwaarde van artikel 4, derde lid, onder f , van de Kaderregeling is voldaan. Dat de biothermische droogunits op de bedrijven van appellanten reeds eerder operationeel waren, maakt dit niet anders.

Het vorenstaande leidt het College tot de conclusie dat verweerder op goede gronden de ingangsdata van de ontheffingen op respectievelijk 15 en 14 april 1999 heeft vastgesteld. Derhalve dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. M.A. Fierstra en mr. B. Hessel in tegenwoordigheid van mr. M.J. van den Broek-Prins, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2003.

w.g. H.C. Cusell w.g. M.J. van den Broek-Prins