Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF7153

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-03-2003
Datum publicatie
11-04-2003
Zaaknummer
AWB02/627
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet personenvervoer 2000 4
Wet personenvervoer 2000 9
Besluit personenvervoer 2000 28
Besluit personenvervoer 2000 125
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/627 26 maart 2003

14915 Wet personenvervoer 2000

EG-verklaring taxivervoer

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

gemachtigde: B, echtgenote van appellant,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigden: mr. W.E. van Haveren en mr. L. van der Vliet, beiden werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 16 april 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 5 maart 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het door appellant gemaakte bezwaar tegen de weigering hem een verklaring, als bedoeld in artikel 125 onder b van het Besluit personenvervoer 2000 af te geven.

Verweerder heeft op 7 juni 2002 een verweerschrift ingediend.

Op 12 februari 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000 (hierna: de Wet) is het verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe verleende vergunning. Artikel 9 van de Wet bepaalt, dat een dergelijke vergunning slechts verleend wordt aan een vervoerder, die voldoet aan eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid. Over die eisen kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld.

Ingevolge artikel 28 van het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: het Besluit) voldoet een vervoerder die taxivervoer verricht, aan de eis van vakbekwaamheid indien hij een door de Minister erkend getuigschrift van bepaalde met goed gevolg afgelegde examens over legt, dan wel een voor het beroep van vervoerder, die taxivervoer verricht afgegeven EG-verklaring als bedoeld in artikel 10 van de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen.

In artikel 125 van het Besluit wordt daaraan het volgende toegevoegd:

''Artikel 125

Tot 1 juli 2001, wordt, in afwijking van artikel 28, aan de eis van vakbekwaamheid voor het verrichten van taxivervoer voldaan indien:

a. een vervoerder die taxivervoer verricht bij de aanvraag van een vergunning voor het verrichten van taxivervoer ten genoegen van Onze Minister aantoont in de periode van 1 juli 1999 tot 1 december 1999 gemiddeld minimaal 30 uur per week per auto taxivervoer te hebben verricht (…) en

b. voor 1 juli 2001 aan artikel 28, eerste lid, wordt voldaan, dan wel voor die datum, blijkens een door Onze Minister afgegeven verklaring wordt aangetoond dat een persoon als bedoeld in artikel 26, de laatste 5 jaar belast is geweest met het dagelijks beheer van een onderneming met als hoofdactiviteit taxivervoer krachtens een geldige vergunning."

In de Nota van Toelichting (Stb. 2000, 563) is vermeld dat artikel 125 is overgenomen van artikel IV van het Besluit van 16 december 1999 tot wijziging van het Besluit personenvervoer (Stb. 1999, 560). Dit artikel IV luidt:

''1. Artikel 28a, vierde lid, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing tot 1 juli 2001, met dien verstande dat in dat artikel voor zes jaar moet worden gelezen: vijf jaar.

2. In afwijking van artikel 28a, tweede lid, van het Besluit personenvervoer, wordt aan de eis van vakbekwaamheid voldaan indien:

a. een vervoerder die taxivervoer verricht bij de aanvraag van een vergunning ten genoegen van Onze Minister aantoont in de periode van 1 juli 1999 tot 1 december 1999 gemiddeld minimaal 30 uur per week per auto taxivervoer te hebben verricht, waarbij is voldaan aan de eisen, gesteld bij of krachtens de artikelen 62 en 63 van de Wet personenvervoer en artikel 159 van het Besluit personenvervoer, zoals deze golden tot aan de inwerkingtreding van dit besluit; en,

b. voor 1 juli 2001 aan artikel 28a, tweede lid, van het Besluit personenvervoer wordt voldaan."

Artikel 28a, van het vervallen Besluit personenvervoer, luidde van 3 november 1999 tot en met 31 december 1999, voorzover hier van belang:

''2. Ter voldoening aan de eis van vakbekwaamheid voor het verrichten van taxivervoer wordt de overlegging vereist van een EG-verklaring taxivervoer.

