Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF6807

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-03-2003
Datum publicatie
03-04-2003
Zaaknummer
AWB 02/1210
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet 58k
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 02/1210 6 maart 2003

16010 Meststoffenwet

Registratie referentie hoeveelheid

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigden: mr. S.C Vissering-van der Reijt en mr. M. Haan, werkzaam bij Bureau Heffingen.

1. De procedure

Op 17 juni 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 3 mei 2002. Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een afwijzende beslissing naar aanleiding van een door appellant aan het Bureau Heffingen toegezonden formulier "melding pluimveerechten inclusief hardheidsgevallen".

Nadat appellant bij brief van 18 juli 2002 de gronden van het beroep heeft aangevuld, heeft verweerder op 16 augustus 2002 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 24 januari 2003 heeft verweerder aan het College een afschrift gezonden van de herziene beslissing van eveneens 24 januari 2003 op het bezwaar van appellant.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2003, waar verweerder zijn standpunt bij monde van zijn gemachtigden nader heeft toegelicht. Appellant is niet ter zitting verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij brief van 6 november 1998 (kamerstukken II, 1998-1999, 26 280, nr. 1) heeft verweerder de Tweede Kamer onder meer te kennen gegeven dat het kabinet het gezien de ontwikkelingen in de pluimveesector onvermijdelijk acht de groei van deze sector een halt toe te roepen en dat ter verwezenlijking van dit doel een stelsel van pluimveerechten in het leven zal worden geroepen. In de bijlage bij deze brief is onder meer aangegeven dat bij de bepaling van de hoogte van het pluimveerecht rekening wordt gehouden met onomkeerbare investeringsverplichtingen die zijn aangegaan met het oog op uitbreiding of omschakeling binnen het mestproductierecht dat reeds op een bedrijf rust.

Het vorenstaande heeft geleid tot de Wet van 7 december 2000 tot wijziging van de Meststoffenwet (hierna: Mw) in verband met de invoering van een stelsel van pluimveerechten (Stb. nr. 538, hierna: Wijzigingswet), die op 1 januari 2001 in werking is getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet is de hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen die in een kalenderjaar mag worden geproduceerd vastgelegd op het niveau van vóór 1998 en aldus aan een maximum gebonden, dat wordt uitgedrukt in het zogeheten pluimveerecht, zoals omschreven in artikel 1, eerste lid, onder aj, van de Mw. In artikel 58h, eerste lid, Mw is bepaald dat het pluimveerecht overeenkomt met de in het referentiejaar op het bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen. Ingevolge artikel 58g, tweede lid, Mw geldt als referentiejaar 1997, tenzij ten aanzien van een daartoe door de belanghebbende aangemeld bedrijf 1995 of 1996 als referentiejaar is gekozen. Ingevolge het derde lid van dit artikel kan ten aanzien van een zodanig bedrijf onder bepaalde voorwaarden 1994 als referentiejaar worden gekozen.

In artikel 58k Mw is de in de bijlage bij verweerders brief van 6 november 1998 bedoelde (hardheids)regeling neergelegd voor gevallen waarin onomkeerbare investerings-verplichtingen zijn aangegaan met het oog op uitbreiding of omschakeling binnen het mestproductierecht dat reeds op een bedrijf rust. Het eerste lid, aanhef en onder a, van dit artikel - "hardheidsgeval 1" - luidt voor zover hier van belang als volgt:

"1. De omvang van het pluimveerecht van een daartoe aangemeld bedrijf wordt, in afwijking van de artikelen 58h, 58i en 58j, bepaald overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels indien:

a. in de periode van 1 januari 1994 tot en met 5 november 1998 ten behoeve van een vergroting van het aantal op het bedrijf te houden kippen of kalkoenen met ten minste 10% ten opzichte van het aantal dat zou kunnen worden gehouden indien het pluimveerecht zou worden bepaald overeenkomstig artikel 58h dan wel in voorkomend geval artikel 58i,

- door het bevoegd gezag een milieuvergunning is verleend,

(…)

en uiterlijk op 1 januari 2004 extra huisvesting is gebouwd om alle kippen of kalkoenen die ingevolge het op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 58c geldende pluimveerecht kunnen worden gehouden, te kunnen huisvesten overeenkomstig de voor het bedrijf geldende milieuvergunning (…)

(…)

3. Bij de in het eerste lid bedoelde maatregel kunnen voor de toepassing van dit artikel nadere regels worden gesteld en kan de toepasselijkheid van dit artikel worden beperkt en aan voorwaarden worden verbonden."

