Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF6808

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-02-2003
Datum publicatie
03-04-2003
Zaaknummer
AWB 02/275 t/m 02/277
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 02/275 t/m 02/277 28 februari 2003

27000 Wet vermindering afdracht loonbelasting

en premie volksverzekeringen

Uitspraak in de zaak van:

1. A Offset B.V.,

2. Beheermaatschappij A B.V.,

beiden gevestigd te B, appellanten,

gemachtigde: G.F. Gijsberti Hodenpijl, bedrijfsadviseur te Oisterwijk,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr I.A.M. van Nieuwkerk en mr D.N.Th. van der Weerd, beiden werkzaam bij verweerders agentschap Senter.

1. De procedure

Op 29 januari 2002 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen drie besluiten van verweerder van 21 december 2001.

Bij die besluiten heeft verweerder de bezwaren van appellanten tegen intrekkingen van de aan appellanten verstrekte S&O-verklaringen ongegrond verklaard.

Op 6 maart 2002 is een aanvullend beroepschrift ingekomen.

Op 13 mei 2002 is een verweerschrift ingekomen.

Op 3 januari 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten nader hebben toegelicht. Aan de zijde van appellanten is tevens verschenen A, directeur van appellante sub 2.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De relevante bepalingen van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: de Wva) luiden ten tijde van de besluitvorming in de onderhavige zaken als volgt:

"Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

n. speur- en ontwikkelingswerk: door een S&O-inhoudingsplichtige, dan wel een S&O-belastingplichtige, systematisch georganiseerde en in Nederland verrichte werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek of de ontwikkeling van voor de S&O-inhoudingsplichtige onderscheidenlijk de S&O-belastingplichtige technisch nieuwe:

1°. fysieke producten;

2°. onderdelen van fysieke producten;

3°. fysieke productieprocessen;

4°. onderdelen van fysieke productieprocessen;

5°. programmatuur of

6°. onderdelen van programmatuur,

alsmede daaraan voorafgaand in Nederland verricht haalbaarheidsonderzoek;

(…)

q. S&O-verklaring: de door Onze Minister van Economische Zaken op de voet van artikel 24 aan een S&O-inhoudingsplichtige of een S&O-belastingplichtige afgegeven verklaring betreffende speur- en ontwikkelingswerk.

Artikel 22

(…)

7. De inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven houdt een overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen regels ingerichte administratie bij met betrekking tot het verrichte speur- en ontwikkelingswerk, de daarbij betrokken werknemers en het door hen ter zake genoten loon.

Artikel 24

(…)

7. (…) Een S&O-verklaring kan tevens worden ingetrokken indien blijkt dat de in artikel 25 bedoelde administratie niet voldoet aan het bij of krachtens dat artikel bepaalde. De bevoegdheid tot het wijzigen of intrekken van een verklaring vervalt door verloop van vijf jaren na de dagtekening van de verklaring.

(…)

Artikel 25

De S&O-inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven houdt een overeenkomstig bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken vast te stellen regels ingerichte administratie bij met betrekking tot de aard en de inhoud van het verrichte speur- en ontwikkelingswerk en de uren welke de daarbij betrokken werknemers hebben besteed aan het speur- en ontwikkelingswerk. (…) "

Artikel 2 van de Uitvoeringsregeling administratieve voorschriften S&O-vermindering (hierna: de Uitvoeringsregeling) luidt als volgt:

"De S&O-inhoudingsplichtige of S&O-belastingplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven dient een zodanige administratie bij te houden dat daaruit uiterlijk twee maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin werkzaamheden zijn verricht waarop de verklaring betrekking heeft op eenvoudige en duidelijke wijze zijn af te leiden:

a. de aard en de inhoud van het verrichte speur- en ontwikkelingswerk;

b. het aantal uren dat de betrokken werknemers, dan wel de betrokken S&O-belastingplichtige aan het verrichte speur- en ontwikkelingswerk per project hebben besteed."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluiten van 3 maart 1998 en 19 oktober 1999 heeft verweerder de werkzaamheden die appellante sub 1 had voorgenomen met haar projecten "Colormanagement" en "Computer to digitale film (CFT) system" en appellante

sub 2 met laatstgenoemd project, aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk in de zin van artikel 1 van de Wva en terzake S&O-verklaringen verstrekt.

