Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF6917

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-03-2003
Datum publicatie
04-04-2003
Zaaknummer
AWB 02/563
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 02/563 21 maart 2003

4000 Heffing

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

het Bedrijfschap Schildersbedrijf, verweerder,

gemachtigde: mr. B.C. Westenbroek.

1. De procedure

Op 2 april 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 februari 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder een beslissing genomen op het bezwaarschrift van appellant tegen het besluit van 2 november 2001 waarbij aan appellant op grond van de Heffingsverordening 2001 een heffing is opgelegd.

Verweerder heeft bij brief van 15 april 2002 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2003, alwaar partijen hun standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Op grond van artikel 126, eerste lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie (hierna: de Wet) kunnen bedrijfslichamen bij verordening aan degenen die de ondernemingen drijven waarvoor zij zijn ingesteld, heffingen opleggen. Deze verordeningen worden jaarlijks vastgesteld. Het tweede lid bepaalt dat zij bovendien voor door het betrokken lichaam verrichte werkzaamheden bij verordening retributies kunnen heffen.

De Heffingsverordening 2001 bepaalt, voor zover hier van belang:

" § 1 Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze verordening wordt verstaan onder:

bedrijfschap : Bedrijfschap voor het Schilders- en Afwerkingsbedrijf;

onderneming : onderneming waarvoor het bedrijfschap is ingesteld;

(..)

Artikel 2

Over de periode 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 wordt aan degenen die een ondeneming drijven als basisheffing opgelegd een voor al deze ondernemingen gelijk bedrag van f 200,--.

Artikel 3

1. Onverminderd de in artikel 2 genoemde basisheffing wordt over de periode 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 aan degene die een onderneming drijft een heffing opgelegd op grondslag van de omzet. Het tarief bedraagt:

- voor het gedeelte van de omzet, liggend tussen f. 0,-- en f. 1.500.000,--:

f. 2,20 per duizend gulden omzet;

(..)

Artikel 4

Het Bestuur van het bedrijfschap is bevoegd om op een daartoe strekkend verzoek ontheffing te verlenen van de betaling van een krachtens deze Verordening opgelegde heffing, indien haar dit als gevolg van bijzondere omstandigheden redelijk danwel billijk voorkomt.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 29 mei 2000 heeft verweerder appellant bericht dat zijn onderneming ambtshalve is ingeschreven in verweerders register.

- Appellant heeft bij brief van 10 juli 2000 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Verweerder heeft dit bezwaar bij besluit van 31 mei 2001 ongegrond verklaard.

- Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij het College. Dit beroep, geregistreerd onder nummer AWB 01/548, is bij uitspraak van 31 juli 2002 ongegrond verklaard.

- Verweerder heeft op 2 november 2001 aan appellant een heffing opgelegd van fl. 1410,-- (€ 639,83).

- Bij brief van 9 november 2001 heeft appellant tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.

"Omdat u, ondanks herhaald verzoek, geen gegevens over uw omzet had verstrekt, is conform het tweede lid van artikel 5 de omzet van uw onderneming ambtshalve geschat op f 100.000,-.

In uw bezwaarschrift heeft u aangevoerd dat u bezwaar maakt tegen de heffing 2001 omdat er in verband met de registratie van uw onderneming een beroepsprocedure wordt gevoerd bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. Echter, conform artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht heeft een beroep geen schorsende werking.

In uw bezwaarschrift en gedurende de hoorzitting heeft u verder gemeld dat de schatting van f 100.000,- te hoog is. Gedurende de hoorzitting is afgesproken dat u in de gelegenheid wordt gesteld om alsnog het omzetopgave formulier ten behoeve van de heffing 2001 in te vullen.

Op 8 februari 2002 heeft het bedrijfschap het omzetopgave formulier ten behoeve van de heffing 2001 van u ontvangen. U heeft daarop opgegeven dat u f 33.924,00 aan heffingsplichtige omzet heeft behaald in 1999.

Uw bezwaarschrift tegen de heffing 2001 vormt aanleiding om op de eerder genomen beslissing terug te komen. Als de grondslag voor de heffing 2001 wordt een bedrag van f 34.000,- vastgesteld, dat conform artikel 3 van de Algemene heffingsverordening is afgerond.

(..)

De opgelegde heffing 2001 bedraagt f 541,00. Door u is reeds f 765,00 betaald. Het te veel betaalde van f 224,00 (€ 101,64) wordt op uw rekening terug gestort."

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

"Haar heffingsnota vloeit voort uit de registratie van mijn bedrijf, waartegen ik bij uw college reeds een beroepschrift heb lopen.

