Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF6919

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-03-2003
Datum publicatie
10-04-2003
Zaaknummer
AWB 01/878
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 1
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/878 21 maart 2003

27000 Wet vermindering afdracht loonbelasting

en premie volksverzekeringen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigden: E.J. Langkamp, werkzaam bij Evers & Manders Consult B.V., te Hoevelaken en C, werkzaam bij appellante,

tegen

de Minister van Economische Zaken, te Den Haag, verweerder,

gemachtigden: mr. I.A.M. van Nieuwkerk, mr. D.N.Th. van der Weerd, werkzaam bij verweerders agentschap Senter.

1. De procedure

Op 22 november 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 15 oktober 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de weigering haar een S&O-verklaring als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen af te geven.

Op 1 februari 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 15 november 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaats gevonden, waarbij partijen hun standpunten nader hebben toegelicht. Voorts zijn ter zitting voor verweerder verschenen ing. R.A. Leene en ing. L. Sijens.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: de WVA) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

n. speur- en ontwikkelingswerk: door een S&O-inhoudingsplichtige, dan wel een S&O-belastingplichtige, systematisch georganiseerde en in Nederland verrichte werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek of de ontwikkeling van voor de S&O-inhoudingsplichtige onderscheidenlijk de S&O-belastingplichtige technisch

nieuwe:

1°. fysieke producten;

2°. onderdelen van fysieke producten;

3°. fysieke productieprocessen;

4°. onderdelen van fysieke productieprocessen;

5°. programmatuur of

6°. onderdelen van programmatuur,

alsmede daaraan voorafgaand in Nederland verricht haalbaarheidsonderzoek;

(…)

2. (…)

3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel n, wordt niet tot speur- en ontwikkelingswerk gerekend:

(…)

c. door Onze Minister van Economische Zaken bij ministeriële regeling aangewezen andere werkzaamheden.

(…)

Artikel 24

1. Aan een S&O-inhoudingsplichtige die voornemens is in een kalenderjaar speur- en ontwikkelingswerk te verrichten geeft Onze Minister van Economische Zaken op verzoek een S&O-verklaring af. (…)"

Op grond van artikel 1, derde lid, van de WVA is de Afbakeningsregeling speur- en ontwikkelingswerk 1997 (Stcrt. 1996, 248) vastgesteld, waarbij onder meer het volgende is bepaald:

" Tot speur- en ontwikkelingswerk worden niet gerekend:

(…)

p. werkzaamheden, door de S&O-inhoudingsplichtige of S&O-belastingplichtige verricht ten behoeve van door een ander

verricht speur- en ontwikkelingswerk, die op zich zelf niet zijn aan te merken als speur- en ontwikkelingswerk."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft bij vormvrij verzoek, ontvangen op 1 december 2000 en aangevuld bij formulier van 24 januari 2001, bij verweerder een aanvraag ingediend om een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 24 van de WVA met betrekking tot onder meer een project met de projecttitel "Duurzame infiltratie". Op het aanvraagformulier is het project als volgt omschreven:

" A maakt gebruik van oppervlaktewaterinfiltratie bij de bereiding van drinkwater. Bij infiltratie van oppervlaktewater worden stoffen aangevoerd die gebiedsvreemd zijn of die leiden tot een verhoging van natuurlijke concentraties. Op termijn kan dit een bedreiging vormen voor de winning. Het onderzoek richt zich op het verkrijgen van inzicht in verspreidingsprocessen van nutriënten en verontreinigingen (m.n. bestrijdingsmiddelen) na infiltratie. Vragen waar het onderzoek antwoord op moet geven zijn: 1. welke processen spelen in de bodem? 2. Wat is het zelfreinigend effect van de bodem en welke factoren spelen hierbij een rol? 3. In hoeverre treedt cumulatie van verontreinigingen op?

De hypothese is dat 1. door infiltratie geen verontreiniging van de bodem ontstaat doch dat 2. het zuiverende vermogen (ontsmetting) niet oneindig is en dat 3. na verloop van tijd de infiltratie dient te worden gestopt.

Voor duurzame waterproductie is het van belang meer technische kennis van de bodemprocessen te vergaren."

- In antwoord op haar door verweerder gestelde vragen heeft appellante bij telefaxbericht van 17 april 2001 onder meer de volgende toelichting gegeven:

" A wil (…) de werking van het proces dat ten grondslag ligt aan de oppervlaktewaterinfiltratie en bodempassage doorgronden om op die manier de duurzaamheid van het proces vast te stellen en de werking zo mogelijk te verbeteren. Hiervoor is het noodzakelijk om inzichten te verwerven in de in de aanvraag genoemde bodemkundige processen en factoren middels technisch-wetenschappelijk onderzoek. De verkregen inzichten gebruikt A voor de verdere procesvernieuwing."

- Op 20 april 2001 is van de zijde van verweerder telefonisch overleg gevoerd met appellante over het bij verweerder bestaande voornemen de aanvraag af te wijzen.