De in artikel 58k, eerste lid, Mw genoemde algemene maatregel van bestuur is het eveneens op 1 januari 2001 inwerkinggetreden Uitvoeringsbesluit pluimveerechten Meststoffenwet (hierna: Uitvoeringsbesluit). Artikel 4 Uitvoeringsbesluit luidt voorzover hier van belang als volgt:

"1. De omvang van het pluimveerecht van een bedrijf ten aanzien waarvan is voldaan aan de voorwaarden, gesteld in artikel 58k, eerste lid, onderdeel a, van de wet en gesteld in deze paragraaf, komt overeen met de overeenkomstig hoofdstuk V, titel 2, paragraaf 3, met uitzondering van de artikelen 58k en 58m, van de wet bepaalde hoeveelheid, vermeerderd met de door de belanghebbende bij de melding aangegeven hoeveelheid fosfaat.

2. De door de belanghebbende aangegeven hoeveelheid fosfaat komt ten hoogste overeen met:

a. het op 5 november 1998 voor het bedrijf geldende mestproductierecht, verminderd met de overeenkomstig hoofdstuk V, titel 2, paragraaf 3, met uitzondering van de artikelen 58k en 58m, van de wet bepaalde hoeveelheid fosfaat, of, indien de aldus bepaalde hoeveelheid minder is,

b. de hoeveelheid meststoffen afkomstig van het aantal kippen en kalkoenen waarmee het aantal op het bedrijf te houden kippen of kalkoenen kan worden vergroot ingevolge:

- de milieuvergunning, bedoeld in artikel 58k, eerste lid, onderdeel a, eerste gedachtestreepje van de wet (…)

(…)

ten opzichte van:

1e . het aantal dat kon worden gehouden op grond van de Wet milieubeheer voor de verlening van deze milieuvergunning (…) of, indien het aldus bepaalde aantal hoger is,

2e . het aantal dat zou kunnen worden gehouden indien het pluimveerecht zou worden bepaald overeenkomstig hoofdstuk V, titel 2, paragraaf 3, met uitzondering van de artikelen 58k en 58m, van de wet.

3. (…)"

Ingevolge artikel 8.18, eerste lid en onder a, Wet milieubeheer (hierna: Wm) vervalt de vergunning indien de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden is voltooid en in werking gebracht.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 21 februari 1995 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente Vlist naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag op grond van de Wm aan appellant vergunning verleend voor de inrichting aan de C-weg te X, op grond waarvan in de inrichting 70.000 vleeskuikens aanwezig mogen zijn.

- Appellant heeft onder verwijzing naar voormelde milieuvergunning aan Bureau Heffingen een op 15 mei 2001 ondertekend formulier "melding pluimveerechten inclusief hardheidsgevallen" doen toekomen.

- Bij besluit van 20 november 2001 heeft Bureau Heffingen appellant bericht dat hij niet in aanmerking komt voor toepassing van hardheidsgeval 1.

- Bij brief van 28 december 2001 heeft appellant tegen voormeld besluit bezwaar gemaakt. In het kader van zijn bezwaar heeft appellant een brief van de gemeente Vlist van 1 maart 2002 met bijlagen overgelegd. Hieruit volgt, voorzover hier van belang, dat bij een milieucontrole op 18 november 1993 is gebleken dat de bij (Hinderwet)vergunning van 19 juni 1992 voor de inrichting C-weg toegestane uitbreiding tot 70.000 kuikens niet gerealiseerd was.

- Vervolgens heeft verweerder het bezwaar bij besluit van 3 mei 2002 afgewezen.

Bij dit besluit heeft verweerder op basis van een vergelijking tussen het aantal kippen dat in de nieuwe milieuvergunning wordt genoemd en het voorheen vergunde aantal geconstateerd dat de nieuwe milieuvergunning niet ziet op een uitbreiding van het aantal te houden kippen en voorts gesteld dat uit de door appellant overgelegde stukken van de gemeente Vlist niet blijkt dat sprake is geweest van het vervallen van (een deel van) de oude Hinderwetvergunning.

