Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF7150

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-03-2003
Datum publicatie
11-04-2003
Zaaknummer
AWB 03/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Elektriciteitswet 1998 7
Elektriciteitswet 1998 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 03/1 28 maart 2003

18050 Elektriciteitswet 1998

Uitspraak in de zaak van:

de naamloze vennootschap E.ON Benelux Generation N.V., te Voorburg, appellante,

gemachtigden: mr. B.M. Winters, advocaat te Rotterdam en ir. J.J. Ververs,

tegen

de directeur van de Dienst uitvoering en toezicht energie (hierna: Dte), zetelend

te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigden: mr. A.S.M.L. Prompers en mr. J.M. van Gastel-Goudswaard, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 20 december 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 17 december 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het geven van een bindende aanwijzing op 1 juli 2002 door verweerder op grond van artikel 5, zesde lid, van de Electriciteitswet 1998 (hierna: de E-wet 1998) aan appellante om gegevens te verstrekken op grond van artikel 7, eerste lid, van de E-wet 1998, ongegrond verklaard en de bindende aanwijzing in stand gelaten.

Op 20 december 2002 heeft appellante twee verzoeken om voorlopige voorziening ingediend (de zaken onder de nrs. 03/2 en 03/3) strekkende tot schorsing van voormelde bindende aanwijzing en voormelde beslissing op bezwaar (zaak onder nr. 03/2) alsmede van de hierop gebaseerde last onder dwangsom van 17 december 2002 (zaak onder

nr. 03/3), welke verzoeken na onderzoek ter zitting op 16 januari 2003 door appellante op 24 januari 2003 zijn ingetrokken.

Verweerder heeft op 14 februari 2003 een verweerschrift ingediend.

Op 5 maart 2003 heeft in deze zaak het onderzoek ter zitting plaats gevonden, waarbij partijen hun standpunten nader hebben doen toelichten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 13 van Richtlijn 96/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van

19 december 1996 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (hierna: de Electriciteitsrichtlijn) luidt als volgt:

"Artikel 13

De Lid-Staten of de bevoegde instantie die zij aanwijzen, alsmede de in artikel 20, lid 3, bedoelde instantie voor geschillenregeling hebben toegang tot de boekhouding van de produktie-, transmissie- en distributiemaatschappijen, voor zover de raadpleging daarvan nodig is voor de door hen uit te voeren controles."

De E-wet 1998 bevat onder meer de volgende bepalingen:

"Artikel 5

1. Er is een Dienst uitvoering en toezicht energie, die als kamer deel uitmaakt van de Nederlandse mededingingsautoriteit.

2. Aan het hoofd van de dienst staat een directeur.

3. De dienst heeft tot taak werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de uitvoering van deze wet alsmede van het toezicht op de naleving van deze wet, met uitzondering van paragraaf 1a van hoofdstuk 8.

4. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van paragraaf 1a van hoofdstuk 8, zijn belast de bij besluit van de directeur van de dienst aangewezen ambtenaren van de dienst.

5. Van een besluit als bedoeld in het vierde wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

6. De directeur van de dienst kan bindende aanwijzingen geven in verband met de naleving van deze wet.

Artikel 5a

1. In geval van overtreding van het gestelde bij of krachtens de artikel 5, zesde lid, 36 of 37 kan de directeur van de dienst bij beschikking een last onder dwangsom opleggen. De directeur van de dienst kan een last onder dwangsom wijzigen of intrekken.

2. Een last onder dwangsom strekt er toe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel herhaling van de overtreding te voorkomen.

(…)

Artikel 7

1. De directeur van de dienst kan van een producent, een leverancier, een handelaar of een netbeheerder de gegevens en inlichtingen verlangen die hij nodig heeft voor uitvoering van de hem in deze wet en de Gaswet opgedragen taken.

2. Degene aan wie een verzoek is gedaan om gegevens en inlichtingen te verstrekken, is verplicht binnen de door de directeur van de dienst gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.

3. Gegevens of inlichtingen omtrent een producent, een leverancier, een handelaar of een netbeheerder, welke in verband met enige werkzaamheid ten behoeve van de uitvoering van deze wet en de Gaswet zijn verkregen, mogen uitsluitend voor de toepassing van deze wet, onderscheidenlijk de Gaswet, worden gebruikt.