- Op 1 december 2000 heeft verweerders projectadviseur C een bedrijfsbezoek gebracht aan appellanten. Van dit bezoek is rapport uitgebracht, waarin, voorzover hier van belang, het volgende is vermeld:

"Projectadministratie

Een opsomming wat in de projectadministratie werd aangetroffen;

-invalshoeken onderzoek

-programma van eisen color management

-6 maandrapportages / opsomming punten van onderzoek per maand (beoordelen ingekochte apparatuur zoals cartridges, printers en beeldschermen belangrijkste items)

-testen met instellingen color management (proefondervindelijk)

-digital printing programma van eisen

-maandrapportages color management

-externe documenten als:

? Introduction to CTP Imaging (Agfa Digital Roadmaps);

? Paper Requirements in Digital Printing (H. van Eeghen, Berghuizer Papierfabriek)

-rapportage werkgroep Rapportage I met:

? materiaal soorten bestuderen;

? andere aspecten meenemen als:- formaatinstellingen mogelijk;

- ingangssysteem; - koelsysteem

Overig

Na het doornemen van de projectadministratie heb ik te kennen gegeven de link met de S&O-activiteiten genoemd in aanvraag en antwoordbrief na vragen te missen. Uit de projectadministratie blijkt niet de technische inbreng van de medewerkers van A Offset in de projecten. Er zitten geen schetsen, tekeningen of andersoortige technische stukken in het dossier waaruit S&O zou moeten blijken. De heer Gijsberti Hodenpijl is een geheel andere mening toegedaan en vindt dat Senter met twee maten meet en zegt daar ook de bewijzen voor te hebben. Ik heb hier in het geheel niet op gereageerd. Volgens de heer Gijsberti Hodenpijl wordt er duidelijk een technisch nieuw fysiek productieproces ontwikkeld door aanvrager, en wordt er gezocht naar een eigen technische oplossing. De heer A stelt dat er echt wel schetsen en tekeningen zijn maar dat die nu niet beschikbaar zijn. Op mijn vraag waar die dan nu zijn en door wie deze gemaakt zijn, wordt kortaf geantwoord dat Senter de gewenste tekeningen op korte termijn kan krijgen. Afspraak wordt gemaakt dat dit binnen 2 weken na bezoek zal gebeuren, bevestiging (Senter) van gemaakte afspraak volgt zo snel mogelijk."

- Appellanten hebben op 14 februari 2001 aanvullende informatie verstrekt aan Senter.

- Bij besluiten van 7 juni 2001 heeft verweerder de vermelde S&O-verklaringen ingetrokken.

- Hiertegen hebben appellanten bij brief van 17 juli 2001 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

Bij de bestreden, inhoudelijk gelijkluidende besluiten heeft verweerder de intrekkingen van de S&O-verklaringen gehandhaafd. Hiertoe is onder meer het volgende overwogen:

"Op 1 december 2000 is bij u een bedrijfsbezoek afgelegd. Tijdens dit bedrijfsbezoek is u te kennen gegeven dat uit de projectadministratie niet blijkt welke werkzaamheden u binnen het project heeft verricht. (…)

In uw bezwaarschrift stelt u dat er wel degelijk een redelijke projectadministratie en behoorlijke urenverantwoording voorhanden is. Over deze stelling wil ik het volgende opmerken. De eis uit artikel 2 van de Uitvoeringsregeling houdt onder meer in dat uit de projectadministratie op eenvoudige wijze de aard, inhoud en voortgang van de uitgevoerde werkzaamheden moeten kunnen worden afgeleid. Het moet voor mij dus in alle gevallen op eenvoudige wijze mogelijk zijn om te controleren of die werkzaamheden zijn uitgevoerd waarvoor ik een S&O-verklaring heb afgegeven. U stelt dat u wel degelijk S&O-werkzaamheden heeft verricht binnen dit project. Zoals hierboven reeds is overwogen blijkt dit niet uit uw projectadministratie. (…)

