Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF6869

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-02-2003
Datum publicatie
04-04-2003
Zaaknummer
AWB 01/910
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 22a, geldigheid: 2003-02-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/910 26 februari 2003

23510 Algemene wet inzake rijksbelastingen

Anti-dumpingheffing

Uitspraak in de zaak van:

A, te Moerdijk, appellante,

gemachtigden: mr. W.M.C. Schipper en F.H.J. van der Wielen, werkzaam bij KPMG Meijburg & Co, te Amstelveen,

tegen

de Minister van Economische Zaken, te Den Haag, verweerder,

gemachtigden: mr. E. Simon en mr. L.A.G. Meijer, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 27 november 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een namens verweerder door de inspecteur van de Belastingdienst/-Douanedistrict Roosendaal (hierna: de inspecteur) genomen besluit van 9 oktober 2000, verzonden 5 november 2001. Bij dit besluit is beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen een uitnodiging tot betaling van anti-dumpingheffing van 29 oktober 1998.

Op 15 februari 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 6 december 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen hebben hierbij hun standpunten toegelicht bij monde van hun gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 201, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: CDW) luidt:

" De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de desbetreffende douaneaangifte wordt aanvaard."

Artikel 221 CDW luidde tot 19 december 2000, voorzover hier van belang:

"1. Het bedrag van de rechten dient onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar te worden medegedeeld.

2. (…)

3. De mededeling aan de schuldenaar mag niet meer geschieden na het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan. (…)"

Artikel 221 CDW is gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2700/2000. Artikel 221 luidt na deze wijziging, die in werking is getreden op 19 december 2000, voorzover hier van belang:

" 1. Het bedrag van de rechten dient onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar te worden medegedeeld.

2. (…)

3. De mededeling aan de schuldenaar moet plaatsvinden binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan. Deze termijn wordt geschorst door het instellen van een beroep in de zin van artikel 243 voor de duur van beroep."

Artikel 243 CDW luidt, voorzover hier van belang:

" 1. Iedere persoon heeft het recht beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepasing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken.

(…)

Het beroep moet worden ingesteld in de Lid-Staat waar de beschikking is genomen of waar om de beschikking is verzocht.

2. Het recht op beroep kan worden uitgeoefend:

a. in een eerste fase (bezwaar), bij de daartoe door de Lid-Staten aangewezen douaneautoriteit;

b. in een tweede fase (beroep), bij een onafhankelijke instantie, die overeenkomstig de in de Lid-Staten geldende bepalingen, een rechterlijke instantie of een gelijkwaardig gespecialiseerd orgaan kan zijn."

Op 1 juni 1996 is de Invoeringswet Douanewet (Stb. 1995, 554) in werking getreden. Met ingang van deze datum luidde artikel 22a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) als volgt:

"1. De mededeling, bedoeld in artikel 221, eerste lid, van het Communautair douanewetboek, van het bedrag aan rechten bij invoer dat voortvloeit uit een douaneschuld geschiedt door het vaststellen van een uitnodiging tot betaling door de inspecteur voor ieder van de rechten afzonderlijk.

2. In afwijking in zoverre van het eerste lid geschiedt het vaststellen van een uitnodiging tot betaling ter zake van anti-dumpingheffingen (…) door of namens Onze Minister van Economische Zaken (…)."

In verband met de inwerkingtreding van hoofdstuk 10 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: AWB) zijn per 1 januari 1998 de woorden "of namens" in het hierboven aangehaalde tweede lid van artikel 22a AWR geschrapt.

Bij het Besluit mandaat en machtiging Belastingdienst/Douane inzake anti-dumpingheffingen en compenserende heffingen EZ (Stcrt. 2000, 11 van 17 januari 2000; hierna: het Mandaatbesluit) heeft de Minister van Economische Zaken onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 2

1.Aan inspecteurs wordt mandaat verleend tot:

a. Het vaststellen van de uitnodiging tot betaling ter zake van antidumpingheffingen of compenserende heffingen en tot het geven van de beschikking ter zake van antidumpingheffingen of compenserende heffingen, als bedoeld in de artikelen 22a, tweede lid, en 22c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

b. het beslissen op bezwaarschriften, gericht tegen besluiten als bedoeld onder a.

