Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF6864

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-03-2003
Datum publicatie
04-04-2003
Zaaknummer
AWB 02/736
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 02/736 6 maart 2003

27605 Wet op de inkomstenbelasting

Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek

Uitspraak in de zaak van:

Remu N.V, te Utrecht, appellante,

gemachtigde: A, werkzaam bij appellante,

tegen

de Minister van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr. M.W. Schilperoort, werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Op 6 mei 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 27 maart 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar verzoek om een verklaring af te geven als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Stb 2001, 215, hierna: Wet IB).

Bij brief van 10 juni 2002 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevoerd.

Onder dagtekening 3 juli 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 23 januari 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben uiteengezet. Aan de zijde van appellante is tevens verschenen B, werkzaam bij appellante.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet IB is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 3.42

1. Indien in een kalenderjaar in een onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft, wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de ondernemer gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van energie-investeringen, en de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een in het derde lid aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek).

2. Energie-investeringen zijn investeringen die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie.

(…)

6. De energie-investeringsaftrek is van toepassing indien de energie-investering is aangemeld bij Onze Minister.

7. Bij ministeriële regeling kunnen:

a. (…)

b. regels worden gesteld met betrekking tot het zesde lid.

(…)"

Op grond van deze bepaling is vastgesteld de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 (hierna: Uitvoeringsregeling) (Stcrt. 2000, nr. 249) waarin onder meer is bepaald:

"Artikel 2

Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3:42, tweede lid, van de wet worden aangewezen: de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in bijlage I van deze regeling, mits het bedrijfsmiddel of het onderdeel in overeenstemming is met de bestemming voor zover aangegeven in die bijlage, niet eerder is gebruikt en bestaat uit de in die bijlage genoemde bestanddelen.

Artikel 3

1. De aanmelding bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet van de aangegane verplichtingen of de gemaakte voortbrengingskosten ter zake van een investering als bedoeld in artikel 2 moet binnen een termijn van drie maanden plaats vinden.

Deze termijn vangt aan:

a. met betrekking tot verplichtingen: bij het aangaan van de verplichtingen;

(…)

Artikel 5

1. (…)

2. Het verzoek om een verklaring als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan bij de aanmelding bedoeld in de artikelen 3 en 4.

(…)"

In de in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling bedoelde bijlage (hierna: Energielijst 2001) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 1

Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3:42, tweede lid, van de wet worden aangemerkt:

A. Investeringen ten behoeve van energiebesparing in bouwwerken

Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing in bouwwerken, door:

1. De verbetering van de energie-efficiëntie door:

(…)

1.2.D. Een warmtepomp of warmtepompboiler (…)".

In de met voornoemde categorie A, code 1.2.D. overeenkomende code 111101 in de brochure Energie-investeringen 2001, is onder meer het volgende vermeld:

"111101 (…)

Warmtepomp of warmtepompboiler

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij daartoe bestemd formulier, door het Bureau Investeringsregelingen en willekeurige afschrijving van de Belastingdienst ontvangen op 29 juni 2001, heeft appellante een verzoek gedaan om een verklaring dat de daarbij aangemelde investeringen in het bedrijfsmiddel 'Centraal bronnensysteem ten behoeve van warmtepomp', onder code 111101 investeringen zijn die zijn aangewezen als zijnde in het belang van een doelmatig gebruik van energie in de zin van artikel 3:42, eerste lid, van de Wet IB (hierna: energie-verklaring).

- Bij brief van 5 november 2001 heeft appellante nadere informatie over voornoemd bedrijfsmiddel verstrekt door overlegging van, onder meer, een document, door de betrokken partijen geduid als overeenkomst, tussen appellante en de leverancier, C, te D, terzake van de levering en montage van de aanleg van een collectief bronsysteem op bedrijventerrein "E" te F, waaronder begrepen de onderhavige warmtepomp. Dit document vermeldt het volgende:

"27/03 '01 DIN 14.45 fax 030 297 3995 REMU POWER PLUS BV (…)

C; +31 15 2137000 mrt-26-01 15:28 (…)

(…)

Overeenkomst betreffende de aanleg van een collectief bronsysteem op bedrijven terrein "E" te F.