- Bij brief van 24 april 2001 heeft verweerder appellante, voorzover hier van belang, bericht dat voor het project "Duurzame infiltratie" geen S&O-verklaring wordt verstrekt.

- Bij brief van 31 mei 2001 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Bij brief van 10 juli 2001 heeft appellante haar bezwaar gemotiveerd.

- Bij brief van 26 juli 2001 heeft appellante een aantal door verweerder gestelde vragen beantwoord. Hierbij heeft appellante onder meer aangegeven:

" Het onderzoeksproject betreft een samenwerking tussen A, D en E. Er is gekozen voor het uitwerken van een projectopzet door E, hetgeen heeft geleid tot het projecthandvest (…).

De coördinatie van de projectuitvoering ligt primair bij E, A levert een bijdrage in de vorm van (inhoudelijke) projectbegeleiding en het uitvoeren van analyses op grondwatermonsters."

- Op 27 augustus 2001 is het bezwaar toegelicht op een hoorzitting. Het verslag van deze zitting luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

" Appellant:

Het onderzoek bestaat uit het steken van boorkernen (bepalen waar etc.) en het chemisch bepalen van parameters. Dat gebeurt in samenwerking met een specialist van de E. De wateranalyses doet A zelf, de bodemanalyse doet E.

(…)

Senter:

Zijn er vroeger nooit dergelijke onderzoeken gedaan?

Appellant:

Nee. Vroeger onderzoek was altijd gericht op de waterfase. De bodemprocessen en met name de anaerobe zijn onbekend. (…)

(…)

Om het proces op de juiste manier op te zetten heb je dus kennis nodig over het hoe en waarom van bodemprocessen.

(…)

Het is technisch-wetenschappelijk onderzoek. Het gaat om onbekende processen, waarvan het moeilijk is aan te geven of daar toepassingen voor zijn."

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertoe is, voorzover hier van belang, het volgende overwogen:

" Ten aanzien van het door u uitgevoerde deel van het onderzoek merk ik op dat dit naar mijn mening geen technisch nieuwe kennis oplevert. U heeft tijdens de hoorzitting aangegeven dat het bodemonderzoek is uitbesteed aan een derde. U onderzoekt welke stoffen zich in de verschillende fasen van het filteringproces (c.q. in de verschillende bodemlagen) in het water bevinden. Om te kunnen verklaren waarom er in een bepaalde fase van het filteringproces bepaalde stoffen uit het water gefilterd worden en hoe dit gebeurt, is nu juist kennis van en onderzoek naar de eigenschappen van de bodem nodig. De technische kennis die binnen dit project wordt ontwikkeld, het verklaren van onbekende fysieke verschijnselen, wordt derhalve door een derde ontwikkeld en niet door u. In geval van een project waarin door verschillende partijen wordt samengewerkt, dient er ingevolge artikel l, letter p, van de Afbakeningsregeling bij beide partijen afzonderlijk sprake te zijn van S&O.

Zoals hierboven is omschreven dient er bij technisch wetenschappelijk onderzoek sprake te zijn van onderzoek dat niet direct gericht hoeft te zijn op een concrete toepassing, maar waarvan de resultaten wel toepasbaar dienen te zijn ten behoeve van een technisch nieuw fysiek product of proces.

Het feitelijke oogmerk van het door u voorgenomen onderzoek is de beoordeling van de duurzaamheid van het huidige proces en de beoordeling van de mogelijkheid om de huidige drinkwaterproductie te intensiveren. De grotere kennis van de bodemprocessen die bij het productieproces een rol spelen zal naar mijn mening niet gebruikt kunnen worden voor een technisch nieuw productieproces.

De genoemde maatregelen die genomen kunnen worden met betrekking tot de inrichting van het proces en het winningsgebied leiden niet tot een technisch nieuw proces, maar betreffen de parameters van het bestaande proces.

Mogelijk leidt het onderzoek tot de conclusie dat een andere voorzuivering dient plaats te vinden, waarvoor eventueel een technisch nieuw proces zou moeten worden ontwikkeld. Het onderzoek levert echter geen inhoudelijke bijdrage aan de ontwikkeling van een dergelijk voorzuiveringsproces. De door u verworven kennis maakt het al dan niet in technische zin vernieuwen of anders inrichten van onderdelen van het filteringproces niet (technisch) mogelijk. In het onderhavige geval is er veeleer sprake van dat de uitkomsten van het onderzoek aanleiding kunnen vormen om ervoor te kiezen het proces anders in te richten. De ontwikkelde kennis zelf vindt echter geen toepassing in een technisch nieuw fysiek product, productieproces of technisch nieuwe programmatuur.

Ik ben daarom van mening dat er geen sprake is van technisch-wetenschappelijk onderzoek in de zin van de Wet. Evenmin is er sprake van de ontwikkeling van een technisch nieuw fysiek (onderdeel van een) productieproces."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft twee grieven aangevoerd tegen het bestreden besluit.

