Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF6806

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-03-2003
Datum publicatie
03-04-2003
Zaaknummer
AWB 03/225
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

No. AWB 03/225 14 maart 2003

6000 Regeling overig

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

1) A en 2) B, beide te X, verzoeksters,

gemachtigde: mr. H.W. van Noordt Wieringa, bedrijfsjurist te Groenlo,

tegen

het bestuur van het Productschap Diervoeder, te Den Haag, verweerder,

gemachtigden: mr. A. Franken, ing. J. den Hartog MBA en mr. E. Kleijwegt, allen werkzaam bij het Productschap Diervoeder.

1. De procedure

Bij besluit van 11 februari 2003 heeft het Productschap Diervoeder (hierna: Productschap) de aan verzoekster sub 1 verleende erkenningen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Verordening PDV Erkenningsregeling GMP Diervoedersector 2000 (hierna: Verordening) met codes GH, MH, TV en HACCP opgeschort.

Op 17 februari 2003 hebben verzoeksters bij het Productschap bezwaar gemaakt tegen voornoemd besluit.

Bij brief en faxbericht van 17 februari 2003 hebben verzoeksters de voorzieningenrechter van het College verzocht het besluit van 11 februari 2003 bij wege van voorlopige voorziening te schorsen.

Bij brief van 25 februari 2003 heeft het Productschap een aantal stukken ingezonden. Bij faxbericht van 28 februari 2003 heeft het Productschap een schriftelijke reactie op het verzoek om voorlopige voorziening en nadere stukken ingezonden.

Bij faxbericht van 5 maart 2003 hebben verzoeksters nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2003. Aldaar waren aanwezig de hiervoor genoemde gemachtigden van partijen. Voorts waren aanwezig P en Q, beiden werkzaam bij verzoeksters.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Verordening is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 1

Deze verordening (…) verstaat (…) onder:

a. GMP-code: Good Manufacturing/Managing Practice code, zijnde de voorwaarden en criteria met betrekking tot bedrijfsinrichting, bedrijfsvoering, procescondities, processen, procedures, verantwoordelijkheden en voorzieningen zoals aangegeven in de bijlagen bij deze verordening, waaraan moet worden voldaan om te waarborgen dat de basiskwaliteit wordt gerealiseerd;

b. deelnemer: de ondernemer aan wie voor één of meer door hem geëxploiteerde bedrijfseenheden overeenkomstig het bepaalde bij paragraaf 2 een erkenning is verleend;

(…)

g. bedrijfseenheid: de aan de orde zijnde locatie, ingeval het een activiteit betreft in de zin van opslag, overslag, be- en verwerking dan wel productie van voedermiddelen, voormengsels of diervoeders alsmede alle locaties van een onderneming, ingeval het alleen een activiteit betreft in de zin van handel in voedermiddelen, voormengsels of diervoeders;

(…)

i. GMP-regeling: het geheel van normen met betrekking tot basiskwaliteit, de voorwaarden en criteria omtrent het kwaliteitssysteem in de GMP-codes (waaronder de HACCP-voorwaarden) en de daarbij behorende nader vastgestelde beheersingsmaatregelen, bij of krachtens deze verordening van toepassing;

(…)

Artikel 2

1. In het geval een ondernemer de basiskwaliteit jegens zijn afnemers wil borgen overeenkomstig de GMP-regeling, dan kan hij voor de bedrijfseenheid betreffende de handel in, op- en overslag, be- en verwerking, productie van voedermiddelen, voormengsels en diervoeders, dan wel het eigen vervoer, een erkenning aanvragen.

(…)

Artikel 3

(…)

3. Om voor een erkenning in aanmerking te komen, dient ten genoegen van het productschap te worden aangetoond dat in de te erkennen bedrijfseenheid alle activiteiten, waarop de GMP-regeling betrekking heeft, hieraan voldoen.