Artikel 26

1. De directeur van de dienst kan op aanvraag besluiten dat capaciteit voor het transport van electriciteit tot een door hem te bepalen omvang en voor een door hem te bepalen tijdsduur bij voorrang wordt bestemd voor door hem aan te geven verzoekers om transport van elektriciteit, indien

a. de aanvraag betrekking heeft op een landsgrensoverschrijdend net als bedoeld in artikel 16, zesde lid, of

b. het bij voorrang bestemmen van capaciteit voor het transport van elektriciteit bijdraagt aan een goede marktwerking op de elektriciteitsmarkt.

2. Bij het nemen van he besluit, bedoeld in het eerste lid, kan de directeur van de dienst voorwaarden en tarieven voor het transport van elektriciteit vaststellen die afwijken van de voorwaarden en tarieven, vastgesteld op grond van de artikelen 36 en 41.

3. De directeur van de dienst neemt het besluit, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, met inachtneming van het belang dat landsgrensoverschrijdende netten op een economisch verantwoorde wijze worden aangelegd en geëxploiteerd, van het belang dat derden eveneens toegang hebben tot het desbetreffende landsgrensoverschrijdende net en van het belang dat het landsgrensoverschrijdende handelsverkeer wordt bevorderd.

4. Het besluit, bedoeld in het eerste lid, mag niet het gevolg hebben dat de hoeveelheid capaciteit die de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet reserveert om noodzakelijk transport van elektriciteit in het kader van onderlinge hulp en bijstand ten behoeve van de instandhouding van de integriteit van de netten te kunnen uitvoeren of de hoeveelheid capaciteit die wordt toegewezen op grond van artikel 13 van de Overgangswet elektriciteitsproductiesector, wordt beperkt.

(…)

Artikel 36

1. De directeur van de dienst stelt de tariefstructuren en voorwaarden vast met inachtneming van:

a. het voorstel van de gezamenlijke netbeheerders als bedoeld in artikel 27, 31 of 32 en de resultaten van het overleg, bedoeld in artikel 33, eerste lid,

b. het belang van het betrouwbaar, duurzaam, doelmatig en milieuhygiënisch verantwoord functioneren van de elektrictieitsvoorziening,

c. het belang van de bevordering van de ontwikkeling van het handelsverkeer op de elektriciteitsmarkt,

d. het belang van de bevordering van het doelmatig handelen van afnemers en

e. het belang van een goede kwaliteit van de dienstverlening van netbeheerders.

2. De directeur van de dienst stelt de voorwaarden niet vast dan nadat hij zich met inachtneming van artikel 7, tweede lid, van de richtlijn ervan vergewist heeft dat de voorwaarden de interoperabiliteit van de netten garanderen en objectief en niet discriminerend zijn, alsmede voor zover dat op grond van de notificatierichtlijn noodzakelijk is, aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen in ontwerp zijn meegedeeld en de van toepassing zijnde termijnen, bedoeld in artikel 9 van de notificatierichtlijn, zijn verstreken.

(…)

Artikel 65

1. Indien naar het oordeel van de directeur van de dienst uit de gegevens, bedoeld in artikel 64, of anderszins blijkt dat een vergunninghouder in onvoldoende mate of op ondoelmatige wijze kan of zal kunnen voorzien in de levering van elektriciteit aan de beschermde afnemers meldt hij zulks aan Onze Minister.

2. Nadat hij een melding heeft ontvangen, kan Onze Minister aan de desbetreffende vergunninghouder opdragen voorzieningen te treffen teneinde zeker te stellen dat de levering van elektriciteit aan de desbetreffende beschermde afnemers in voldoende mate of op doelmatige wijze plaatsvindt met inachtneming van het bij of krachtens deze wet bepaalde.

3. De voorzieningen kunnen mede inhouden dat aan de beschermde afnemers bij voorrang elektriciteit wordt geleverd.

4. De staat is niet aansprakelijkheid voor de kosten of de schade verbonden aan de uitvoering van de opdracht tot het treffen van voorzieningen.