De ondergetekenden:

. N.V. REMU te Utrecht, hierna te noemen Remu, vertegenwoordigd door

G, directeur commercieel bedrijf

en

. C te D, hierna te noemen C, vertegenwoordigd door H, directeur,

komen het volgende overeen.

1. GRONDWATERDISTRIBUTIESYSTEEM

Definitie

(…)

Hierbij horen de noodzakelijke (…) pompen (…)

C. 26-maart-2001

(…)

Aldus overeengekomen op ??

N.V. Remu C

[ handtekening ] [ handtekening ]

G H

27/3/01

26/03 '01 MAA 15:25 (…)"

- Bij faxbericht van 7 november 2001 heeft appellante nadere informatie over voornoemd bedrijfsmiddel verstrekt door overlegging van een overeenkomst, waarin is vermeld "Aldus overeengekomen op 3 april 2001" en ondertekend door appellante en C, terzake van de levering en montage van onder meer voornoemde warmtepomp.

- Bij besluit van 15 november 2001 heeft verweerder op het verzoek om een energie-verklaring afwijzend beslist.

- Bij brief van 24 december 2001 heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Op 14 maart 2002 is appellante op haar bezwaren gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit is, voor zover hier van belang, het volgende overwogen en beslist:

"In de meldingsfase heeft u mij de overeenkomst verstrekt tussen de firma C en de firma Remu betreffende de aanleg van een collectief bronsysteem op het bedrijventerrein 'E' te F. Blijkens de tweede faxregel die aan de bovenkant op het papier van de overeenkomst is afgedrukt, is deze op 26 maart 2001 om 15:30 uur door de firma C verzonden. De overeenkomst is op 27 maart 2001 ondertekend door een daartoe bevoegde vertegenwoordiger van de firma Remu. Blijkens de eerste faxregel die aan de bovenkant op het papier van de overeenkomst is afgedrukt, is de overeenkomst op 27 maart 2001 om 14:45 uur door de firma Remu teruggezonden.

Aangenomen moet worden dat deze verzending aan de firma C heeft plaatsgevonden. Nadien heeft u mij een overeenkomst verstrekt, gedateerd 3 april 2001, die qua inhoud niet afwijkt van de eerdere overeenkomst, gedateerd 27 maart 2001. Ook deze overeenkomst is ondertekend.

Ik heb thans twee ondertekende stukken met verschillende data in mijn bezit die aangeduid zijn als overeenkomst en die inhoudelijk identiek zijn. In bezwaar heeft u aangegeven dat de overeenkomst, gedateerd 27 maart 2001, een conceptovereenkomst was. Door uw ondertekening van de overeenkomst op 27 maart 2001 heeft u bedoeld het mondelinge traject af te ronden. Hiermee wilde u voorkomen dat de overeenkomst niet door zou gaan. Buiten het feit om op welk moment de firma C de overeenkomst heeft ondertekend, ben ik van oordeel dat door de ondertekening én terugzending ven de overeenkomst door de firma Remu op 27 maart 2001 de aanbieding van de firma C is aanvaard. Met deze ondertekening wordt immers door de firma Remu bevestigd dat de overeenkomst zo bedoeld is. Op dat moment kon de firma C de firma Remu rechtens binden aan de overeenkomst.

(…)

Blijk van een essentiële wijziging waaruit op 3 april 2001 een nieuwe verplichting volgt, zie ik derhalve niet.

(…)

Nu op 27 maart 2001 de verplichtingen zijn aangegaan, is de melding van het bedrijfsmiddel niet binnen drie maanden na het aangaan van de verplichtingen ontvangen.

(…)"

In aanvulling op het bovenstaande heeft verweerder in het verweerschrift en ter zitting het volgende aangevoerd.

De onderhavige overeenkomst is op 27 maart 2001 namens appellante door een daartoe bevoegd persoon ondertekend. Ook is appellante bij die overeenkomst als contractspartij aan te merken.