(…)

5. Indien op eenzelfde locatie meerdere rechtspersonen gevestigd zijn, die één of meer activiteiten als genoemd in artikel 2, eerste lid, uitoefenen, dienen allen voor deze verrichtingen over een GMP-erkenning te beschikken. (…)

(…)

Artikel 9

(…)

2. De deelnemer is verplicht het bepaalde bij of krachtens deze verordening na te leven.

(…)

Artikel 10

1. Indien de deelnemer de verplichtingen uit artikel 9 (…) niet naleeft, (…) kan de secretaris, namens het bestuur:

(…)

- de erkenning opschorten totdat de tekortkoming(en) ten genoegen van het productschap aantoonbaar opgeheven zijn (…)

(…)."

In bijlage I van de Verordening, de Algemene GMP-code diervoedersector, is onder meer het volgende bepaald:

"4.6 Inkoop

4.6.1 Algemeen

De ondernemer heeft schriftelijk vastgelegde procedures om te bewerkstelligen dat met ingekochte producten aan de gespecificeerde eisen bedoeld in paragraaf 4.3 (basiskwaliteit) kan worden voldaan. (…)

(…)

Minimaal dient voldaan te worden aan de specifieke aanvullende beheersmaatregelen in de andere bijlagen bij deze GMP-regeling, indien en voor zover van toepassing.

4.6.2 Het evalueren van (contractuele) toeleveranciers

De ondernemer beschikt over geactualiseerde lijsten van toeleveranciers van producten en diensten die voor de realisatie van basiskwaliteit van belang zijn.

(…)".

In bijlage V van de Verordening, de Aanvullende GMP-code voor de handelaren in voedermiddelen, is onder meer het volgende bepaald:

"4.6 Inkoop

4.6.1 Algemeen

De ondernemer koopt uitsluitend voedermiddelen van leveranciers, waarbij aantoonbaar op het moment van levering minimaal aan het volgende wordt voldaan:

1) De leverancier is een GMP-erkende handelaar in of producent van voedermiddelen.

2) Indien de toeleverancier niet GMP-erkend is, dienen ten genoegen van het productschap ten minste aantoonbaar gelijkwaardige waarborgen te worden verschaft (…)

3) (…)

Indien de ondernemer voedermiddelen van een leverancier in het buitenland afneemt die niet aan het voorgaande voldoet, dient de ondernemer aan het volgende te voldoen:

(…)

Hierbij dient minimaal voldaan te worden aan de door het productschap gestelde voorwaarden. [De voetnoot bij deze zin luidt: "Standard Quality Control of Feed Materials for Animal Feed, zoals opgenomen in de PDV bundel GMP-regeling diervoedersector.".]

(…)

4.6.2 Ongewenste stoffen en producten

Er dienen uitsluitend voedermiddelen betrokken te worden van toeleveranciers die waarborgen dat voedermiddelen worden geleverd, die geen hoger gehalte aan contaminanten bevatten dan de door het bedrijf (o.b.v. de risico-analyse) vastgestelde normen. (…)

(…)."

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Bij besluit van 6 januari 2003 heeft verweerder verzoekster sub 1 erkenningen met de codes GH, MH, TV en HACCP verleend, geldig van 1 juni 2002 tot en met 31 mei 2004. GH staat voor handel in voedermiddelen, MH staat voor handel in mengvoeders en TV staat voor transport voedermiddelen, voormengsels of mengvoeders, in eigen beheer. Blijkens het besluit van 6 januari 2003 geldt de HACCP-erkenning voor de verleende GMP-erkenningen waarvoor HACCP is vereist, in het geval van verzoekster sub 1 de handel in mengvoeders en de handel in voedermiddelen. (In het besluit van 6 januari 2003 wordt abusievelijk gesproken over het verlengen in plaats van het verlenen van erkenningen.)

- Op 11 februari 2003 is het bedrijf van verzoekster sub 1 bezocht door een inspecteur van de Keuringsdienst Diervoedersector. Naar aanleiding van dit bezoek heeft bedoelde inspecteur een rapport opgesteld, waarin onder meer het volgende is vermeld:

"(…)

2 Doel bezoek:

Controle in verband met mogelijke dioxinebesmetting in broodmeel.