Artikel 78

1. Onze Minister kan van een producent, een leverancier, een handelaar of een netbeheerder de gegevens en inlichtingen verlangen die hij nodig heeft voor de uitvoering van deze wet.

2. Degene aan wie een verzoek is gedaan om gegevens en inlichtingen te verstrekken, is verplicht binnen de door Onze Minister gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.

3. Onze Minister gebruikt gegevens of inlichtingen omtrent een producent, een leverancier, een handelaar of een netbeheerder, welke hij heeft verkregen in verband met enige werkzaamheid ten behoeve van de uitvoering van een van zijn taken, uitsluitend voor de uitvoering van die taak.

Artikel 86

1. Een producent of een leverancier, niet zijnde een vergunninghouder, is verplicht een afzonderlijke boekhouding te voeren voor onderscheidenlijk de productie van elektriciteit met behulp van zijn installaties en de levering van elektriciteit aan afnemers, niet zijn beschermde afnemers. Indien de producent of leverancier andere activiteiten verricht dan die welke verband houden met de productie of de leverang van elektriciteit, voert hij daarvoor eveneens, al dan niet op geconsolideerde basis, een afzonderlijke boekhouding.

2. Artikel 43, tweede tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing op de boekhouding en de jaarrekening van de producent of leverancier.

(…)"

2.2 Op grond van de stukken, waaronder de stukken in de zaken onder de nrs. 03/2 en 03/3, en het verhandelde ter zitting staan de volgende feiten en omstandigheden vast.

- In de periode tussen 22 juni 2001 en 5 juli 2001 hebben zich sterke fluctuaties voorgedaan op de spotmarkt van de Amsterdamse Power Exchange (hierna: de APX). In deze periode is de prijs voor een zogenoemd piekuur, welke normaliter ligt tussen de 30 en 45 euro per megawatt uur, sterk gestegen; op sommige dagen zelfs tot 1200 euro per megawatt uur.

- Appellante is onderdeel van een concern dat diverse functies op de elektriciteitsmarkt vervult; appellante zelf is producent van electriciteit.

- Bij brief van 21 december 2001 heeft onder andere verweerder aan E.ON Benelux B.V. en aan appellante verzocht om voor 9 januari 2002 alle gegevens gevraagd bij brieven van 28 augustus 2001 en 6 september 2001 aan verweerder te verstrekken.

- Aan dit verzoek is niet geheel gevolg gegeven. Niet verstrekt werden de gevraagde gegevens betreffende de kostenstructuur van appellante.

- Op 1 juli 2002 heeft verweerder aan appellante een bindende aanwijzing gegeven, inhoudende dat de gevraagde gegevens alsnog dienden te worden verstrekt.

- Tegen de haar betreffende bindende aanwijzing is door appellante bij brief van 26 juli 2002 bezwaar gemaakt.

- Bij besluit van 17 december 2002 heeft verweerder de bindende aanwijzing aan appellante van 1 juli 2002 in stand gelaten. Tegen dit besluit keert het onderhavige beroep zich.

- Eveneens bij besluit van 17 december 2002 heeft verweerder aan appellante wegens het niet naleven van de bindende aanwijzing een last onder dwangsom opgelegd, welk besluit is gewijzigd bij besluit van 19 december 2002.

- Bij brief van 20 december 2002 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

In het bestreden besluit heeft verweerder - kort en zakelijk weergegeven - zijn besluit tot handhaving van de bindende aanwijzing als volgt gemotiveerd.

