Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF6804

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-03-2003
Datum publicatie
03-04-2003
Zaaknummer
AWB 02/1070
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(Zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 02/1070 12 maart 2003

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

gemachtigde: mr. G.J.M. Jager, advocaat te Tilburg,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr. J. Teigeler, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 4 juni 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 24 april 2002, verzonden op 29 april 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen een besluit van 11 januari 2002, waarbij de steunaanvraag van appellant op grond van de EG-Regeling steunverlening akkerbouwgewassen is afgewezen.

Bij schrijven van 3 juli heeft appellant zijn beroep nader aangevuld.

Verweerder heeft op 8 augustus 2002 een verweerschrift ingediend.

Op 29 januari 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92 is onder meer het volgende bepaald:

''Artikel 4

(…)

2.a. De steunaanvraag ''opervlakten'' mag na de uiterste datum voor de indiening ervan worden gewijzigd op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten de wijziging uiterlijk op de data als bedoeld in de artikelen 10, 11 en 12 van Verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad ontvangen.

(…)

Artikel 5 bis

Onverminderd de voorschriften van de artikelen 4 en 5 kan een steunaanvraag in geval van een door de bevoegde instantie erkende klaarblijkelijke fout, na de indiening op elk moment worden aangepast.

Artikel 9

1. (…)

2. Wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag ''oppervlakten'' aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. Behoudens overmacht wordt de feitelijk geconstateerde oppervlakte echter verlaagd met: tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter dan 3% van de geconstateerde oppervlakte of dan 2 hectare en niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.''

Bij Verordening (EG) nr. 2419/2001 inwerking getreden met ingang van 13 december 2001, is het volgende bepaald:

''Artikel 53

1. Verordening (EEG) nr. 3887/92 wordt ingetrokken. Zij blijft evenwel van toepassing op steunaanvragen voor verkoopseizoenen of premieperioden die beginnen vóór 1 januari 2002."

Bij de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling), zoals deze regeling luidde onder vigeur van Verordening (EEG) nr. 3887/92, is voorzover hier van belang het volgende bepaald:

"Artikel 3

Aan producenten van akkerbouwgewassen die een aanvraag oppervlakten indienen wordt door de minister jaarlijks ter zake van met akkerbouwgewassen ingezaaide oppervlakten of braakgelegde oppervlakten overeenkomstig de raadsverordening, verordening 3508/92, verordening 3887/92, verordening 2316/1999, verordening 2461/1999, deze regeling en het overeenkomstig artikel 3 van de raadsverordening opgestelde regioplan, subsidie verstrekt.

(…)

Artikel 6

1. Om voor een subsidie in aanmerking te komen dient de producent bij LASER een aanvraag oppervlakten in.

2. Een aanvraag oppervlakten heeft betrekking op alle percelen die behoren tot het bedrijf van de producent.

Artikel 9

1. Na sluiting van de aanvraagperiode doch uiterlijk op 31 mei voorafgaand aan het betrokken verkoopseizoen kan de aanvraag oppervlakten worden gewijzigd in de gevallen bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a, van verordening 3887/92.

2. In afwijking van het eerste lid kan de aanvraag oppervlakten na 31 mei worden gewijzigd:

a. in geval van een duidelijke fout;

b. voorzover de wijziging betrekking heeft op een vermindering van de aangegeven oppervlakte mits LASER van deze wijziging schriftelijk in kennis is gesteld alvorens de producent ter zake van de betrokken percelen enige mededeling is gedaan over de resultaten van een administratieve controle dan wel over het uitvoeren van een fysieke controle van het bedrijf van de producent."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft op 10 mei 2001 een formulier 'Aanvraag Oppervlakten 2001' ingediend ter verkrijging van onder meer een bijdrage als voorzien in de Regeling. Voor het perceel met het volgnummer 4 en het perceelsnummer 14009.37798 is in de aanvraag een beteelbare oppervlakte van 4,00 hectare vermeld. Voor de percelen met de volgnummers 2 en 3 zijn beteelbare oppervlakten van 4,00 respectievelijk 0,88 hectare vermeld. Verder heeft appellant nog 1 perceel van 1,00 hectare tijdelijk grasland opgegeven voor voederareaal. Bij de aanvraag heeft appellant een Bedrijfskaart gevoegd waarop de door hem opgegeven percelen zijn ingetekend.

- Bij brief van 11 juli 2001 heeft de Teammanager van LASER appellant medegedeeld dat de aanvraag op een aantal punten onvolledig is met de mededeling dat appellant in de gelegenheid wordt gesteld de aanvraag alsnog volledig in te vullen. Vervolgens heeft appellant een volledig ingevulde aanvraag ingediend. Hierbij zijn geen wijzigingen aangebracht in de eerder opgegeven percelen, noch in de opgegeven oppervlakten beteelbare grond.