3 Waarnemingen:

3.1 Informatie van medewerkers van bedrijf

Het bedrijf A heeft broodmeel afgenomen van een leverancier in Duitsland in de veronderstelling dat deze leverancier voldoet aan de eisen die in de GMP regelgeving gesteld worden. De leverancier heeft zelf contact opgenomen met A omdat het geleverde broodmeel besmet zou kunnen zijn met dioxine.

(…)

3.2 Waarnemingen inspecteur; documenten

(…)

(…)

De leverancier TWT Trockenwerk Thuringen in Apolda is niet GMP erkend of aantoonbaar gelijkwaardig.

Het bedrijf heeft aangegeven dat volgens het kwaliteitshandboek en volgens Nevedi een DIN EN ISO 9001:2000-12 certificering voldoende is.

(…)

In het kwaliteitssysteem is een lijst van leveranciers opgenomen. Bij deze lijst is de tekst opgenomen dat de leverancier een GMP+ erkenning of een ISO certificaat moet bezitten. Leveranciers die hier niet aan voldoen kunnen een schriftelijke verklaring van de borging van de basiskwaliteit afgeven. Analysecertificaten kunnen als verklaring gelden.

Een en ander is in strijd met de GMP regelgeving.

Het bedrijf heeft aangegeven dat volgens hun het handboek correspondeert met de GMP regelgeving en dat zij als zodanig gehandeld hebben.

(…)".

- Vervolgens heeft het Productschap het bestreden besluit genomen, zoals nader omschreven in rubriek 1 van deze uitspraak.

3. Het standpunt van verzoeksters

Ter onderbouwing van hun verzoek om voorlopige voorziening hebben verzoeksters met name het volgende aangevoerd.

Wat betreft de GMP-regelgeving dienen verzoeksters met elkaar te worden vereenzelvigd, zoals ook blijkt uit het GMP-handboek. Niet valt in te zien waarom één handboek niet de basis kan vormen voor erkenning van beide verzoeksters. Gelet hierop moet zowel het erkenningsbesluit van 6 januari 2003 als het opschortingsbesluit van 11 februari 2003 geacht worden betrekking te hebben op beide verzoeksters.

Afnemers willen slechts producten betrekken van GMP-erkende leveranciers. Gelet hierop heeft de opschorting van de GMP-erkenningen tot gevolg dat de bedrijven van verzoeksters stil zijn komen te liggen. De leveranties worden thans verricht door een bevriend bedrijf. Dit neemt niet weg dat, indien de opschorting voortduurt, verzoeksters waarschijnlijk definitief marktaandeel zullen verliezen en dat hun continuïteit in gevaar komt, zulks mede gelet op de negatieve publiciteit rond deze kwestie.

De Duitse leverancier die volgens verweerder niet aan de GMP-voorschriften voldoet, is ISO-gecertificeerd door een Duitse controlerende instantie, die op haar beurt door verweerder is erkend. Hieruit volgt volgens verzoeksters dat de Duitse leverancier aantoonbaar gelijkwaardig is aan een GMP-erkend bedrijf.

Verzoeksters zijn voorts van opvatting dat de gewraakte passage hun het GMP-handboek wel degelijk in overeenstemming is met de GMP-regelgeving.

Afgezien daarvan hebben medewerkers van de Keuringsdienst Diervoedersector een audit uitgevoerd op het bedrijf van verzoeksters, welke audit geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen over de betreffende passage uit het handboek. Verzoeksters mochten er derhalve op vertrouwen dat hun GMP-handboek in orde was.

Indien (niettemin) zou moeten worden aangenomen dat niet is voldaan aan de GMP-voorschriften terzake van de handel in voedermiddelen, achten verzoeksters het onzorgvuldig en niet evenredig dat ook de GMP-erkenningen voor de handel in mengvoeders (code MH) en het transport van voedermiddelen, voormengsels of mengvoeders in eigen beheer (code TV) zijn opgeschort. Andere erkenningen zijn daarentegen juist niet opgeschort.