- Bij uitspraak van 10 oktober 2002 (AWB 02/286) heeft het College geoordeeld dat artikel 58k, eerste lid, aanhef en onder a, Mw ziet op de situatie waarin in het tijdvak van 1 januari 1994 tot 6 november 1998 een milieuvergunning is verleend met het oog op vergroting van het aantal kippen/kalkoenen dat feitelijk (curs. CBb) wordt gehouden.

- Naar aanleiding van voormelde uitspraak heeft verweerder zijn beslissing van 3 mei 2002 bij besluit van 24 januari 2003 ingetrokken en opnieuw op het bezwaar van appellant beslist.

3. Het bestreden besluit

Het besluit van 24 januari 2003 houdt - samengevat - het volgende in.

Uit de uitspraak van het College van 10 oktober 2002 blijkt dat, anders dan bij het besluit van 3 mei 2002 is gebeurd, bij de toepassing van artikel 58k, eerste lid, aanhef en onder a, Mw een vergelijking moet worden gemaakt tussen het aantal kippen dat in het gekozen referentiejaar feitelijk werd gehouden en het aantal dat in de (nieuwe) milieuvergunning is bepaald. Deze uitbreiding moet tenminste 10 % bedragen. Nu op het bedrijf van appellant ten tijde van de (aanvraag voor de) nieuwe milieuvergunning 56.000 vleeskuikens werden gehouden en de capaciteit pas na het verlenen van die vergunning is uitgebreid naar 70.000 wordt aan deze eis voldaan. Op grond van artikel 58k, eerste lid, Mw vindt vervolgens berekening van het eventuele extra pluimveerechten plaats overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels. Deze algemene maatregel van bestuur is het Uitvoeringsbesluit.

Op grond van artikel 4, tweede lid, Uitvoeringsbesluit komt de vergroting van het pluimveerecht ten hoogste overeen met de hoeveelheid meststoffen afkomstig van het aantal kippen/kalkoenen waarmee het ingevolge de nieuwe milieuvergunning op het bedrijf te houden kippen/kalkoenen kan worden vergroot ten opzichte van het aantal dat vóór de verlening van deze milieuvergunning op grond van de Wm kon worden gehouden.

Dit betekent dat voor de berekening van de omvang van het extra pluimveerecht gelet op artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit wel degelijk een vergelijking moet worden gemaakt tussen de aantallen in de voorgaande vergunning en de aantallen in de nieuwe vergunning.

Vaststaat dat zowel de (oude) vergunning van 19 juni 1992 als de (nieuwe) vergunning van 21 februari 1995 zien op 70.000 vleeskuikens. Voorts blijkt uit de brief van de gemeente Vlist van 1 maart 2002 met bijlagen niet dat (een gedeelte van) de oude vergunning van rechtswege zou zijn vervallen. Nu tussen de data van de oude en nieuwe vergunning-verlening nog geen periode van drie jaar is verstreken, kan van het (gedeeltelijk) vervallen van die oude vergunning gelet op artikel 8.18 Wm ook geen sprake zijn (geweest).

Gelet op het vorenstaande kan appellant, hoewel hij voldoet aan het bepaalde in artikel 58k, eerste lid en onder a, Mw, niet voor een extra pluimveerecht in aanmerking komen, zodat zijn bezwaar kennelijk ongegrond is.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep aangevoerd dat er wel sprake is geweest van het gedeeltelijk vervallen van de oude Hinderwetvergunning en dat de gemeente Vlist heeft verzuimd naar aanleiding hiervan actie te ondernemen. Ten bewijze van zijn stelling heeft appellant verwezen naar de aantallen mestkuikens, die blijkens zijn diertellingkaarten (gemiddeld) in de jaren 1993 tot en met 1997 op zijn bedrijf aanwezig waren. Naar de opvatting van appellant dient verweerder bij de toepassing van hardheidsgeval 1 met deze gegevens rekening te houden.

5. De beoordeling van het geschil

Bij het besluit van 24 januari 2003 heeft verweerder zijn eerdere beslissing op bezwaar van 3 mei 2001 ingetrokken. Het beroep van appellant moet ingevolge het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 24 januari 2003. Nu gesteld noch gebleken is dat appellant nog een zelfstandig belang heeft bij een beoordeling van het ingetrokken besluit van 3 mei 2001, welk besluit - zij het op andere gronden - evenals het besluit van 24 januari 2003 een ongegrondverklaring van het bezwaar inhoudt, zal het College zich bij de beoordeling van het beroep tot laatstgenoemd besluit beperken.