Ten eerste bestrijdt appellante dat de kennisontwikkeling door een derde (E) plaatsvindt. Appellante voert hiertoe aan dat zij een inhoudelijke bijdrage heeft geleverd aan de projectopzet, welke bijdrage van cruciaal belang was. Ook is appellante bij de feitelijke uitvoering van het project betrokken, zowel door het analyseren van monsters als door het bijdragen aan het interpreteren en ontwikkelen van nieuwe inzichten op basis van de resultaten. A is dus aan te merken als mede-ontwikkelaar van technisch nieuwe kennis die met dit project wordt beoogd.

Ten tweede stelt appellante dat wel degelijk sprake is van zowel technisch wetenschappelijk onderzoek als van de ontwikkeling van een technisch nieuw proces.

Van technisch wetenschappelijk onderzoek is sprake, omdat het doel is nieuwe kennis te verwerven inzake de verklarende variabelen en factoren tijdens de bodempassage en om vast te stellen welke invloed deze hebben op de kwaliteit die het water uiteindelijk heeft.

Van de ontwikkeling van een technisch nieuw proces is sprake, omdat A, afhankelijk van de te verkrijgen inzichten in de procesmechanismen die een rol spelen bij de bodempassage, overweegt de bodempassage te intensiveren.

5. De beoordeling van het geschil

In haar aanvraag heeft appellante het onderhavige project geclassificeerd als "technisch-wetenschappelijk onderzoeksproject". Terecht is verweerder dus nagegaan of de werkzaamheden van appellante - zoals in dit verband vereist door artikel 1, eerste lid, aanhef en onder n, van de WVA - direct en uitsluitend gericht waren op technisch-wetenschappelijk onderzoek.

Naar het College eerder heeft overwogen, heeft de wetgever met technisch-wetenschappelijk onderzoek werkzaamheden bedoeld ter verwerving van technisch nieuwe kennis die mogelijk praktische toepassingen in nieuwe fysieke producten of productieprocessen zou kunnen vinden. Hetgeen appellante heeft aangevoerd, kan niet tot het oordeel leiden dat verweerder met hantering van deze maatstaf haar werkzaamheden had moeten aanmerken als direct en uitsluitend gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek.

Hiertoe overweegt het College dat het onderzoek waarop de aanvraag betrekking heeft, beoogt inzicht te verkrijgen in verspreidingsprocessen van nutriënten en verontreinigingen in de bodem na infiltratie. De projectopzet is uitgewerkt door het E. Ook de coördinatie van de projectuitvoering ligt primair bij dit instituut. De in het kader van het project te nemen bodemmonsters worden geanalyseerd door het E.

Analyses door appellante beperken zich tot wateranalyses. Volgens stellen van appellante draagt zij verder bij aan het "interpreteren en ontwikkelen van nieuwe inzichten op basis van de resultaten" en bestaat haar rol verder uit het bijdragen via projectbegeleiding.

Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de werkzaamheden waarmee de beoogde technische kennis over bodemprocessen wordt verworven, door het E worden verricht en dat die kennis derhalve door het E wordt verworven. Dit leidt tot de slotsom dat verweerder terecht in het onderhavige project de werkzaamheden van appellante op zichzelf niet heeft aangemerkt als technisch wetenschappelijk onderzoek in de zin van artikel 1, lid 1, onder n, van de WVA.

De voorts door appellante betrokken stelling dat haar een S&O-verklaring had moeten worden verstrekt omdat sprake is van de ontwikkeling van een technisch nieuw proces, is onvoldoende door haar onderbouwd. Appellante heeft bij haar aanvraag haar werkzaamheden getypeerd als technisch-wetenschappelijk onderzoek, dat door de wetgever in de definitie van speur- en ontwikkelingswerk is onderscheiden van ontwikkeling van een technisch nieuw product of productieproces, zoals het College eerder heeft vastgesteld (uitspraken van het College van 22 oktober 1996, 95/1586/062/231, Stork Screens, en van 15 december 1998, 97/314, Bureau Meeuws, en 97/413, Etko).

Het voornemen van appellante om met de verworven kennis bodempassage te intensiveren en om door het toedienen van zuurstof of substraat fysische of biologische bodemprocessen te stimuleren, wijst op zichzelf niet op de ontwikkeling van een nieuw proces van waterzuivering, dat zich ook in technisch opzicht onderscheidt van bestaande, appellante bekende processen.

Dat met de werkzaamheden verworven kennis kan leiden tot de noodzaak om nieuwe voor- of nazuiveringsstappen te ontwikkelen, betekent nog niet dat met deze kennis zodanige maatregelen ook technisch gerealiseerd kunnen worden.

Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. M.J. Kuiper en mr. C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr. R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2003.

w.g. D. Roemers w.g. R.P.H. Rozenbrand