Eveneens onzorgvuldig en onevenredig is volgens verzoeksters dat aan de opschorting van de GMP-erkenningen geen tijdslimiet is verbonden en dat niet duidelijk is onder welke voorwaarde(n) de opschorting kan worden opgeheven.

4. Het standpunt van verweerder

In reactie op het verzoek om voorlopige voorziening heeft verweerder met name het volgende aangevoerd.

De GMP-erkenningen hebben alleen betrekking op verzoekster sub 1, wat derhalve ook geldt voor de opschorting van deze erkenningen. Verzoekster sub 2 is bij verweerder niet in beeld. Eén GMP-handboek kan op zichzelf ten grondslag liggen aan een GMP-erkenning van verschillende rechtspersonen, maar dit laat onverlet dat beide verzoeksters ingevolge de Verordening over een erkenning moeten beschikken.

De betreffende Duitse leverancier van verzoekster sub 1 is ISO-gecertificeerd. Ingevolge de GMP-regelgeving is evenwel vereist dat aan de QC-standaard wordt voldaan. De ISO- en de QC-standaard zijn niet vergelijkbaar. Gelet hierop acht verweerder de Duitse leverancier niet aantoonbaar gelijkwaardig aan een GMP-erkend bedrijf.

De passage uit het GMP-handboek van verzoekster sub 1 waaruit blijkt dat zij ISO-certificering van leveranciers voldoende acht, is volgens verweerder in strijd met bijlage V, § 4.6.1 en 4.6.2, van de Verordening.

Mede gelet op het grote aantal GMP-handboeken dat aan verweerder ter beoordeling wordt voorgelegd, wordt de inhoud daarvan steekproefsgewijs gecontroleerd. Het verlenen van een GMP-erkenning impliceert dan ook niet dat verweerder uitputtend heeft gecontroleerd of aan alle voorschriften is voldaan. Afgezien daarvan is het de eigen verantwoordelijkheid van de ondernemer, te voldoen aan alle terzake geldende voorschriften.

Uit artikel 3, derde lid, van de Verordening volgt dat, wil een bedrijf voor een GMP-erkenning in aanmerking komen, alle op dat bedrijf verrichte GMP-handelingen aan de daarvoor geldende voorschriften moeten voldoen. Hieruit volgt, aldus verweerder, dat zowel een GMP-erkenning als de opschorting daarvan noodzakelijkerwijs betrekking heeft op alle GMP-verrichtingen op het betrokken bedrijf.

De overige aan verzoekster sub 1 en/of sub 2 verleende erkenningen staan los van de GMP-erkenningen en worden derhalve niet getroffen door de opschorting.

Verweerder acht voldoende duidelijk wat verzoekster sub 1 moet doen om opheffing van de opschorting te bewerkstelligen. Zij moet de gewraakte passage in haar GMP-handboek herschrijven en dient voorts verweerder een lijst met leveranciers, met vermelding van hun status, te doen toekomen. Indien dit naar tevredenheid is geschied, kan de opschorting worden opgeheven.

In de zaak-C heeft zowel het College als zijn (toenmalige) president de onmiddellijke intrekking (zonder hersteltermijn) van een erkenning gesanctioneerd. Mede in het licht van die uitspraken is verweerder van oordeel dat verzoekster sub 1 geen hersteltermijn hoefde te worden gegund alvorens tot opschorting over te gaan.

5. De beoordeling van het verzoek

5.1 Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) juncto artikel 19, eerste lid, Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie (hierna: Wbb) kan, hangende bezwaar en indien van de beslissing op dat bezwaar beroep bij het College openstaat, de voorzieningenrechter van het College een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.

Voorzover de daartoe uitgevoerde toetsing in het navolgende een oordeel meebrengt over de zaak ten gronde, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daarover een voorlopig karakter, dat het College in een eventuele hoofdzaak niet bindt.

5.2 Blijkens artikel 10 van de Verordening is het bestuur van het Productschap in voorkomende gevallen bevoegd te besluiten tot opschorting van een GMP-erkenning. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestreden besluit niet is genomen door genoemd bestuur, maar door het Productschap zelf. Dit vormt op zichzelf geen grond voor schorsing van het bestreden besluit, nu een zodanig bevoegdheidsgebrek bij het besluit op het bezwaarschrift kan worden hersteld.

