Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF7159

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-04-2003
Datum publicatie
11-04-2003
Zaaknummer
AWB 02/655
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/655 3 april 2003

20010 Wet op de registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

A, wonende te X, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op 18 februari 2002,

gemachtigde: mr. L.M. Graal, advocaat te Amsterdam.

1. De procedure

Bij brief van 14 februari 2001 hebben K en L, wonende respectievelijk gevestigd te Y, bij de raad van tucht een klacht ingediend tegen appellant.

Bij beslissing van 18 februari 2002, op diezelfde dag verzonden, heeft de raad van tucht de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en appellant de maatregel van schriftelijke berisping opgelegd.

Op 18 april 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep is ingesteld tegen voormelde beslissing van de raad van tucht.

Bij brief van 12 juni 2002 hebben K en L gereageerd op het in het beroepschrift gestelde.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2003. Aldaar waren aanwezig mr. Graal en K, die ter zitting niet mede optrad namens L.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en appellant de maatregel van schriftelijke berisping opgelegd.

Terzake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van de klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

Op de grief van appellant tegen de feitenvaststelling door de raad van tucht zal het College ingaan bij de beoordeling van het beroep.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 De eerste grief van appellant richt zich tegen § 3.6 van de bestreden tuchtbeslissing.

Volgens appellant heeft de raad van tucht ten onrechte als vaststaande feiten aangemerkt (a) dat betrokkene zonder overleg met K en L twee schriftelijke rapportages aan P heeft uitgebracht en (b) dat deze rapportages eerst op 28 september 2000 aan K en L ter hand zijn gesteld.

Het betreft de rapportages van 1 mei 2000 en 5 juni 2000 van appellant aan P.

3.1.1 Naar het oordeel van het College dient de zinsnede "zonder overleg" uit § 3.6 van de bestreden tuchtbeslissing te worden gelezen als "zonder overleg over (de inhoud van) de rapportages van 1 mei 2000 en 5 juni 2000". Zoals ook blijkt uit het klaagschrift en het verhandelde ter zitting van de raad van tucht, gaat het er K en L om dat appellant zonder overleg met en medeweten van hen schriftelijk aan P heeft gerapporteerd. Oorspronkelijk klagers hebben niet gesteld dat in het geheel geen overleg heeft plaatsgevonden in de periode waarin appellant betrokken was bij L.

Het College stelt vast dat appellant niet betwist dat hij niet met K en L heeft gesproken over (de inhoud van) de rapportages van 1 mei 2000 en 5 juni 2000, voordat hij deze, door tussenkomst van zijn opdrachtgever, Q, aan P heeft uitgebracht.

Gelet hierop heeft de raad van tucht het in hierboven in § 3.1 onder (a) vermelde naar het oordeel van het College terecht als vaststaand feit aangemerkt. In zoverre faalt deze grief.

3.1.2 Anders dan appellant meent, kan uit de brief van 23 juni 2000 van P aan K naar het oordeel van het College niet zonder meer worden afgeleid dat (in ieder geval) de rapportage van 5 juni 2000 toen reeds aan K ter hand was gesteld. In de brief van 23 juni 2000 wordt weliswaar gerefereerd aan een bespreking van 6 juni 2000, waarbij volgens P de gemachtigde en de zoon van K aanwezig zijn geweest en waar is gesproken over de rapportage van 5 juni 2000, maar dit impliceert op zichzelf niet dat de rapportage toen ook aan de gemachtigde en/of de zoon van K ter hand is gesteld. Ook overigens is appellant er naar het oordeel van het College niet in geslaagd aan te tonen dat K en L eerder dan op 28 september 2000, de door hen genoemde datum, in het bezit zijn gekomen van meerbedoelde rapportages.