Niet meer in geschil is dat, uitgaande van het voorheen daadwerkelijk op het bedrijf van appellant aantal aanwezige mestkuikens en de uitbreiding van dat aantal ten gevolge van de vergunningverlening op grond van de Wm, wordt voldaan aan de uitbreidingseis van artikel 58k, eerste lid, aanhef en onder a, Mw. Derhalve is uitsluitend de vraag aan de orde of, nu ingevolge de aanhef van voormeld artikellid in een dergelijk geval de (extra) omvang van het pluimveerecht wordt bepaald overeenkomstig de bij het Uitvoeringsbesluit te stellen regels, verweerder zich op goede gronden op het standpunt stelt dat appellant gelet op het bepaalde in - artikel 4 van - het Uitvoeringsbesluit niet voor extra pluimveerechten in aanmerking kan komen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, Uitvoeringsbesluit wordt het overeenkomstig hoofdstuk V, titel 2, paragraaf 3 - met uitzondering van de artikelen 58k en 58m - Mw bepaalde pluimveerecht vermeerderd aan de hand van de door de belanghebbende bij diens melding op grond van artikel 58k, eerste lid, Mw aangegeven hoeveelheid fosfaat. Op grond van het tweede lid van artikel 4 Uitvoeringsbesluit komt, indien dit althans leidt tot een geringere hoeveelheid dan de hoeveelheid berekend op grond van het bepaalde onder a. van dit artikellid, die aangegeven hoeveelheid overeen met het verschil in mestproductie tussen het ingevolge de (nieuwe) milieuvergunning toegestane aantal kippen/kalkoenen en het aantal dat voor die vergunning kon worden gehouden. Dit leidt op grond van het bepaalde in artikel 4, tweede lid en onder b, 2e , uitzondering indien het verschil tussen het aantal kippen/kalkoenen dat op grond van de (nieuwe) milieuvergunning kan worden gehouden en het aantal dat zou kunnen worden gehouden indien de daar bedoelde berekening wordt gevolgd tot een geringer aantal leidt.

Vaststaat dat zowel de voor de inrichting van appellant op 21 februari 1995 verleende milieuvergunning als de voordien geldende vergunning van 19 juni 1992 betrekking hebben op een aantal van 70.000 kippen (vleeskuikens). Dit verschil in (mestproductie van) het aantal vergunde kippen als bedoeld in artikel 4, tweede lid, Uitvoeringsbesluit is derhalve nihil. Nu het kleinste verschil gelet op het vorenstaande prevaleert is verweerder hier terecht vanuit gegaan.

Dit zou slechts anders zijn, indien juist is de stelling van appellant dat het aantal dieren dat op grond van de oude vergunning was toegestaan, als gevolg van het (gedeeltelijk) vervallen van die vergunning ingevolge artikel 8.18 Wm is verminderd. Hiervan is slechts sprake indien (een deel van) de inrichting, nadat de vergunning onherroepelijk geworden is, niet binnen drie jaar is voltooid en in werking gebracht. Verweerder heeft er in dit verband terecht op gewezen dat - zelfs - tussen de datum van verlening van de oude vergunning, welke datum voorafgaat aan het onherroepelijk worden van die vergunning, en de datum van de nieuwe vergunning nog geen periode van drie jaar verstreken is. Gelet op het bepaalde in artikel 8.18 Wm kan van het - gedeeltelijk - vervallen van de eerdere vergunning dan ook geen sprake zijn. Verweerder is derhalve in zijn besluit van 24 januari 2003 terecht uitgegaan van het - nihil bedragende - verschil (in mestproductie) tussen het aantal voorheen en het aantal op basis van de nieuwe milieuvergunning toegestane dieren.

De conclusie is derhalve dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant ingevolge het bepaalde in artikel 58k, eerste lid, aanhef en onder a, Mw juncto artikel 4 Uitvoeringsbesluit niet voor extra pluimveerechten in aanmerking komt.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham in tegenwoordigheid van mr. M.J. van den Broek-Prins, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2003.

w.g. M.A. van der Ham w.g. M.J. van den Broek-Prins