- Bij brief van 26 oktober 2001 heeft de Teammanager van LASER appellant medegedeeld dat de aanvraag onvolledig en/of deels onjuist is. In de bijlage van de brief is het volgende vastgesteld.

''Bij de optelling van de oppervlakten van alle gewaspercelen, ook van andere aanvragers, op het topografische perceel met perceelsnummer 14009.37798 is gebleken dat de in totaal aangevraagde oppervlakte 885 are bedraagt, terwijl de topografische oppervlakte van dit perceel 674 are bedraagt.''

- Appellant is verzocht de reden van de overschrijding van de perceelsoppervlakte aan te geven en te melden of de overschrijding het gevolg is van een vergissing.

- Op 8 november 2001 heeft appellant gereageerd op de brief van 26 oktober 2001. Op het bijgevoegde formulier 'Aanvraag Oppervlakten' heeft appellant het perceel met volgnummer 4 en perceelnummer 14009.37798 gewijzigd van 4,00 hectare in 1,90 hectare en een nieuwe perceel met volgnummer 5 en perceelnummer 13996.37801 van 2, 10 hectare toegevoegd. Appellant heeft hierbij vermeld dat voornoemde percelen samen 4,00 hectare groot zijn.

- Bij besluit van 11 januari 2002 heeft verweerder de aanvraag voor een bijdrage als voorzien in de Regeling afgewezen, op de grond dat bij controle is gebleken dat de door appellant opgegeven perceelsgegevens niet overeenkwamen met de door LASER vastgestelde situatie.

- Hiertegen heeft appellant bij brief van 15 januari 2002 een bezwaarschrift ingediend.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.

''(…)

Als producent bent u verantwoordelijk voor het juist invullen van uw eigen aanvraag. De gevolgen van een onjuiste opgave dienen in beginsel voor uw rekening te blijven, behalve in het geval van een duidelijke fout. Er is sprake van een duidelijke fout, indien rederlijkerwijs is uitgesloten dat ten tijde van de aanvraag die opgave conform uw bedoeling was. Objectief moet derhalve vast staan dat de destijds gedane opgave kennelijk fout was.

Er is sprake van een duidelijke vergissing in de zin van het werkdocument van de Europese Commissie van 18 januari 1999, indien er een tegenstrijdigheid in de aanvraag zit die wijst op een vergissing.

Op het originele aanvraagformulier vraagt u een akkerbouwsubsidie aan voor het perceel met volgnummer 4 (perceelsnummer 14009.37798) met een beteelde oppervlakte van 4,00 hectare. Op de bijbehorende Bedrijfskaart tekent u dit perceel op de juiste wijze in en is door u het volgnummer 4 geplaatst.

In uw reactie van 8 november 2001, naar aanleiding van de brief van LASER d.d. 26 oktober 2001 (…), vermindert u de oppervlakte van het perceel met perceelsnummer 14009.37798 en vraagt u een subsidie aan voor een geheel ander perceel, te weten perceelsnummer 13996.37801. Bovendien wijkt de intekening, aangaande voornoemde percelen op de door u bijgevoegde Bedrijfskaart, af van de intekeing op uw oorspronkelijke Bedrijfskaart.

Naar aanleiding van het bovenstaande en na bestudering van uw dossier, ben ik van mening dat in uw specifieke geval geen sprake is van een duidelijke fout. De door u ingediende aanvraag van 2 mei 2001 en de bijbehorende Bedrijfskaart bevat geen tegenstrijdigheid. Uw aanvraag is als zodanig niet onlogisch, niet onvolledig en consequent ingevuld. LASER behoefde derhalve geen gerede twijfel te hebben ten aanzien van hetgeen u met uw aanvraag beoogde. Derhalve biedt de Regeling mij geen enkele mogelijkheid om de door u gedane wijziging aan te brengen, die u middels uw brief d.d. 8 november 2001 aan LASER heeft doorgegeven.

(…).''

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Verweerder heeft ten onrechte geconstateerd dat de vergissing van appellant niet gezien kan worden als een 'duidelijke fout' in de zin van artikel 9 van de Regeling. De Europese Commissie spreekt van een duidelijke fout in haar werkdocument van 18 januari 1999, indien er een tegenstrijdigheid in de aanvraag zit die wijst op een vergissing. Van een dergelijke vergissing is in dit geval sprake. Het perceel met volgnummer 4 had volgens het aanvraagformulier een grootte van 4 hectare. De overige 3 percelen hadden een grootte van 1 hectare, 4 hectare en 0, 88 hectare. Door de percelen onderling te vergelijken had verweerder moeten opmerken dat het perceel met volgnummer 4 niet de grootte van 4 hectare kon hebben. Immers dit perceel is duidelijk kleiner dan het perceel met volgnummer 2 dat een grootte van 4 hectare vertegenwoordigt. De aanvraag was op dit punt wel degelijk tegenstrijdig. De aanvraag oppervlakte op papier kwam niet overeen met de oppervlakte die op basis van de bedrijfskaart vastgesteld kon worden.