De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat het bestuur van het Productschap op het bezwaarschrift zal beslissen en merkt dit bestuur aan als het verwerende bestuursorgaan in de onderhavige procedure.

5.3 De voorzieningenrechter stelt vast dat beide verzoeksters bezwaar hebben gemaakt en een voorlopige voorziening hebben gevraagd, terwijl het bestreden besluit slechts is gericht tot verzoekster sub 1. Gelet hierop rijst de vraag of ook de belangen van verzoekster sub 2 rechtstreeks bij het besluit van 11 februari 2003 zijn betrokken. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend en neemt hierbij het volgende in aanmerking.

Het besluit van 6 januari 2003, waarbij de onderhavige GMP-erkenningen zijn verleend, is uitsluitend gericht tot verzoekster sub 1 en niet mede tot verzoekster sub 2. Ook overigens is gesteld noch gebleken dat verzoekster sub 2 GMP-erkend is of is geweest. Voorzover de belangen van verzoekster sub 2 worden getroffen door het besluit van 11 februari 2003, zijn deze belangen derhalve afgeleid van de belangen van verzoekster sub 1, tot wie het besluit zich richt en wier GMP-erkenningen het betreft.

Dat verzoeksters naar eigen zeggen onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, maakt het vorenstaande niet anders, evenmin als de omstandigheid dat het GMP-handboek van verzoekster sub 1, mits het voldoet aan de GMP-voorschriften, mede grond zou kunnen vormen voor erkenning van verzoekster sub 2. De voorzieningenrechter merkt in dit verband op dat uit artikel 3, vijfde lid, van de Verordening lijkt te volgen dat verzoekster sub 2 zelf over een GMP-erkenning dient te beschikken.

Gelet op het vorenstaande kan verzoekster sub 2 naar voorlopig oordeel niet als belanghebbende worden aangemerkt en verwacht de voorzieningenrechter dat verweerder het bezwaar van verzoekster sub 2 niet-ontvankelijk zal verklaren en dat, in geval van beroep, zulks door het College in stand zal worden gelaten.

Dit betekent dat het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, voorzover het afkomstig is van verzoekster sub 2.

Voorzover het verzoek om voorlopige voorziening afkomstig is van verzoekster sub 2, acht de voorzieningenrechter geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

5.4 Naar voorlopig oordeel heeft verzoekster sub 1 voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van de door haar gevraagde voorlopige voorziening. Verzoekster sub 1 heeft, door verweerder niet weersproken, aangevoerd dat haar potentiële afnemers slechts zaken willen doen indien zij GMP-erkend is. Hiervan uitgaande acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat het bedrijf van verzoekster sub 1 als gevolg van het bestreden besluit grotendeels stil is komen te liggen en dat haar continuïteit op korte termijn in het geding kan komen indien de opschorting van haar GMP-erkenningen voortduurt.

5.5 Verweerder heeft besloten tot opschorting van de aan verzoekster sub 1 verleende erkenningen omdat zij, kort gezegd, blijkens haar GMP-handboek voldoende acht dat haar leveranciers ISO-gecertificeerd zijn en zij ook in de praktijk afneemt van (tenminste) één Duitse leverancier die ISO-gecertificeerd is. Bedoeld(e) handboek en handelwijze zijn volgens verweerder niet in overeenstemming met de GMP-regelgeving.

Niet ter discussie staat dat de door verweerder vermeende tekortkomingen betrekking hebben op de GMP-erkenning voor de handel in voedermiddelen (code GH). De voorzieningenrechter zal daarom allereerst het verzoek om schorsing van de opschorting van deze erkenning beoordelen.