Ook dit onderdeel van de eerste grief faalt derhalve. Het College merkt in dit verband overigens op dat niet is gebleken dat de precieze datum waarop oorspronkelijk klagers, achteraf, kennis hebben genomen van bedoelde rapportages (mede) redengevend is geweest voor de gedeeltelijke gegrondverklaring van de klacht.

3.2 Als tweede grief heeft appellant aangevoerd dat de raad van tucht in § 5.7 van de bestreden tuchtbeslissing ten onrechte heeft overwogen (a) dat appellant onzorgvuldig heeft gehandeld door buiten K en L om geheime rapportages, die uitsluitend op K en L betrekking hadden, aan een derde uit te brengen en (b) dat ook de inhoud van deze rapportages, waarin onnodig diffamerende kwalificaties worden gebruikt, tuchtrechtelijk verwijtbaar is.

3.2.1 Bij de beoordeling van deze grief is allereerst van belang of appellant is opgetreden als (openbaar) accountant.

Het College stelt vast dat oorspronkelijk klagers geen beroep hebben ingesteld tegen de aan de orde zijnde tuchtbeslissing. Hieruit volgt dat de ongegrondverklaring van de klachtonderdelen a en i niet ter discussie staat en dat in beginsel eveneens moet worden uitgegaan van de juistheid van de aan deze ongegrondverklaring ten grondslag liggende overwegingen, daaronder begrepen het oordeel dat appellant bij L niet als accountant is opgetreden, maar als interim manager (paragrafen 5.1 en 5.5 van de tuchtbeslissing). Het College heeft geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen.

Hieruit volgt dat de hoofdstukken III en IV van de GBR-1994 niet van toepassing zijn op het handelen van appellant. Aan de orde is derhalve de vraag of appellant door zijn optreden de eer van de stand der registeraccountants heeft geschaad (artikel 5 GBR-1994).

3.2.2 Met betrekking tot de grief tegen het in § 3.2 onder (a) omschreven oordeel van de raad van tucht overweegt het College het volgende.

Naar het oordeel van het College kan niet als algemene zorgvuldigheidseis worden gesteld dat een registeraccountant die niet optreedt als accountant maar als interim manager, voordat hij - al dan niet rechtstreeks - rapporteert aan de kredietverstrekker van de instelling waar hij werkzaam is, de meest betrokken persoon of personen binnen die instelling in kennis stelt van de inhoud van de voorgenomen rapportage en hem/hen de gelegenheid biedt daarop te reageren. Aan de hand van de omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld of artikel 5 GBR-1994 een als interim manager optredende accountant ertoe verplicht evenbedoelde gelegenheid te bieden. Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat de meeste andere in de GBR-1994 vervatte normen, waaronder in het bijzonder ook artikel 11 GBR-1994, niet van toepassing zijn op een registeraccountant die niet optreedt als accountant maar als interim manager.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant, in ieder geval mede, tot taak had over de situatie bij L te rapporteren aan P; de vraag die partijen verdeeld houdt, is of appellant dat mede heeft mogen doen in de vorm van zijn rapportages van 1 mei 2000 en 5 juni 2000.

Naar het oordeel van het College had appellant als interim manager in beginsel de vrijheid zelf te bepalen op welke wijze hij rapport zou uitbrengen aan P, daaronder begrepen de keuze dit schriftelijk dan wel mondeling te doen. Gegeven de ten tijde hier van belang bestaande situatie, waarin P twijfelde aan de kredietwaardigheid van L en waarin P het van belang achtte hierover informatie te verkrijgen van iemand van buiten L, kan naar het oordeel van het College niet worden staande gehouden dat appellant gehouden was zijn bevindingen voorafgaand aan het uitbrengen van zijn rapportages aan K en L voor te leggen. Uit de gedingstukken blijkt ook niet dat was afgesproken of door oorspronkelijk klagers was bedongen dat zij voorafgaand kennis zouden mogen nemen van de inhoud van rapportages van appellant aan P (in welke vorm dan ook). Het College merkt in dit verband nog op dat in de aanhef van het rapport van 1 mei 2000, waar het oorspronkelijk klagers met name om te doen is, uitdrukkelijk is vermeld dat het een persoonlijk en vertrouwelijk stuk betreft. Hieruit blijkt dat appellant zich rekenschap heeft gegeven van het belang van oorspronkelijk klagers dat de rapportage niet algemeen bekend zou worden.