(…)

Bevoegdheid tot intrekken

De intrekking of wijziging van de S&O-verklaring betreft een bevoegdheid die op grond van artikel 24, zevende lid, uitdrukkelijk in de Wet is opgenomen. Ik ben van mening dat aanvragers hiervan op de hoogte dienen te zijn en zich de consequenties dienen te realiseren indien niet wordt voldaan aan de wettelijke eisen. Ik heb ervoor gekozen een vast en eenduidig beleid ten aanzien van de intrekking of wijziging van een S&O-verklaring te voeren. Bij een controlebezoek wordt nagegaan of de werkzaamheden waarvoor een S&O-verklaring is afgegeven daadwerkelijk zijn uitgevoerd. De aanwezigheid van de vereiste uren- en projectadministratie is hierbij van groot belang, omdat het voor mij de enige mogelijkheid biedt om te controleren of dat het geval is. Wanneer hieruit niet blijkt dat S&O-werkzaamheden zijn verricht, is het mijn beleid om de verklaring in te trekken.

Ook in dit geval acht ik, na afweging van alle belangen, waaronder ook het financiële belang van de S&O-inhoudingsplichtige, de intrekking van de S&O-verklaring gerechtvaardigd."

Hieraan heeft verweerder bij zijn verweerschrift onder meer het volgende toegevoegd:

"Projectadministratie

De projectadministratie, zoals die is aangetroffen bij het bedrijfsbezoek, bevat met name programma's van eisen, (maand)rapportages, instellingstesten en enkele externe documenten. Uit deze stukken, die veelal trefwoordachtige aanduidingen bevatten, kon bij het bedrijfsbezoek niet worden afgeleid dat er sprake was van eigen S&O. Ook de schetsen die naderhand nog aan mij zijn toegezonden met betrekking tot het project Computer to digitale film, gaven mij geen aanleiding te concluderen dat door appellanten S&O is verricht. De projectadministratie geeft mij geen inzicht in concrete technische knelpunten en hoe deze zijn opgelost.

Uit de projectadministratie is derhalve niet eenvoudig en duidelijk af te leiden wat de aard en inhoud van de verrichte werkzaamheden is (…)"

Ter zitting heeft verweerder, desgevraagd, te kennen gegeven dat hij de tweede, bij het bestreden besluit gehandhaafde intrekkingsgrond, inhoudende dat appellante tijdens de aanvraagfase een zodanig onjuiste voorstelling van de eigen werkzaamheden heeft gegeven, dat geen S&O-verklaringen zouden zijn verstrekt indien bij de beoordeling van de aanvraag bekend zou zijn geweest dat zij geen technisch inhoudelijke werkzaamheden binnen het project ging uitvoeren, niet langer handhaaft.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben bij aanvullend beroepschrift onder meer het volgende tegen de bestreden besluiten aangevoerd:

"Op 1 december 2000 heeft er door Senter (C) een bedrijfsbezoek plaatsgevonden te B.

Naar aanleiding daarvan is pas na 6 maanden de intrekkingsbeschikkingen gestuurd, dit merk ik aan als onbehoorlijk bestuur.

Ook is tussentijds geen enkele reactie van Senter gekomen, om aan te geven dat e.e.a. nog in onderzoek zou zijn.

De reden van intrekking betwisten wij, omdat dezerzijds wel degelijk aan de projectadministratie, alsmede noodzakelijke uren registratie is voldaan.

Ook in het bezoek alsmede tijdens de hoorzitting is uitgebreid informatie verschaft betreffende de feitelijke ontwikkelingen, waarbij opgemerkt dat tijdens de speurwerk activiteiten ten dele nieuwe informaties en onderzoekingen, de richting van de ontwikkeling enigszins veranderd hebben.

Dat is ook zeer aannemelijk daar als alles al bij het aanvragen bekend zou zijn er feitelijk geen speurwerk verricht zou hoeven worden en er geen technische risico's of knelpunten meer zouden zijn.

Er was een uitvoerige project administratie aanwezig met goede onderbouwing en deugdelijke rapportages en tekeningen/schetsen etc.