Het ontbreken van de benodigde accountantsverklaring levert geen gegronde reden op om de aanvraag niet tijdig in te dienen. Mogelijk zou zijn geweest de aanvraag zonder deze verklaring in te dienen. Alsdan zou sprake zijn geweest van een onvolledige aanvraag en zou appellante een hersteltermijn voor overlegging van die verklaring zijn gegeven.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep, samengevat weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Ten onrechte heeft verweerder geen energie-verklaring afgegeven, om reden dat geen sprake is van een tijdige melding.

Appellante is op 3 april 2001 verplichtingen aangegaan door ondertekening van een overeenkomst op die datum. De melding is gedaan bij brief van 27 juni 2001. De melding heeft derhalve binnen de termijn van drie maanden en dus tijdig plaatsgevonden.

Weliswaar heeft appellante op 27 maart 2001 een stuk ondertekend en retour gefaxt naar C, doch dit stuk betrof slechts een concept-overeenkomst. Dit concept is op 27 maart 2001 slechts ondertekend teneinde het mondelinge traject af te ronden en ter voorkoming dat de overeenkomst niet door zou gaan. Appellante ontving eerst op 4 april 2001 van C de definitieve overeenkomst waarin de datum van overeenstemming is vastgesteld op 3 april 2001. Bevestiging hiervan wordt gevonden in de benaming van het eerste stuk: ContractRemu3.doc en de definitieve overeenkomst van 3 april 2001: ContractRemu-def.doc.

Daarenboven is het door appellante op 27 maart 2001 ondertekende concept door C op 26 maart 2001 ongetekend naar appellante gefaxt, zodat ook hierom geen sprake is van een op 27 maart 2001 tot stand gekomen overeenkomst.

Appellante en C hebben met elkaar afgesproken dat 3 april 2001 de datum is waarop de overeenkomst tot stand is gekomen. Geen enkele reden bestond derhalve om aan te nemen dat op 27 maart 2001 reeds een overeenkomst tot stand was gekomen. De behandelaar van het onderhavige verzoek, een niet-jurist, is er steeds te goeder trouw van uitgegaan dat eerst op 3 april 2001 een overeenkomst tot stand is gekomen. Dit is ook de reden waarom de melding eerst bij brief - en niet per fax - van 27 juni 2001 is gedaan. Daar komt bij dat de benodigde accountantsverklaring vanwege familieomstandigheden van de accountant niet eerder kon worden verkregen dan op 27 juni 2001. Sprake is derhalve van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Bovendien is de heer G niet bevoegd om de overeenkomst op 27 maart 2001 te ondertekenen. De overeenkomst moet worden geacht te zijn aangegaan door Remu Power Plus B.V. en niet door appellante, terwijl de heer G niet bevoegd is om Remu Power Plus B.V. te vertegenwoordigen.

Daarenboven hebben de contacten tot 3 april 2001 tussen appellante en C uitsluitend plaatsgevonden tussen beslissingsonbevoegde functionarissen aan beide kanten. Gelet hierop kan niet worden uitgegaan van een op 27 maart 2001 rechtsgeldig tot stand gekomen overeenkomst.

Indien al sprake is van een termijnoverschrijding, dan is deze uiterst gering, namelijk 3 dagen. Niet redelijk is om die termijnoverschrijding appellante tegen te werpen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ter beoordeling staat de vraag of verweerder terecht heeft gehandhaafd zijn beslissing dat appellante het, bij de aanmelding van de investeringen met betrekking tot het onderhavige bedrijfsmiddel gedane, verzoek om een energie-verklaring niet tijdig, dus niet binnen drie maanden na het aangaan van de verplichtingen heeft gedaan. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, juncto artikel 5, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling volgt dat het verzoek om afgifte van een energie-verklaring gedaan dient te worden binnen drie maanden na het aangaan van de verplichtingen.

Niet is in geschil dat het verzoek met betrekking tot de onderhavige warmtepomp door verweerder is ontvangen op 29 juni 2001. Hetgeen partijen verdeeld houdt betreft de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante op 27 maart 2001 de verplichting is aangegaan tot koop van de warmtepomp als bedoeld in hiervoor weergegeven artikelen.