Daar u nog geen uitspraak inzake voornoemd beroepschrift gedaan heeft, kan ik gelet op artikel 126, lid 1, van de Wet niet als de daarin bedoelde onderneming worden aangemerkt.

Voorts geven zowel art. 5, 6 en 7 van het Instellingsbesluit alsook art. 127 van de Wet niet aan dat er door het Bedrijfschap onverlet de rechtmatigheid van registratie, heffing gedaan mag worden.

Het spreekt feitelijk voor zich dat mijn bezwaar tegen registratie van mijn bedrijf tevens een bezwaar inhoudt tegen een opgelegde heffingsnota door het Bedrijfschap.

Gezien de lage omzet van mijn bedrijf, zoals vermeld in de Beslissing op bezwaar à raison f 33924,00, doe ik hierbij tevens een beroep op de hardheidsclausule zoals vermeld in art. 4 van de heffingsverordening 2001, van het Bedrijfschap.

Het Bedrijfschap dat volgens de Wet het algemeen belang van de ondernemingen, waarvoor zij is ingesteld, dient te behartigen, heeft de uitvoering van haar taak, m.u.v. de winterpremieregeling waarvan ik geen gebruik maak, ten aanzien van mijn bedrijf schandelijk verwaarloosd.

Zij organiseert niets om mijn bedrijf op een hoger plan te brengen, zoals d.m.v. symposia, informatieve bijeenkomsten, netwerkstimulering, vakkennisvergaring o.d..

Haar heffingsnota is t.a.v. haar in de Wet bedoelde behartiging niet gerechtvaardigd."

Ter zitting heeft appellant aangevoerd dat verweerder niet de bevoegdheid toekomt te beslissen of appellant een onderneming drijft als bedoeld in artikel 2, in samenhang met artikel 1, van de Heffingsverordening 2001. Er is verzuimd te regelen wie deze bevoegdheid wel toekomt.

5. De beoordeling van het geschil

Appellant heeft met name grieven aangevoerd die zijn gericht tegen de registratie van zijn onderneming door verweerder. In deze procedure staan deze grieven evenwel niet ter beoordeling, nu niet een besluit tot registratie, maar tot heffing in geding is. Ten aanzien van appellants registratie is een aparte beroepsprocedure gevolgd, waarin het College op 31 juli 2002 een uitspraak heeft gedaan. Op grond van deze uitspraak staat in rechte vast dat de inschrijving van appellant in het register van het bedrijfschap rechtmatig is.

Niet in geschil is dat beslissingen tot oplegging van heffingen op grond van artikel 2 van de Heffingsverordening 2001 door verweerder dienen te worden genomen. Dat brengt met zich dat verweerder zich, bij de oplegging van heffing, een oordeel dient te vormen omtrent de vraag of sprake is van een onderneming waarvoor het bedrijfschap is ingesteld (als bedoeld in artikel 1 van de Heffingsverordening 2001). Verweerder is dus bevoegd hieromtrent te beslissen in het kader van een beslissing omtrent heffing. Of verweerder bij het nemen van een beslissing omtrent heffing terecht de desbetreffende onderneming als zodanige onderneming heeft aangemerkt, kan in het kader van een beroep tegen een - na bezwaar gehandhaafd - heffingsbesluit door de bestuursrechter worden getoetst.

Het College overweegt dat verweerder, bij het nemen van het thans bestreden heffingsbesluit, de onderneming van appellant terecht heeft aangemerkt als onderneming waarvoor het bedrijfschap is ingesteld. Voor de motivering van dit oordeel verwijst het College naar hetgeen het hieromtrent heeft overwogen in zijn uitspraak van 31 juli 2002.

Dat ten tijde van het opleggen van de heffing op 2 november 2001 nog niet was beslist op het beroep van appellant tegen de registratie doet aan het vorenstaande niets af.

Ten aanzien van het beroep van appellant op het bepaalde in artikel 4 van de Heffingsverordening 2001, overweegt het College dat de bevoegdheid tot toepassing van van de in dit artikel opgenomen hardheidsbepaling is voorbehouden aan het bestuur van verweerder. Verzoeken om toepassing van deze bevoegdheid kunnen niet rechtstreeks aan het College worden gericht. Ten overvloede overweegt het College dat hem uit het door appellant gestelde niet gebleken is dat zich omstandigheden voordoen die tot toepassing van artikel 4 zouden noodzaken.

Op grond van vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2003.

w.g. C.J. Borman w.g. R. Meijer