Op grond van artikel 7, eerste lid, van de E-wet 1998 kan de directeur Dte van een producent de gegevens en inlichtingen verlangen die hij nodig heeft voor uitvoering van de hem bij deze wet opgedragen taken. Ingevolge artikel 5, derde lid, van de E-wet 1998 heeft de Dte de taak werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de uitvoering van deze wet alsmede van het toezicht op de naleving van deze wet, met uitzondering van paragraaf 1a van hoofdstuk 8. Derhalve kan de directeur Dte gegevens en inlichtingen verlangen die hij nodig heeft voor de uitvoering van werkzaamheden van de Dte ten behoeve van de E-wet 1998 en ook de gegevens en inlichtingen die hij nodig heeft voor het toezicht op de naleving van de E-wet 1998. Naast uitvoering van bepaalde werkzaamheden behoort het toezicht op de naleving van vrijwel de gehele wet tot de taak van de Dte. De bevoegdheid als opgenomen in paragraaf 1a van hoofdstuk 8, welke hier niet aan de orde is, is gemandateerd aan de directeur Dte. De in artikel 5, zesde lid, van de E-wet 1998 opgenomen bevoegdheid van de directeur Dte om bindende aanwijzingen te geven is derhalve niet beperkt tot aan de Dte opgedragen werkzaamheden maar betreft het hele toezicht op de naleving van de E-wet 1998.

De E-wet 1998 kent de directeur Dte een aantal taken toe op het gebied van uitvoering, regelgeving en toezicht. De E-wet 1998 geeft hem naast de bevoegdheden die toezichthouders op grond van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) reeds toekomen in artikel 7, eerste lid, van de E-wet-1998 de bevoegdheid gegevens en inlichtingen te vragen. Deze bevoegdheid is geen uitzondering op een door appellante veronderstelde hoofdregel dat bedrijfsvertrouwelijke gegevens niet mogen worden ingezien. De bevoegdheid tot het vragen van gegevens en inlichtingen dient ruim te worden uitgelegd. Voldoende is dat redelijkerwijs kan worden verondersteld dat deze gegevens bijdragen aan de beantwoording van de vraag of bij een bepaald incident de taken van de directeur Dte in het geding zijn.

De mogelijke oorzaken van de fluctuaties van prijzen op de spotmarkt hebben raakvlakken met diverse bevoegdheden die in de E-wet 1998 aan de directeur Dte zijn toegekend op het gebied van regelgeving, uitvoering en toezicht. Het belang van een onderzoek naar de oorzaak van deze fluctuaties is onder meer gelegen in de taak die de directeur Dte heeft ter bevordering van de structuur van de elektriciteitsmarkt zoals deze blijkt uit de artikelen 26 en 36 van de E-wet 1998. De extreme prijsfluctuaties zouden het gevolg kunnen zijn van een lacune in de tarievencode of van het niet naleven van de E-wet 1998 door producenten. In beide gevallen rust een taak op de (directeur) Dte. Het vaststellen van codes behoort tot de taken van de directeur Dte. In codes worden onder meer regels gesteld ten aanzien van de transportcapaciteit op het landsoverschrijdende net die is verkregen op de dagveiling. Elektriciteit verkregen op de dagveiling dient te worden verhandeld op de spotmarkt. De directeur Dte heeft op grond van artikel 36 van de E-wet 1998 de bevoegdheid tot het opstellen van tariefstructuren en voorwaarden. Hierbij dient hij het belang van een betrouwbare, duurzame en doelmatige elektriciteitsvoorziening in acht te nemen en de ontwikkeling van het handelsverkeer op de elektriciteitsmarkt te bevorderen. In het kader van de behartiging van deze belangen bij de totstandkoming van tot zijn bevoegdheid behorende regelgeving kan inzicht in de extreme prijsfluctuaties nodig zijn. Niet uitgesloten is dat overtreding van regelgeving de oorzaak is geweest van de extreme prijsfluctuaties. Hiermee zou een direct verband met de taak van de Dte op het gebied van toezicht op de naleving van de E-wet 1998 gegeven zijn.

Gelet op de raakvlakken tussen de fluctuaties op de spotmarkt en de taken van de directeur Dte biedt artikel 7, eerste lid, van de E-wet 1998 een voldoende wettelijke basis voor het opvragen van de gevraagde gegevens. Dat in de E-wet 1998 geen expliciete bevoegdheid is opgenomen die concreet is toegespitst op de gegevens met betrekking tot de kostenstructuur van elektriciteitsproducenten kan niet tot een ander oordeel leiden.