(…)

4. Onze Minister verstrekt een EG-verklaring taxivervoer indien ten genoege van Onze Minister wordt aangetoond dat een persoon als bedoeld in artikel 27 de laatste zes jaar belast is geweest met het dagelijks beheer van een onderneming met als hoofdactiviteit taxivervoer.''

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 12 augustus 2000 heeft appellant verzocht om een verklaring van vakbekwaamheid op grond van vijf jaar praktijkervaring - Appellant heeft hierbij aangegeven van 15 oktober 1990 tot 6 februari 1993 vennoot te zijn geweest van WA Taxi 382 en van 3 januari 1997 tot het tijdstip van indiening van het verzoek vennoot te zijn van VOF Taxi 374. Als reden voor de onderbreking van zijn werkzaamheden als taxiondernemer heeft appellant langdurige arbeidsongeschiktheid opgegeven.

- Bij brief van 3 februari 2001 heeft verweerder appellant medegedeeld dat niet kan worden vastgesteld dat appellant gedurende de wettelijk vereiste periode permanent en daadwerkelijk belast is geweest met het dagelijks beheer van een onderneming met als hoofdactiviteit het krachtens een geldige vergunning verrichten van taxi-vervoer. Appellant is verzocht om de op de bijlage bij deze brief aangekruiste documenten en bewijsstukken toe te sturen. Aangekruist is onder meer punt 17 waarin is vermeld:

''Om in aanmerking te komen voor een EG- verklaring dient u gegevens te overleggen van de afgelopen 5 jaar. Graag zou ik nog gegevens van u ontvangen over 1996 waaruit blijkt dat u leidinggevende ervaring hebt opgedaan in een taxionderneming met geldige vergunning.''

- Bij brief van 19 maart 2001 heeft appellant nadere stukken toegezonden. Ten aanzien van het verzoek onder punt 17 heeft appellant verwezen naar verweerders website met de opmerking dat daarin slechts vijf jaar wordt vermeld en dus niet de laatste vijf jaar.

- Bij besluit van 23 maart 2001 heeft verweerder de aanvraag om een verklaring (door hem aangeduid als: EG-verklaring) afgewezen op de grond dat appellant niet heeft aangetoond de laatste 5 jaar belast te zijn geweest met het dagelijks beheer van een onderneming met als hoofdactiviteit taxivervoer krachtens een geldige vergunning.

- Bij brief van 2 mei 2001 heeft appellant tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Bij brieven van 29 en 30 mei 2001 heeft appellant nadere gronden voor het bezwaarschrift ingediend.

- Op 18 oktober 2001 heeft een hoorzitting plaatsgevonden waar appellant zijn standpunt heeft toegelicht.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in:

''Tijdens de naar aanleiding van dit bezwaarschrift gehouden hoorzitting heeft A verklaard dat hij niet in staat is om, al dan niet met overlegging van stukken, aan te tonen dat door hem de laatste vijf jaar een taxionderneming werd uitgeoefend. A verklaarde tijdens die hoorzitting zulks wel te kunnen aantonen vanaf 3 januari 1997. Voorts verklaarde A het in beginsel eens te zijn met de motivering van het bestreden besluit.

In het bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting is door u gerefereerd aan voorschriften inzake historische vakbekwaamheid uit de inmiddels vervallen Wet personenvervoer, waarbij u in het bijzonder doelt op het vereiste dat de periode van leiding geven aan een taxionderneming onder het oude regime niet aaneengesloten behoefde te zijn. Aangezien deze bepalingen inmiddels zijn vervallen, kan hier noch rechtstreeks noch door middel van overgangsrecht met vrucht een beroep op worden gedaan.

(…)

Nu noch door u, noch door appellant tijdens de gehouden hoorzitting is aangetoond dat vijf jaar leiding is gegeven aan een vervoeronderneming met een vergunning voor het verrichten van personenvervoer, besluit ik hierbij dan ook uw op 2 mei 2001 ingediende bezwaarschrift, (…) ongegrond te verklaren.''

