Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF6916

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-03-2003
Datum publicatie
04-04-2003
Zaaknummer
AWB 02/325
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 02/325 21 maart 2003

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te N, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr. K.J.H. Terwal, werkzaam bij LASER.

1. De procedure

Op 25 januari 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 december 2001.

Bij dat besluit is het bezwaarschrift van appellante tegen het besluit van 18 april 2001, inhoudende afwijzing van een aanvraag van appellante om premie in het kader van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling) voor zes ossen, ongegrond verklaard.

Verweerder heeft op 24 mei 2002 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2003. A is verschenen namens appellante en verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. K.J.H. Terwal.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Ten tijde hier van belang bevatte de Regeling onder meer de volgende bepalingen:

Artikel 1.1, eerste lid,

"In deze regeling wordt verstaan onder:

(..)

agrarische vestigingsplaats:

hoofdvestiging van het bedrijf en de onmiddellijk in de nabijheid gelegen vestigingen daarvan;

(..)

aanhoudperiode:

(..)

- indien het stieren of ossen betreft: aaneengesloten periode van twee maanden te rekenen vanaf de dag na de dag van ontvangst door LASER van de premie-aanvraag;

(..)"

Artikel 2.3, eerste lid

"Terzake van het gedurende de desbetreffende aanhoudperiode op hun bedrijf aanhouden van een zoogkoe, stier, os, onderscheidenlijk ooi, wordt jaarlijks op daartoe strekkende aanvraag, na afloop van het betrokken verkoopseizoen,

overeenkomstig de bepalingen van deze regeling en de verordeningen 1254/1999, 2342/1999, 2467/98 en 2700/93 aan producenten premie verstrekt."

Artikel 4.4:

"1. Indien runderen tijdens de aanhoudperiode worden verplaatst van de ene naar de andere produktie-eenheid van het bedrijf van de producent, stelt de producent LASER hiervan voorafgaand aan de verplaatsing schriftelijk op de hoogte. De producent bewaart een afschrift van het formulier aan LASER bij zijn bedrijfsadministratie, genoemd in artikel 4.5, tweede lid.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de runderen zich gedurende de gehele aanhoudperiode binnen de agrarische vestigingsplaats van de producent bevinden."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 31 augustus 2000 heeft appellante door middel van het formulier "Aanvraag premie voor het aanhouden van mannelijke runderen", aanvraagnummer 4137818, op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Regeling premie gevraagd voor zes ossen.

- Bij brief van 3 oktober 2000 is appellante bericht dat haar aanvraag in behandeling is genomen en dat zij de betrokken ossen diende aan te houden tot en met 31 oktober 2000.

- Enkele dagen voor het einde van de aanhoudperiode heeft appellante de ossen verplaatst van haar produktie-eenheid in N naar die in F zonder dat LASER daar voorafgaand door een verplaatsingsverklaring van op de hoogte is gesteld.

- Verweerder heeft bij besluit van 17 april 2001, verzonden op 18 april 2001, de aanvraag afgewezen, omdat appellante niet of niet tijdig een verplaatsingsverklaring heeft ingediend.

- Appellante heeft bij brief van 23 mei 2001, ontvangen bij verweerder op 28 mei 2001, bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer het volgende overwogen:

"Indien de runderen zich gedurende de gehele aanhoudperiode binnen dezelfde agrarische vestigingsplaats bevinden, behoeft een verplaatsing niet te worden gemeld. In dit geval gaat het bijvoorbeeld om verplaatsingen van de stal naar de wei of naar een aangrenzend perceel of gebouw. Een melding van verplaatsing moet echter wel plaats vinden indien aan een productie-eenheid binnen het bedrijf van de producent een apart UBN-nummer is toegekend en naar deze productie-eenheid runderen worden verplaatst.

Gelet op uw bedrijfssituatie ben ik van oordeel dat het bedrijf waarnaar de ossen werden verplaatst, dient te worden aangemerkt als een afzonderlijke productie-eenheid en derhalve een verplaatsingsverklaring had moeten worden ingediend. Ten aanzien hiervan is derhalve niet aan de voorwaarden van de Regeling voldaan.