Niet kan worden volgehouden dat de bindende aanwijzing disproportioneel zou zijn nu de gevraagde gegevens noodzakelijk waren voor de uitoefening van de bevoegdheid van de directeur Dte en appellante voldoende tijd heeft gehad de gevraagde gegevens te verstrekken. Hierbij speelt een rol dat appellante via het concern waarvan zij deel uitmaakt geacht moet worden van meet af aan op de hoogte geweest te zijn van het vragen van de gewraakte gegevens. Het feit dat het niet nakomen van een bindende aanwijzing strafbaar is gesteld, maakt gebruikmaking van de bevoegdheid tot het geven van een bindende aanwijzing niet disproportioneel nu de wetgever dit gevolg aan niet nakoming van een bindende aanwijzing heeft verbonden en, gelet op de weigering van appellante de gevraagde gegevens te leveren, een minder ingrijpend alternatief ontbreekt.

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder hier nog het volgende aan toegevoegd.

Een bindende aanwijzing is een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Weliswaar is een aan appellante gericht verzoek om inlichtingen niet gericht op rechtsgevolg maar een bindende aanwijzing is dit wel. Met het geven van een bindende aanwijzing treedt immers een wijziging in de rechtspositie van appellante op, nu het geven van een bindende aanwijzing een constitutief vereiste is om over te gaan tot het opleggen van een last onder dwangsom.

Een bevoegdheidsverdeling tussen de dg Nma en de directeur Dte, volgens welke het opvragen van gegevens over de kostenstructuur van producenten de exclusieve bevoegdheid is van de dg Nma omdat deze kostenstructuur uitsluitend verband houdt met de vrije markt, is niet in de E-wet 1998 neergelegd. In de Memorie van Toelichting van de E-wet 1998 (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25 621, nr. 3, p. 6, 7) is aangegeven dat de verplichtingen in de E-wet 1998 moeten worden gezien als een verbijzondering van artikel 24 Mededingingswet. De werkzaamheden van de directeur Dte liggen aldus in het verlengde van de werkzaamheden van de dg Nma. De dg Nma en de directeur Dte hebben ieder hun eigen bevoegdheden ten aanzien van het opvragen van gegevens.

De directeur Dte heeft in dit geval gekozen voor toepassing van de specifieke bevoegdheid van de E-wet 1998; hij was niet gehouden bepalingen van afdeling 5.2 van de Awb toe te passen.

Onduidelijk is hoe beantwoording van de vraag of een onderneming valt onder de bescherming van artikel 8 EVRM, kan bijdragen tot beantwoording van de vraag tot hoever artikel 7, eerste lid, van de E-wet 1998 reikt. Zou een onderneming al onder de bescherming van artikel 8 EVRM vallen, dan is inbreuk op het in dit artikel genoemde grondrecht gerechtvaardigd indien voorzien bij de wet. De E-wet 1998 is zo'n wet.

Een toezichthouder is sterk afhankelijk van de gegevens die hij van marktpartijen krijgt. In alle wetten, waarin sectorspecifiek toezicht wordt geregeld, zijn dan ook algemene verplichtingen aan marktpartijen opgelegd om gegevens aan de toezichthouders te verstrekken. Het gaat in artikel 7, eerste lid, van de E-wet 1998 om een sectorspecifieke regulering in aanvulling op de Mededingingswet en Hoofdstuk 5 van de Awb.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

De aan appellante gegeven bindende aanwijzing is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, nu zij niet is gericht op enig rechtsgevolg. Door het geven van de bindende aanwijzing komt geen wijziging in de bestaande rechten en plichten van appellante. Voor het geven van de bindende aanwijzing bestaat voor appellante reeds de verplichting gegevens te verstrekken. Dat verweerder aan appellante na het geven van een bindende aanwijzing een last onder dwangsom kan opleggen, verandert niets in de rechtspositie van appellante.

De directeur Dte kan slechts inlichtingen vorderen in verband met hem op grond van de E-wet 1998 toekomende taken. De productie van elektriciteit behoort niet tot deze taken. De belangen genoemd in artikel 36 van de E-wet 1998 zien niet op de productie van elektriciteit. Het doorgronden van perioden van schaarste en het voorkomen hiervan door middel van wetgeving, behoort niet tot de taken van de directeur Dte.