In bijlage V, § 4.6.1, van de Verordening is onder meer bepaald dat een GMP-erkende ondernemer slechts voedermiddelen van een buitenlandse leverancier mag afnemen, indien laatstbedoelde (voorzover hier van belang) voldoet aan de QC-standaard. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster sub 1 deze voorwaarde blijkens haar GMP-handboek niet aan (buitenlandse) leveranciers stelt, terwijl ook in de praktijk is gebleken dat zij voedermiddelen heeft afgenomen van een Duitse leverancier die niet aan de QC-standaard voldoet. Gelet hierop heeft verweerder zich naar voorlopig oordeel terecht op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan (in ieder geval) het bepaalde in bijlage V, § 4.6.1, van de Verordening.

Verzoekster sub 1 heeft aangevoerd dat zij heeft gehandeld overeenkomstig haar GMP-handboek en stelt zich op het standpunt dat, nu dit handboek door verweerder is gecontroleerd in het kader van de erkenningsaanvraag, zij erop mocht vertrouwen dat aan alle voorschriften werd voldaan.

Hoewel het bevreemding wekt dat de betreffende tekortkoming niet aan het licht is gekomen tijdens de erkenningsprocedure, nu het gaat om een wezenlijk bestanddeel van het door de GMP-regelgeving in het leven geroepen systeem van kwaliteitsborging, kan deze omstandigheid verzoekster sub 1 naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet baten. Uit het Protocol GMP-gelijkwaardigheid leveranciers van diervoedergrondstoffen en toevoegingsmiddelen, in het bijzonder § 4.1.3 en bijlage 1 van dit protocol, blijkt dat de voorwaarden om voor een GMP-erkenning in aanmerking te komen, beduidend strenger zijn dan de voorwaarden voor ISO-certificering. Van een professionele marktdeelneemster als verzoekster sub 1 mag naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden verwacht met dit verschil bekend te zijn.

Gelet hierop had verzoekster sub 1 naar voorlopig oordeel redelijkerwijs moeten beseffen dat zij, door in haar GMP-handboek op te nemen dat genoegen wordt genomen met ISO-certificering van leveranciers en een zodanige erkenning ook in de praktijk als voldoende aan te merken, niet voldoet aan de GMP-regelgeving. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve.

Het vorenstaande leidt de voorzieningrechter tot de slotsom dat verzoekster niet heeft voldaan aan het bepaalde in bijlage V, § 4.6.1, van de Verordening en derhalve evenmin aan artikel 9, tweede lid, van de Verordening, zodat op grond van artikel 10, eerste lid, van de Verordening tot opschorting van de erkenning met code GH kon worden overgegaan.

De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder gehouden was verzoekster een hersteltermijn te gunnen alvorens tot opschorting over te gaan. De Verordening verplicht verweerder daartoe in een geval als het onderhavige niet. Mede in aanmerking genomen dat het borgen van de kwaliteit van (buitenlandse) leveranciers een wezenlijk onderdeel is van de GMP-voorschriften, is de opschorting naar het oordeel van de voorzieningenrechter hier evenmin in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en/of het evenredigheidsbeginsel. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat verzoekster sub 1 het in haar eigen macht heeft, op naar het zich laat aanzien relatief eenvoudige wijze, te bewerkstelligen dat verweerder op korte termijn overgaat tot opheffing van de opschorting.

5.6 Vervolgens dient te worden beoordeeld of de door verweerder geconstateerde tekortkomingen eveneens voldoende grond vormen voor opschorting van de erkenningen met codes MH en TV.

De voorzieningenrechter overweegt in dit verband allereerst dat artikel 3, derde lid, van de Verordening naar zijn voorlopig oordeel niet dwingt tot de door verweerder getrokken conclusie dat een opschorting van een GMP-erkenning noodzakelijkerwijs betrekking heeft op alle aan de betreffende deelnemer verleende GMP-erkenningen. Verzoekster sub 1 heeft in dit verband terecht aangevoerd dat artikel 3 van de Verordening ziet op de periode voorafgaand aan de erkenning. In de Verordening is niet met zoveel woorden bepaald dat opschorting van een bepaalde GMP-erkenning ook alle andere GMP-erkenningen treft.

