Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF6800

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-03-2003
Datum publicatie
03-04-2003
Zaaknummer
AWB 01/915
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Sociaal-Economische Raad 93
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/915 5 maart 2003

3111 Registratie

beëindiging

Uitspraak in de zaak van:

Basis B.V., te Klarenbeek, appellante,

gemachtigde: mr. J.S.W. Lucassen, advocaat te Zutphen,

tegen

het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud, als rechtsopvolger van het Bedrijfschap Stukadoors-, Afbouw- en Terazzo-/Vloerenbedrijf, verweerder,

gemachtigde: mr. B.C. Westenbroek, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 29 november 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 25 oktober 2001.

Bij dit besluit heeft het bestuur van het Bedrijfschap Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzo-/Vloerenbedrijf (hierna: het Bedrijfschap) het bezwaar van appellante tegen een besluit van 1 oktober 2001, waarbij is geweigerd de registratie van appellante bij dit Bedrijfschap ongedaan te maken, ongegrond verklaard.

Op 7 januari 2002 is een verweerschrift ingekomen.

Op 17 juni 2002 heeft appellante nog een aantal stukken toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2002. Bij die gelegenheid hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader toegelicht. Aan de zijde van appellante is tevens verschenen A.

Ter zitting heeft het College de behandeling geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te doen naar de activiteiten van appellante. Partijen hebben toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om zonder nader onderzoek ter zitting uitspraak te doen.

Verweerder heeft bij brief van 5 augustus 2002 bericht geen reden te zien om de registratie van appellante te beëindigen.

Bij brief van 9 augustus 2002 is partijen bericht dat de schorsing van de behandeling van de zaak voortduurt, zulks mede in verband met in een soortgelijke zaak aan verweerder voorgelegde vragen met betrekking tot het wettelijk kader waarop de registratie is gebaseerd.

Bij brief van 26 augustus 2002 heeft verweerder bericht ook na verder onderzoek geen termen te zien voor beëindiging van de registratie.

Bij brief van 3 september 2002 heeft appellante hierop gereageerd.

Bij brief van 3 december 2002 heeft appellante nog nadere stukken toegezonden.

Bij uitspraak van 19 februari 2003 in de zaak AWB 01/621 heeft het College het in die zaak bestreden besluit vernietigd.

Vervolgens is het onderzoek in de voorliggende zaak gesloten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet op de bedrijfsorganisatie (hierna: Wbo) is onder andere het volgende bepaald.

"Artikel 93

1. Het bestuur van een bedrijfslichaam maakt de verordeningen die het ter vervulling van de in artikel 71 omschreven taak nodig oordeelt ten aanzien van de onderwerpen, die krachtens het tweede lid door dat lichaam geregeld of nader geregeld kunnen worden.

2. Een bedrijfslichaam is, met inachtneming van de bij het instellingsbesluit terzake gestelde regels, bevoegd tot de regeling of nadere regeling van een of meer der volgende onderwerpen of onderdelen daarvan, voorzover

- die onderwerpen of onderdelen niet bij het instellingsbesluit aan die bevoegdheid zijn onttrokken en

- de regeling daarvan niet bij of krachtens de wet uitsluitend aan anderen is overgelaten, te weten:

a. registratie van ondernemingen en daarin werkzaam personeel, en - voorzover noodzakelijk voor de vervulling van de taak van het bedrijfslichaam - verstrekking van gegevens en inzage in boeken en bescheiden en bezichtiging van de onderneming;

(…)"

Bij Koninklijk Besluit van 28 juni 1954 is op grond van artikel 67 van de Wbo, zoals dit artikel destijds luidde, ingesteld het Bedrijfschap voor het Stucadoors-, het Terrazzo- en het Steengaasstellersbedrijf. Artikel 2 van dit besluit (hierna: Instellingsbesluit) luidde na de op 21 april 1961 in werking getreden wijziging als volgt:

"Artikel 2

1. Het bedrijfschap is ingesteld voor de ondernemingen, waarin het stucadoorsbedrijf (waaronder begrepen het betonemaillebedrijf), het terrazzobedrijf (steen-, kunststeen- en houtgranietbedrijf) of het steengaasstellersbedrijf wordt uitgeoefend."

Bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 409) is onder meer artikel 67 van de Wbo gewijzigd. Als gevolg daarvan lag de bevoegdheid om een bedrijfslichaam in te stellen, nadien niet meer bij de wetgever of de Kroon, maar kon de Sociaal-Economische Raad dit voortaan bij verordening doen. Artikel XVI van de wijzigingswet bepaalde:

"1. De vervanging van wetten en algemene maatregelen van bestuur door verordeningen als bedoeld in artikel 67, eerste lid, laat onverlet:

a. de rechtskracht van de door een hoofdprodukt-, een produkt-, een hoofdbedrijf- of een bedrijfschap, dan wel door een lichaam als bedoeld in artikel 110 vastgestelde verordeningen en overige besluiten;

(…)"

Op 15 januari 1999 heeft de Sociaal-Economische Raad - mede gelet op artikel 67 van de Wbo, zoals dit artikel te dien tijde luidde - een verordening vastgesteld, waarbij het Bedrijfschap Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzo-/Vloerenbedrijf werd ingesteld. Deze Verordening (hierna: Instellingsverordening) is bij besluit van 16 maart 1999 door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de Minister van Economische Zaken, goedgekeurd. De relevante bepalingen van de Instellingsverordening luiden als volgt:

"Artikel 2

1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder stukadoors-, afbouw- en terrazzo-/vloerenbedrijf: het bedrijfsmatig krachtens aanneming van werk verrichten van activiteiten gericht op het gebied van de niet-constructieve afbouw.

2. (…)

3. Deze verordening verstaat onder de uitoefening van het stukadoors-, afbouw- en terrazzo-/vloerenbedrijf niet:

(…)

Artikel 3

1. Er is een Bedrijfschap Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzo-/Vloerenbedrijf.

2. Het bedrijfschap is ingesteld voor de ondernemingen waarin het stukadoors-, afbouw- of het terrazzo-/vloerenbedrijf wordt uitgeoefend.

3. (…).

Artikel 5

Aan het bedrijfschap is overgelaten de regeling of nadere regeling van de navolgende onderwerpen:

a. de registratie van de ondernemingen waarvoor het bedrijfschap is ingesteld (…)."

In de Toelichting bij de Instellingsverordening wordt onder andere opgemerkt:

"Ook in de terrazzobedrijfstak hebben in de loop der tijd grote ontwikkelingen plaatsgevonden, in het bijzonder op het gebied van het leggen van vloeren. In het kader van het terrazzobedrijf worden onder meer dekvloeren vervaardigd. Deze dienen te worden onderscheiden van constructieve vloeren, waarvan het vervaardigen is voorbehouden aan het aannemersbedrijf bouw- en utiliteit (…)

Het terrazzo- en het vloerenbedrijf zijn nauw met elkaar vervlochten (…)"

Op 13 mei 1993 heeft het bestuur van het Bedrijfschap Stukadoors-, Terrazzo- en Steengaasstellersbedrijf (aan welke naam destijds de vermelding ":Afbouwbedrijf" werd toegevoegd) een verordening vastgesteld, houdende regels over de registratie van de bij het bedrijfschap aangesloten ondernemingen en de verstrekking van gegevens door ondernemers (hierna: Registratieverordening). Deze luidt voorzover hier van belang:

"Artikel 1.

In deze verordening wordt verstaan onder:

a.. het Bedrijfschap: het Bedrijfschap Stukadoors-, Terrazzo- en Steengaasstellersbedrijf: Afbouwbedrijf:

b. de onderneming: de onderneming waarin een in artikel 2, eerste lid, van het Instellingsbesluit Bedrijfschap Stukadoors-, Terrazzo- en Steengaasstellersbedrijf (Stb. 1954, 322) genoemd bedrijf wordt uitgeoefend:

(…)

Artikel 2.

1. Deze verordening is van toepassing op de ondernemers die een onderneming drijven, waarin een in artikel 2, eerste lid, van het Instellingsbesluit Bedrijfschap Stukadoors-, Terrazzo- en Steengaasstellers bedrijf genoemd bedrijf wordt uitgeoefend.