De directeur Dte wenst een toezicht uit te oefenen op een groter deel van de elektriciteitsmarkt dan het deel dat de wetgever de Dte toebedacht heeft. Appellante is als producent actief op de vrije markt. Wanneer het daar werkende systeem van vraag en aanbod niet werkt, is het aan de Nma om toezicht uit te oefenen op grond van de Mededingingswet. Aan de Dte komt de primaire taak toe om toe te zien op de door de E-wet 1998 gereguleerde monopolies, de netten. Niet valt in te zien hoe de kostenstructuur van een producent als appellante van belang is voor de voorzieningszekerheid van vergunninghouders die leveren aan de beschermde afnemers, of voor de reservering van transportcapaciteit voor onderlinge hulp en bijstand. In de markt voor productie van elektriciteit kunnen ook nog andere toezichthouders een rol spelen, de directeur Dte is niet de hoeder van de gehele elektriciteitsmarkt. In de E-wet 1998 is het toezicht opgedragen aan de Dte, niet aan de directeur Dte. Aan de toezichthoudende taak van de Dte kan de directeur Dte niet de bevoegdheid ontlenen tot het geven van bindende aanwijzingen.

De bevoegdheid als neergelegd in artikel 7, eerste lid, van de E-wet 1998 moet strikt worden geïnterpreteerd Voor bedrijfsvertrouwelijke gegevens geldt de hoofdregel dat deze gegevens door niemand mogen worden ingezien. Aan deze hoofdregel kan slechts worden gederogeerd op grond van een expliciete wettelijke grondslag. De bevoegdheid van een overheidsorgaan om gegevens op te vragen moet restrictief worden uitgelegd, zoals blijkt uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ten aanzien van artikel 8 EVRM. Op grond van artikel 8 EVRM dienen burgers (en tevens ondernemingen) verschoond te blijven van inmenging door de overheid. In Nederland heeft de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage in een uitspraak van 19 juli 1996 geoordeeld dat onder omstandigheden de bescherming van bedrijfsgegevens op een lijn moet worden gesteld met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De inmenging van de overheid moet noodzakelijk en proportioneel zijn. Dit wijst in de richting van een strikte interpretatie van artikel 7, eerste lid, van de E-wet 1998. Artikel 7, tweede lid, van de E-wet 1998 wijst in gelijke richting nu slechts de medewerking verleend dient te worden die redelijkerwijs gevorderd kan worden.

5. De beoordeling van het geschil

De E-wet 1998 kent een gelaagd systeem van bestuursrechtelijke handhaving.

In artikel 5a van de E-wet 1998 is aan de directeur Dte de bevoegdheid gegeven een dwangsom op te leggen als - kort gezegd - een bindende aanwijzing niet is opgevolgd dan wel een tariefstructuur of voorwaarde, tot stand gekomen ingevolge het bepaalde in de artikelen 36 en 37, geschonden wordt.

Deze bepaling leidt ertoe dat de directeur een verplichting eerst neer moet leggen in een bindende aanwijzing dan wel een code, als handhaving daarvan middels een dwangsom gewenst geacht wordt.

Artikel 5, zesde lid, van de E-wet 1998 geeft aan de directeur Dte de bevoegdheid bindende aanwijzing te geven in verband met de naleving van de wet. Een dergelijke aanwijzing strekt ertoe om degene tot wie zij zich richt een verplichting op grond van de wet op te leggen dan wel de aard en omvang van een reeds op de betrokkene rustende verplichting op bindende wijze af te bakenen. Het gaat hier dus om een door de wetgever gecreëerd instrument om publiekrechtelijke verplichtingen in het leven te roepen of het bestaan daarvan in rechte vast te stellen. Een bindende aanwijzing kan dan ook zeker beschouwd worden als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daartegen kan dus bezwaar en beroep worden ingesteld.