Dit onderdeel van de in § 3.2 van deze uitspraak omschreven grief treft derhalve doel.

3.2.3 Met betrekking tot de grief tegen in § 3.2 onder (b) omschreven oordeel van de raad van tucht overweegt het College het volgende.

Hoewel denkbaar was geweest dat appellant, met name in de in § 3.7 van de bestreden tuchtbeslissing weergegeven passages uit zijn rapportage van 1 mei 2000, zakelijker bewoordingen had gebruikt, ziet het College, anders dan de raad van tucht, in bedoelde onderdelen van het rapport van 1 mei 2000 geen grond voor tuchtrechtelijk ingrijpen. Ook in dit verband kan er naar het oordeel van het College niet aan worden voorbijgezien dat appellant niet als accountant is opgetreden, zodat aan zijn optreden minder vergaande zorgvuldigheidseisen kunnen worden gesteld dan indien meerbedoelde passages deel hadden uitgemaakt van een rapport van iemand die optreedt als accountant. Voorts is van belang dat het naar het oordeel van het College niet in de rede ligt te veronderstellen dat een meer zakelijke formulering van de kritiek van appellant op de gang van zaken binnen L en de rol binnen L van K P tot een ander oordeel over de kredietverstrekking zou hebben gebracht. Verder neemt het College ook in dit kader in aanmerking dat het rapport van 1 mei 2000 vertrouwelijk aan P ter hand is gesteld.

Resumerend acht het College de door appellant gebruikte bewoordingen wellicht minder gelukkig maar, gezien de context waarbinnen zij zijn gebezigd, niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

Wat betreft de kritiek van oorspronkelijk klagers op de inhoud van de rapportages, bijvoorbeeld de door appellant genoemde kosten van free lance-werkzaamheden, dient opnieuw voorop te worden gesteld dat appellant niet als accountant is opgetreden. Hieruit volgt dat artikel 11 GBR-1994 niet van toepassing is en dat appellant op de door hem genoemde cijfers geen accountantscontrole heeft toegepast. Gelet hierop is voor tuchtrechtelijk ingrijpen in beginsel slechts sprake in geval van grove onzorgvuldigheid. In de gedingstukken en het verhandelde ter zitting acht het College geen grond gelegen voor het oordeel dat hiervan sprake is geweest. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de bij het klaagschrift overgelegde rapportages van V en W grotendeels betrekking hebben op andere stukken dan het rapport van 1 mei 2000.

Ook laatstbedoeld onderdeel van de in § 3.2 van deze uitspraak omschreven grief treft derhalve doel.

3.3 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de in § 3.2 van deze uitspraak omschreven grief in beide onderdelen doel treft. Dit betekent dat het beroep gegrond is en dat de bestreden tuchtbeslissing moet worden vernietigd.

Het College acht termen aanwezig de zaak zelf af te doen. Uit het vorenoverwogene volgt dat de aan de orde zijnde gedraging van appellant naar het oordeel van het College geen schending oplevert van artikel 5 GBR-1994. Dit betekent dat de klacht in alle aan de orde zijnde onderdelen ongegrond moet worden verklaard.

Het vorenstaande leidt tot na te melden beslissing. Deze beslissing rust op titel II, § 6, van de Wet op de Registeraccountants en op artikel 5 GBR-1994.

4. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtbeslissing;

- verklaart de klacht ongegrond in alle aan de orde zijnde onderdelen.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, mr. J.A. Hagen en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 april 2003.

w.g. M.A. van der Ham w.g. B. van Velzen