Appellant heeft geen intentie gehad om meer subsidie aan te vragen dan waar hij recht op had. Hij heeft wel degelijk 4,00 hectare op willen geven. Hij heeft verzuimd om het perceel met volgnummer 5 op te geven. De percelen met de volgnummers 4 en 5 hebben een gezamenlijke grootte van 4,14 hectare. Appellant heeft echter 4,00 hectare opgegeven om te voorkomen dat over de precieze oppervlakte discussie zou ontstaan.

De reden van het foutief vermelden van de precieze perceelsgegevens ligt in het feit dat de percelen met de volgnummers 4 en 5 op basis van een Grondgebruikersverklaring bij appellant in gebruik waren. Appellant is er vanuit gegaan dat de in gebruik gekregen grond onder één perceelsnummer viel bij LASER. Appellant kende de precieze gegevens van het perceel dat hij in gebruik kreeg niet en als gevolg van onduidelijkheid hierover is er een 'duidelijke fout' geslopen in het aanvraagformulier tot verkrijging van een subsidie op basis van de Regeling.

5. De beoordeling van het geschil

Tussen partijen is slechts in geschil of de vergissing van appellant bij het invullen van de aanvraag oppervlakte gezien kan worden als een 'duidelijke fout' in de zin van artikel 9 lid 2 sub a van de Regeling juncto artikel 5 bis van de Verordening (EEG) nr. 3887/92. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt hiertoe het volgende.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft in een werkdocument van 18 januari 1999, VI/7103/98 Rev2-NL, enkele richtsnoeren inzake manifeste fouten in de zin van genoemd artikel 5 bis gegeven. Als manifeste fouten worden in dit werkdocument aangemerkt direct in het oog springende fouten en tegenstrijdigheden, die bij een aandachtiger onderzoek van de in de aanvraag verstrekte gegevens geconstateerd worden, alsmede eigenaardigheden, die betrekking hebben op aanduidingen of nummers van percelen of dieren. Benadrukt wordt dat het moet gaan om identificatiefouten. Fouten met betrekking tot de teelt gelden in beginsel niet als duidelijke fouten. Bij verwisseling van percelen zou een uitzondering gemaakt kunnen worden, mits het niet gaat om een perceel, dat wordt gebruikt als braakgrond of met voedergewassen beteelde oppervlakte.

Het College overweegt dat genoemd werkdocument niet is aan te merken als een verordening, een richtlijn of een beschikking in de zin van artikel 249 EG en dat derhalve aan dit werkdocument geen verbindende kracht toekomt. Naar zijn inhoud betreft dit werkdocument ook niet een limitatief systeem van mogelijke gronden om wijziging van de aanvraag na de sluitingsdatum toe te staan.

Dit neemt niet weg dat verweerder de bevoegdheid om aan de hand van dit werkdocument en de daaraan voorafgaande, qua strekking vergelijkbare werkdocumenten binnen de door Verordening (EEG) nr. 3887/92 getrokken grenzen een vaste beleidslijn te ontwikkelen, zeker niet ontzegd kan worden.

Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de 'Aanvraag Oppervlakten' en de bijbehorende Bedrijfskaart geen tegenstrijdigheden bevatten. In het bijzonder is uit het op deze kaart ingetekende perceel met volgnummer 4 niet zonder meer af te leiden dat dit perceel niet overeenkwam met het in de aanvraag vermelde perceel dat daarmee correspondeerde, ook niet als men het perceel beziet in combinatie met andere ingetekende percelen. De schaal van de kaart en de intekening maken een conclusie door appellant gewenst niet zonder meer duidelijk.

Derhalve behoefde verweerder ook geen gerede twijfel te hebben ten aanzien van hetgeen appellant met de aanvraag beoogde. Hetgeen appellant heeft aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat verweerder de aanwezigheid van een klaarblijkelijke fout had moeten erkennen en wijziging van de aanvraag en wel door toevoeging van een nieuw perceel had dienen toe te staan.

Voorts overweegt het College dat de gevolgen van een onjuiste opgave, al dan niet vanwege een vergissing, in beginsel voor eigen rekening en risico van de aanvrager dienen te blijven. Het feit dat appellant de precieze gegevens van de percelen die hij in gebruik kreeg met de Grondgebruikersverklaring, niet kende komen dan ook geheel voor zijn eigen rekening.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers in tegenwoordigheid van M.H.Vazquez Muñoz, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2003.

w.g. D. Roemers w.g. M.H. Vazquez Muñoz