(…)

Artikel 7

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1998. "

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In de periode van 1 januari 1997 tot en met 30 juni 1998 heeft appellante aangifte gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van sandalen, afkomstig uit de Volksrepubliek China, onder goederencode 6404 1100.

- Naar aanleiding van een rapport van twee controlemedewerkers van de Belastingdienst/--Douanedistrict Roosendaal heeft de inspecteur, van opvatting zijnde dat de sandalen onder goederencode 6404 1900 vielen, terzake van deze invoer een uitnodiging tot betaling van anti-dumpingheffing ten bedrage van fl. 936.939,-- , gedateerd 29 oktober 1998, aan appellante gezonden.

- Bij brief van 30 oktober 1998 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen deze uitnodiging.

- Bij brief van 24 februari 2000 heeft appellante de gronden van haar bezwaar aangevuld.

- Op 25 mei 2000 heeft appellante haar bezwaar mondeling toegelicht.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard. Het besluit is ondertekend door B, na de volgende vermelding:

"de Minister van Economische Zaken en de inspecteur

namens deze

Belastingdienst/Douane district Roosendaal,

namens deze".

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat, nu hij niet in staat is bewijs van het tegendeel te leveren, ervan uit dient te worden gegaan dat het bestreden besluit aan appellante is verzonden op 5 november 2001, zoals ook is vermeld op het tot de gedingstukken behorende exemplaar van dit besluit.

Verder heeft verweerder zich ter zitting op het standpunt gesteld dat ingevolge artikel 221, derde lid, CDW, zoals deze bepaling luidt sinds 19 december 2000, de driejaartermijn geschorst is geweest voor de duur van de procedures van bezwaar en beroep. Dit zou betekenen dat verweerder bevoegd zou zijn om opnieuw een heffing op te leggen.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep, samenvattend weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Ingevolge artikel 22a, tweede lid, AWR kon een uitnodiging tot betaling voor anti-dumpingrechten op 29 oktober 1998 slechts door verweerder worden opgelegd. De uitnodiging, die is geschied door de inspecteur, is dus onbevoegd gedaan.

Hieraan doet niet af dat de inspecteur bij het bestreden besluit optreedt namens verweerder.

Het bevoegdheidsgebrek wordt niet geheeld door het Mandaatbesluit, nu het hierin voorziene mandaat krachtens artikel 5, eerste lid, van dit besluit slechts betrekking heeft op beslissingen waarin tot uitdrukking is gebracht dat deze namens verweerder zijn genomen.

Onduidelijk is waarom het bestreden besluit wordt genomen door verweerder en de inspecteur tezamen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge artikel 22a, tweede lid, AWR is alleen verweerder bevoegd een uitnodiging tot betaling terzake van een anti-dumpingheffing vast te stellen. De aan appellante verzonden uitnodiging tot betaling, die de inspecteur op eigen naam heeft doen uitgaan, is dus niet bevoegd vastgesteld. Zoals het College eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 augustus 2002 (AWB 00/53 t/m 00/58), kan de aan het Mandaatbesluit verleende terugwerkende kracht er niet toe leiden, dat een destijds onbevoegd genomen besluit achteraf als bevoegd genomen kan gelden.

5.2 Ten tijde van het bestreden besluit was de inspecteur ingevolge artikel 2 van het Mandaatbesluit wel bevoegd om, namens verweerder, een uitnodiging tot betaling terzake van een anti-dumpingheffing vast te stellen.

De in het bestreden besluit voorafgaand aan de ondertekening ervan gegeven aanduiding van degene die dit besluit neemt, berust volgens verweerder op een kennelijke verschrijving. Het College volgt verweerder in de opvatting dat bedoeld is te vermelden dat het besluit namens verweerder is genomen door de inspecteur en is van oordeel dat zulks aan appellant duidelijk geweest moet zijn.