Ter rechtvaardiging van zijn beslissing alle aan verzoekster sub 1 verleende GMP-erkenningen in te trekken, is van de zijde van verweerder in algemene termen gewezen op het belang van een transparante, controleerbare en handhaafbare GMP-regeling. Op de vraag van de voorzieningenrechter hoe dit belang in het gedrang zou zijn gekomen indien in het onderhavige geval alleen de erkenning met code GH zou zijn opgeschort, is verweerder het antwoord evenwel schuldig gebleven.

Nu, gelet op het vorenoverwogene, verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat opschorting van de erkenningen met codes MH en TV in het onderhavige geval verplicht dan wel anderszins aangewezen is te achten, terwijl evenmin is gebleken dat verzoekster sub 1 enig op deze erkenningen betrekking hebbend voorschrift heeft overtreden, zal de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster sub 1 in zoverre toewijzen dat de opschorting van de erkenningen met codes MH en TV wordt geschorst tot zes weken na de dag waarop verweerder zijn beslissing op het bezwaar van verzoekster sub 1 heeft bekendgemaakt.

Volgens verweerders besluit van 6 januari 2003 en de bijlage bij dat besluit is, voorzover hier van belang, een HACCP-erkenning vereist voor de handel in mengvoeders (MH). In aanmerking genomen dat de opschorting van de erkenning met code MH zal worden geschorst, ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat ook de opschorting van de HACCP-erkenning wordt geschorst, voorzover dit voor verzoekster sub 1 noodzakelijk is om de handel in mengvoeders te mogen hervatten.

5.7 De voorzieningenrechter merkt nog op dat verweerders verwijzing naar de uitspraak van het College in de zaak-C niet tot een andere uitkomst leidt. In bedoelde zaak (02/301; uitspraak in de bodemzaak 8 maart 2002; www.rechtspraak.nl, LJN-nummer AE1282) was overtreding van een in de betreffende GMP-regelgeving geïncorporeerde materiële norm geconstateerd, te weten een verbod op het vervoeren of afleveren van, kort gezegd, swill of producten waarin swill is verwerkt. In het onderhavige geval daarentegen hebben verweerders gemachtigden, na schorsing van het onderzoek ter zitting, te kennen gegeven geen, in de hier toepasselijke GMP-regelgeving geïncorporeerd, materieel ge- of verbod aan te kunnen wijzen dat door verzoekster sub 1 zou zijn overtreden.

5.8 Gelet op het vorenstaande zal het verzoek, voorzover ingediend door verzoekster sub 1, gedeeltelijk worden toegewezen, als hieronder nader te omschrijven, terwijl het verzoek voor het overige zal worden afgewezen.

Tenslotte ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat het door verzoekster sub 1 betaalde griffierecht door verweerder aan haar wordt vergoed en zal verweerder worden veroordeeld in de proceskosten van verzoekster sub 1. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor de indiening van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

Mitsdien wordt beslist als volgt.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter,

ten aanzien van verzoekster sub 1:

- wijst het verzoek toe, voorzover verzoekster sub 1 heeft verzocht om schorsing van de opschorting van (-) haar

GMP-erkenning voor de handel in mengvoeders (code MH), (-) haar GMP-erkenning voor transport vervoermiddelen,

voormengsels of mengvoeders, in eigen beheer (code TV), en (-) haar HACCP-erkenning, voorzover toewijzing voor

verzoekster sub 1 noodzakelijk is om de handel in mengvoeders te mogen hervatten;

- schorst het bestreden besluit van 11 februari 2003 in zoverre;

- bepaalt dat deze schorsing voortduurt tot zes weken na de dag waarop verweerder zijn besluit op het bezwaar van

verzoekster sub 1 heeft bekendgemaakt;

- wijst het verzoek voor het overige af;

- bepaalt dat verweerder het door verzoekster sub 1 betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,-- (zegge:

tweehonderdtweeëndertig euro) aan haar vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster sub 1, vastgesteld op € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig

euro);

ten aanzien van verzoekster sub 2:

- wijst het verzoek af.

Aldus gewezen door mr. R.R. Winter, in tegenwoordigheid van mr. B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2003.

w.g. R.R. Winter w.g. B. van Velzen