(…)

Gelet op het bovenstaande concludeer ik dat, na een heroverweging van het besluit van de teammanager, er geen aanleiding bestaat dit besluit te herzien. Mij zijn geen bijzondere feiten en omstandigheden gebleken die tot een andere conclusie zouden moeten leiden."

4. Het standpunt van appellante

Ter ondersteuning van haar beroep heeft appellante - samengevat - onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellante exploiteert in N een biologisch melkveebedrijf (UBN 184122). In 1997 heeft zij op ongeveer drie kilometer afstand een jongvee- en vleesveeweiderij gepacht, met UBN 2372255. Zij werkt met twee UBN-nummers, omdat de Gezondheidsdienst voor Dieren dat eist en niet om voor meer premie in aanmerking te komen. De bedrijven zijn administratief gescheiden, maar worden allebei voor rekening en risico van appellante gevoerd. In tegenovergestelde gevallen van boeren die meer UBN-nummers aanvragen om meer premie te ontvangen, oordelen verweerder en het College dat die nummers wél bij hetzelfde bedrijf horen. Dat is in het geval van appellante ook zo, dus moet het verplaatsen van de ossen worden gezien als een verplaatsing binnen het totale bedrijf.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt voorop dat verweerder uit het oogpunt van een adequate controle op naleving van de aanhoudverplichting en in het licht van de hiervoor vermelde bepalingen van de Regeling terecht het standpunt inneemt dat de zes ossen waarvoor premie is aangevraagd, zich gedurende de aanhoudperiode dienen te bevinden op de in de aanvraag opgegeven locatie of in de onmiddellijke nabijheid daarvan en dat verplaatsing slechts is toegestaan indien hiervan - vooraf - schriftelijk mededeling is gedaan aan LASER.

Niet in geschil is dat appellante in de aanhoudperiode de ossen heeft verplaatst van haar produktie-eenheid in N naar die in F en dat deze verplaatsing niet bij LASER is gemeld. Het College constateert dat deze produktie-eenheden elk een eigen UBN-nummer hebben. Daarmee staat vast dat sprake is van meer dan één agrarische vestigingsplaats in de zin van de Regeling, hetgeen betekent dat de meldingsplicht van artikel 4.4, eerste lid, van de Regeling van toepassing is. Nu appellante niet aan deze verplichting heeft voldaan, kan zij geen aanspraak maken op de aangevraagde premie. Dat - naar het College niet onaannemelijk acht - het niet melden het gevolg is van een fout en niet van een poging tot misleiding maakt dat niet anders, nu aan de grond van het niet melden geen betekenis toekomt.

Ook de omstandigheid dat soms in verband met de omstandigheden op zeer korte termijn tot verplaatsing van dieren wordt besloten, vormt geen grond om niet ten volle aan de meldingsplicht vast te houden.

Appellante heeft gesteld dat de twee produktie-eenheden feitelijk één bedrijf vormen en dat slechts sprake is van twee UBN-nummers omdat de Gezondheidsdienst voor Dieren dit eist. Het College merkt allereerst op dat deze stelling niets afdoet aan de feitelijke constatering dat sprake is van twee UBN-nummers. Daarnaast wijst het College appellante er echter op dat, ook indien slechts sprake zou zijn van één UBN-nummer, de ongeveer drie kilometer afstand tussen de eenheden met zich meebrengt dat niet kan worden gesproken van één agrarische vestigingsplaats. Ook in dat geval zou derhalve de meldingsplicht hebben gegolden.

Het niet voldoen aan de meldingsplicht is voldoende grond voor afwijzing van de aanvraag.

Op grond van bovenstaande overwegingen is het College van oordeel dat verweerder terecht de aanvraag van appellante heeft afgewezen en de bezwaren tegen deze afwijzing evenzeer terecht ongegrond heeft verklaard. Aangezien ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit onrechtmatig is, dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2003.

w.g. W.E. Doolaard w.g. R. Meijer