Het voorgaande leidt tot de gevolgtrekking dat bij het bestreden besluit voor het eerst door een bevoegd orgaan een uitnodiging tot betaling werd vastgesteld en dat appellante voor het eerst door toezending van dit besluit door het bevoegde orgaan mededeling van verschuldigde rechten werd gedaan. Het aldus voor de onbevoegd vastgestelde uitnodiging tot betaling in de plaats stellen van een bevoegd vastgestelde uitnodiging bij wijze van beslissing op bezwaar, is in overeenstemming met artikel 7:11 AWB.

5.3 Ook indien de uitnodiging tot betaling in een beslissing op bezwaar geschiedt, geldt ingevolge artikel 221, derde lid, CDW, dat de mededeling alleen rechtsgeldig kan plaatsvinden binnen de in deze bepaling vermelde termijn. Of het bestreden besluit stand kan houden, hangt dus af van de vraag of de datum waarop dit besluit aan appellante bekend is gemaakt, binnen deze termijn is gelegen.

Van belang hierbij is dat artikel 221, derde lid, CDW is gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2700/2000. Deze verordening is in werking getreden op 19 december 2000. Met ingang van deze datum geldt dat in voorkomende gevallen de reguliere driejaartemijn van artikel 221, derde lid, CDW door het maken van bezwaar - dat ingevolge artikel 243 CDW, waar artikel 221, derde lid, CDW naar verwijst, mede onder het instellen van beroep wordt begrepen - wordt geschorst. Bij gebreke van in een andere richting wijzende bepalingen van overgangsrecht, dient te worden aangenomen dat met ingang van 19 december 2000 een voorafgaand aan deze datum gemaakt bezwaar eveneens tot gevolg heeft dat een op deze datum nog lopende driejaartermijn wordt geschorst. Dientengevolge is het van belang vast te stellen in hoeverre in het onderhavige geval op 19 december 2000 de reguliere driejaartermijn nog niet was verstreken.

5.4 Ten aanzien van de douaneschulden, ontstaan tot 19 december 1997, was de reguliere driejaartermijn op 19 december 2000 reeds verstreken. Voorzover de aangiften voor het vrije verkeer van appellante zijn aanvaard vóór 19 december 1997, heeft dus geen schorsing van de termijn plaatsgevonden. Dit betekent dat een mededeling van terzake van deze aangiften verschuldigde rechten niet rechtsgeldig kon plaatsvinden op 5 november 2001.

5.5 Ten aanzien van de douaneschulden, ontstaan op en na 19 december 1997, is ingaande 19 december 2000 de driejaartermijn geschorst voor de duur van het toen aanhangige bezwaar. Deze schorsing liep af op het moment dat de beslissing op bezwaar bekend werd gemaakt, te weten 5 november 2001. Nu verweerder tegelijk met de beslissing op het bezwaar - als onderdeel hiervan - de mededeling opnieuw - maar nu bevoegdelijk - heeft gedaan, staat vast dat de mededeling binnen het na afloop van de schorsing nog resterende gedeelte van de driejaartermijn heeft plaatsgevonden. Voorzover de mededeling betrekking heeft op aangiften die zijn aanvaard op en na 19 december 1997 is deze dus rechtsgeldig geschied.

5.6 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voorzover appellante hierbij anti-dumpingheffingen zijn opgelegd terzake van vóór 19 december 1997 aanvaarde aangiften voor het vrije verkeer.

Verweerder zal met inachtneming van hetgeen in het voorafgaande is overwogen opnieuw op appellantes bezwaarschrift dienen te beslissen. Het College merkt hierbij op dat naar zijn oordeel gedurende de voor deze nieuwe besluitvorming beschikbare termijn de schorsing van de driejaartemijn van artikel 221, derde lid, CDW nog voortduurt.

Het College acht voorts termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als vermeld in het dictum van deze uitspraak.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar beslist, met

inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,--, onder aanwijzing van de Staat der

Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 204,20 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. C.J. Borman en mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2003.

w.g. D. Roemers w.g. L. van Duuren