Het College beantwoordt die vraag bevestigend omdat appellante, door middel van ondertekening en retournering van de zijdens C opgestelde, ongeclausuleerde tekst van de overeenkomst op 27 maart 2001 de verplichting is aangegaan tot koop van de warmtepomp.

Daargelaten in hoeverre daaraan in juridisch opzicht doorslaggevende betekenis toekomt, acht het College de stelling van appellante dat de op 27 maart 2001 door haar geretourneerde faxversie van de overeenkomst niet door C was ondertekend, niet aannemelijk. Hierbij is van betekenis dat blijkens de op die overeenkomst afgedrukte weergave van de faxactiviteiten, gezien de tweede respectievelijk eerste faxregel aan de bovenkant van die overeenkomst, deze door C op 26 maart 2001 om 15:30 uur naar het faxnummer van appellante is verzonden en door appellante, na ondertekening, op 27 maart 2001 om 14:45 uur naar C is teruggefaxt. Gelet hierop kan het College niet anders concluderen dan dat op 26 maart 2001 bij de faxverzending van C aan appellante, de overeenkomst reeds namens C was ondertekend. Niet valt immers in te zien op welke andere datum dan 26 maart 2001 die handtekening namens C op de overeenkomst zou zijn geplaatst.

Gelet op het vorenstaande strandt het betoog van appellante dat slechts sprake was van een concept-overeenkomst op 27 maart 2001. Dat appellante, naar gesteld, zich niet heeft gerealiseerd dat op die datum reeds een overeenkomst tot stand was gekomen kan niet tot een ander oordeel leiden. Ook de stelling van appellante dat zij en C hebben afgesproken om de overeenkomst van 27 maart 2001 als concept en de overeenkomst van 3 april 2001 als definitieve overeenkomst aan te merken leidt niet tot het door haar gewenste resultaat. Een dergelijke afspraak laat immers onverlet dat reeds op 27 maart 2001 tussen hen een overeenkomst tot stand is gekomen en doet er voorts niet aan af dat verweerder gehouden is te handelen conform de ter zake geldende regelgeving.

Hierbij acht het College ook van belang dat de overeenkomst van 3 april 2001 inhoudelijk gelijkluidend is aan die van 27 maart 2001.

Dat appellante, naar gesteld, eerst op 27 maart 2001 de door verweerder verlangde accountantsverklaring kon overleggen, doet aan het vorenstaande niet af. Naar het College reeds eerder heeft overwogen (AWB 02/1152, te raadplegen op www. rechtspraak.nl., LJN-nummer AF4075) werd een dergelijke verklaring bij meldingen voor 1 januari 2003 kennelijk verlangd om de betrouwbaarheid van de gegevens in de opgave van een aanvrager te verhogen. Dit neemt echter niet weg dat appellante gehouden is tijdig een verzoek om een energie-verklaring te doen. De beslissing van appellante om eerst op

27 juni 2001 de stukken zo compleet mogelijk aan verweerder toe te sturen moet derhalve voor haar rekening en risico blijven. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is dan ook geen sprake. Ook de geringe omvang van de termijnoverschrijding leidt niet tot een ander oordeel.

De beweerdelijk onbevoegde ondertekening van de op 27 maart 2001 geretourneerde fax kan appellante evenmin baten. Gesteld noch gebleken is dat appellante zich jegens haar contractspartner, C, op die onbevoegdheid heeft beroepen, terwijl bovendien de versie van 3 april 2001 namens beide partijen door dezelfde personen is ondertekend.

5.2 Naar het oordeel van het College liggen de gevolgen van de te late indiening van de verzoeken geheel binnen de risicosfeer van appellante. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de aanvrager om zich op de hoogte te stellen van de voorschriften die bij de Uitvoeringsregeling zijn gegeven en deze in acht te nemen.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2003.

w.g. M.A. van der Ham w.g. I.K. Rapmund