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

In de door appellant ontvangen informatie betreffende de historische vakbekwaamheid wordt niet gesproken over een aaneengesloten periode van 5 jaar. In dit verband wordt verwezen naar een brief van september 1999 van OLT AZAM, waarbij appellant is geïnformeerd over wijzigingen betreffende de historische vakbekwaamheid. Hierin is vermeld dat de aanvrager zal moeten aantonen minstens 5 jaar (dit was 6 jaar) legaal als taxiondernemer werkzaam te zijn. Voorts is gewezen op de door verweerder verstrekte informatie, te weten een brief van 26 maart 1999, een brochure van oktober 1999 en een brief van 22 december 2000. Hierin is vermeld dat historische vakbekwaamheid kan worden verkregen indien vóór 1 juli 2000 aangetoond kan worden dat men vijf jaar of meer ervaring heeft in het leidinggeven aan een taxionderneming.

Blijkens een brief van ex-bestuurslid OLT AZAM de heer C van 30 mei 2001, zou aan appellant onder het oude recht een verklaring van historische vakbekwaamheid zijn verleend. Ten tijde van de aanvraag was appellant namelijk zes jaar taxiondernemer geweest en wel in de periode voorafgaande aan 1 januari 2000. Deze periode van zes jaar hoefde volgens de heer C niet aaneengesloten te zijn.

Daarnaast blijkt ook uit de toelichting op het besluit van 25 februari 1998, houdende wijziging van het (thans vervallen) Besluit personenvervoer, dat onder historische vakbekwaamheid werd verstaan de vakbekwaamheid die werd verkregen, indien kon worden aangetoond dat zes (later gewijzigd in vijf) jaar leiding is gegeven aan een vervoersonderneming met een vergunning.

Tot slot is appellant ongelijk behandeld nu collega's voor 1 januari 2000 wél hun historische vakbekwaamheid hebben verkregen ondanks een onderbreking.

5. De beoordeling van het geschil

In geschil is of verweerder terecht appellant een verklaring als bedoeld in artikel 125 onder b van het Besluit heeft geweigerd. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt hiertoe als volgt.

Artikel 125 van het Besluit bevat een in de tijd beperkte overgangsbepaling in afwijking van de regel van artikel 28 van het Besluit en behoort derhalve strikt te worden uitgelegd. Gezien deze strekking en zijn bewoording "de laatste vijf jaar" dient artikel 125 aldus te worden uitgelegd dat de praktijkervaring in een aaneengesloten periode van vijf jaar, die aansluit op de datum van 1 juli 2001, is opgedaan. Aan de werking van deze bepalingen kan de voorlichting niet afdoen, waar appellant een beroep heeft gedaan en waarin minder duidelijk is aangegeven dat sprake moet zijn van een aaneengesloten periode van 5 jaar; deze voorlichting heeft een zuiver informatief karakter waar appellant geen rechten aan kan ontlenen.

Derhalve had appellant om te voldoen aan het bepaalde in artikel 125 van het Besluit moeten aantonen dat hij vanaf 1 juli 1996 belast is geweest met het dagelijks beheer van een onderneming met als hoofdactiviteit taxivervoer krachtens een geldige vergunning. Blijkens de beschikbare gegevens is appellant vanaf 3 januari 1997 belast met dagelijks beheer als bedoeld. Derhalve voldoet appellant niet aan de voorwaarde, gesteld in artikel 125 van het Besluit.

Het betoog van appellant dat ingevolge de oude regelgeving aan appellant wel een verklaring van historische vakbekwaamheid zou zijn verleend op de grond dat appellant

6 jaar werkzaam is geweest als taxiondernemer, kan niet tot het door appellant gewenste resultaat leiden, reeds niet nu bedoelde regelgeving niet meer van toepassing is. Overigens blijkt uit artikel 28a van het vervallen Besluit personenvervoer dat het ook hier ging om een aaneengesloten periode (van 6 jaar).

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan evenmin slagen omdat appellant geen concrete gevallen en namen heeft genoemd, en voorts niet valt in te zien waarom verweerder een onjuiste toepassing van een wettelijke regeling verplicht zou zijn voort te zetten.

Gelet op vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. M.J. Kuiper en mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2003.

w.g. C.M. Wolters w.g. M.H. Vazquez Muñoz