Artikel 7, eerste lid, van de E-wet 1998 bepaalt dat de directeur Dte ook van een producent gegevens en inlichtingen kan verlangen die hij nodig heeft voor de uitvoering van de hem in deze wet en de Gaswet opgedragen taken. Anders dan appellante wil heeft de directeur Dte op grond van het bepaalde in artikel 36 van de E-wet 1998 een taak op het gebied van de productie van elektriciteit. Het is aan hem tariefstructuren en voorwaarden op te stellen met inachtneming van het belang van het betrouwbaar, doelmatig en milieuhygiënisch verantwoord functioneren van de elektriciteitsvoorziening en het belang van de bevordering van het handelsverkeer op de elektriciteitsmarkt. In verband met waarneming van voormelde belangen kan het nodig zijn wetgeving tot stand te brengen met oog op producenten van elektriciteit waarbij de kostenstructuur een rol speelt. Voor het tot stand brengen van adequate wetgeving kan een juist inzicht in de kostenstructuur alsdan noodzakelijk zijn.

Het College is niet bekend met het bestaan van een rechtens geldende hoofdregel dat vertrouwelijke bedrijfsgegevens door niemand kunnen worden ingezien. Appellante heeft ook geen specifieke jurisprudentie vermeld waaruit het bestaan van zodanige hoofdregel zou kunnen worden afgeleid. De enkele algemene opmerking dat uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat artikel 8 EVRM met zich brengt dat burgers (en tevens ondernemingen) verschoond dienen te blijven van inmenging door de overheid is onvoldoende om het bestaan van een hoofdregel als door appellant bepleit te onderbouwen. De verwijzing naar de uitspraak van de president van de Rechtbank te 's-Gravenhage overtuigt al evenmin. Voor zover appellante bedoeld zou hebben te verwijzen naar de uitspraken van bedoeld Hof in de zaken van 16 december 1992 (Niemetz vs Duitsland), 30 maart 1989 (Chappel vs Engeland) en 14 april 2002 (Colas Est vs Frankrijk) dient te worden opgemerkt dat blijkens deze arresten en met name blijkens het arrest van 14 april 2002 (rechts)personen aan artikel 8 EVRM onder omstandigheden bescherming kunnen ontlenen tegen het binnentreden van bedrijfsruimten, maar dat in deze arresten geen aanknopingspunt is te vinden dat artikel 8 EVRM reeds thans in het geval van het opvragen van inlichtingen aan bedrijven, waarbij binnentreden van bedrijfsruimten geen enkele rol speelt, de door appellante bepleite bescherming biedt. Deze arresten kunnen evenmin de conclusie dragen dat artikel 7, eerste lid, van de E-wet 1998 strikt dient te worden geïnterpreteerd. Aan de omstandigheid dat ingevolge artikel 7, tweede lid, van de E-wet 1998 de om inlichtingen gevraagden verplicht zijn de medewerking te geven die de directeur Dte redelijkerwijs kan vorderen, kan al evenmin een argument ontleend worden dat het eerste lid van dit artikel strikt dient te worden uitgelegd nu in dit tweede lid tevens is bepaald dat alle medewerking dient te worden gegeven. Naar het oordeel van het College dient de interpretatie van dit artikel gerelateerd te worden aan de desbetreffende taken van de directeur Dte in de E-wet 1998. Zijn deze taken ruim geformuleerd zoals in artikel 36 van de E-wet 1998, dan dient de interpretatie ook ruim te geschieden. Gaat het om wetgevende taken dan is een ruime interpretatie in ieder geval voor de hand liggend, omdat in geval van zodanige taak inlichtingen noodzakelijk zijn met het oog op de nog door de directeur Dte te maken keuze uit verschillende oplossingsrichtingen.

In het onderhavige geval kon de directeur Dte, zoals reeds overwogen, zijn bevoegdheid om inlichtingen te vragen stoelen op de kern bij artikel 36 van de E-wet 1998 opgedragen taak. Anders dan appellante kennelijk wil is het niet rechtens noodzakelijk dat de directeur Dte reeds bij het vragen van de inlichtingen aanduidt ten behoeve van welke specifieke taak hij deze inlichtingen nodig heeft; de gevraagde inlichtingen dienen wel noodzakelijk te zijn voor de uitvoering van een aan de directeur Dte opgedragen taken.

De slotsom dient te zijn dat het beroep van appellante ongegrond dient te worden verklaard.

Het College ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. W.E. Doolaard en mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2003.

w.g. D. Roemers w.g. R. Meijer