Voorts is ook duidelijk geworden dat de deskundigheid van Senter om tot een goede beoordeling te komen aangaande de Computer to Plate technieken, te kort schiet en derhalve dan maar afwijzingen volgen.

(…)

Wij stellen dat hier sprake is van:

enerzijds een weldegelijk uitgevoerd S&O project conform de aanvragen en de daarop verleende positieve beschikkingen, anderzijds Senter op geen enkele wijze hard maakt dat er geen S&O-werkzaamheden niet zijn uitgevoerd door A. Dus sprake van onbehoorlijk bestuur. "

Voorts hebben appellanten gesteld dat, gegeven de geringe omvang van hun bedrijven, voor hen een minder vergaande administratieplicht heeft te gelden dan voor grote of middelgrote bedrijven. Appellanten hebben er in dit verband op gewezen, kort samengevat, dat bij de (kwaliteits)beoordeling door de Vereniging productbewaking grafische industrie in de tachtiger jaren van kleine grafische bedrijven ook geen uitvoerige administratie werd verlangd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College overweegt in het licht van verweerders uiteenzettingen dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat de door appellanten overgelegde administratie te summier is om te voldoen aan de in artikel 25 Wva juncto artikel 2 van de Uitvoeringsregeling neergelegde verplichting een administratie bij te houden waaruit op eenvoudige en duidelijke wijze de aard en de inhoud van het verrichte speur- en ontwikkelingswerk en de daaraan bestede uren zijn af te leiden. Het College volgt appellanten niet waar zij stellen dat, gelet op de geringe omvang van hun bedrijven, de wettelijke administratieplicht niet ten volle op hen van toepassing is. In de Wva is immers niet bepaald dat voor kleine bedrijven een andere, minder vergaande administratieplicht geldt dan voor grote of middelgrote bedrijven.

Nu appellanten niet aan de op hen rustende, wettelijke administratieplicht hadden voldaan, was verweerder ingevolge artikel 24, zevende lid, van de Wva bevoegd tot intrekking van de S&O-verklaringen, verstrekt bij besluiten van 3 maart 1998 en 19 oktober 1999.

5.2 Het betoog van appellanten, dat de intrekkingsbesluiten pas zes maanden na het bedrijfsbezoek aan appellanten zijn toegezonden, en dat mocht worden aangenomen dat de projectadministraties akkoord waren bevonden toen na het bedrijfsbezoek van 1 december 2000 geen reactie van Senter volgde, faalt reeds bij gebreke aan feitelijke grondslag. Verweerders projectadviseur C heeft immers tijdens dat bedrijfsbezoek appellanten in kennis gesteld van zijn opvatting dat de projectadministratie geen blijk geeft van de S&O-activiteiten en de werkzaamheden van ieder der betrokken medewerkers in de projecten. In afwachting van verweerders nadere onderzoek van tekeningen die bij het bedrijfsonderzoek op 1 december 2000 hebben ontbroken en die appellanten op 14 februari 2001 aan verweerder hebben verstrekt, konden appellanten er dan ook niet van uitgaan dat hun projectadministraties akkoord waren bevonden.

Voorts overweegt het College dat de projectadministraties van appellanten aan de wettelijke vereisten behoorden te voldoen op het moment waarop bedoeld bedrijfsbezoek plaatsvond. Op de juistheid van verweerders conclusie dat appellanten op dat moment niet hadden voldaan aan hun desbetreffende verplichting, is niet van invloed hetgeen appellanten na het bedrijfsbezoek door het uitblijven van de intrekkingsbesluiten hebben gedaan of nagelaten.

5.3 Nu de intrekking van de S&O-verklaringen, zoals gehandhaafd bij de bestreden besluiten, tenslotte uitsluitend grondslag vindt in een gebrekkige projectadministratie en niet steunt op een technisch inhoudelijke beoordeling van de werkzaamheden van appellanten, treffen de overige grieven van appellanten geen doel.

5.4 Uit het vorenoverwogene volgt dat de beroepen ongegrond zijn. Aldus zal worden beslist.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2003.

w.g. M.J. Kuiper w.g. W.F. Claessens