Artikel 3

1. Er is een register waarin gegevens over ondernemingen en ondernemers worden geregistreerd.

(…)

Artikel 4

1. In het register worden gegevens opgenomen over de onderneming en de ondernemer, alsmede administratieve gegevens."

Bij Koninklijk Besluit van 5 juli 2002, gebaseerd op artikel 67 van de Wbo, zoals dat met ingang van een op 1 juli 1999 in werking getreden wijziging luidt, is met ingang van 1 januari 2003 het Bedrijfschap opgeheven en is het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud ingesteld. In artikel 21 van het besluit is het volgende bepaald:

"1. De opheffing van de bedrijfslichamen heeft geen gevolg voor de ontvankelijkheid van bezwaren als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht of beroepen ingevolge de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. In plaats van de bedrijfslichamen treedt het hoofdbedrijfschap als partij op."

2.2. Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende relevante feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij brief van 29 september 2000 heeft verweerder aan appellante bericht dat zij is geregistreerd als onderneming waarvoor het Bedrijfschap is ingesteld.

- Bij brief van 1 oktober 2001 is in afwijzende zin beslist op een brief van appellante, die beschouwd is als een verzoek om uitschrijving.

- Tegen de weigering de registratie ongedaan te maken, heeft appellante bij brief van 9 oktober 2001 bezwaar gemaakt.

- Appellante heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om in bezwaar te worden gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder meer het volgende overwogen.

Indien een bedrijf werkzaamheden verricht die vallen onder de werkingssfeer van het Bedrijfschap, dient dat bedrijf te worden geregistreerd. Of een bedrijf al dan niet dient te worden geregistreerd wordt beoordeeld aan de hand van de Instellingsverordening. Daarbij wordt beoordeeld of de feitelijk uitgevoerde werkzaamheden onder de omschrijving van de Instellingsverordening vallen.

Uit onderzoek is gebleken dat appellante vloeren in de zin van artikel 2 van de Instellingsverordening aanlegt. De stelling van appellante dat een polyurethaan gebonden sportvloer geen dekvloer is maar een (niet onder het Bedrijfschap vallende) vloerbedekking treft geen doel. Uit de Toelichting op de Instellingsverordening blijkt dat voor de vervaardiging van dekvloeren in toenemende mate onder meer polyurethaan wordt toegepast. Voorts wordt in de norm EN 13318, die sedert 13 mei 2000 ook voor Nederland geldt, een vloer die op locatie wordt aangebracht aangemerkt als een dekvloer. Uit de toelichting in samenhang met de EN-norm volgt dat een polyurethaan gebonden sportvloer die op locatie wordt aangebracht een dekvloer is. De omstandigheid dat de vloer wordt aangebracht op een tussenlaag - in het geval van appellante een ondermat van rubbergranulaat - maakt dit niet anders.

In zijn brief van 26 augustus 2002 heeft verweerder hieraan toegevoegd dat door appellante blijkens de door haar ingevulde vragenlijst kunstharsgebonden vloeren in het werk worden aangebracht. Hierdoor, aldus verweerder, valt zij onder de werking van het Bedrijfschap.

In zijn brief van 17 oktober 2002 in de zaak 01/621 heeft verweerder met betrekking tot de toepasselijkheid van de Registratieverordening onder meer het volgende opgemerkt:

"Uit de tekst van de overgangsbepalingen kan het Bedrijfschap niet afleiden dat de Registratieverordening 1993 niet van toepassing zou zijn op ondernemingen die na wijzigingen van werkingssfeer onder het Bedrijfschap zijn komen te vallen. Bovendien staat er in de toelichting op de Instellingsverordening 1999 van de Sociaal-Economische Raad het volgende:

" Ingevolge artikel XVI van de wijzingingswet heeft de omzetting geen gevolgen voor onder meer de rechtskracht van de onder het oude instellingsbesluit vastgelegde verordeningen en andere besluiten. Deze verordeningen en besluiten behoeven derhalve niet te worden omgezet."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft gesteld dat zij geen werkzaamheden verricht die onder de werkingssfeer van het Bedrijfschap vallen, aangezien zij zich niet bezighoudt met het leggen van dekvloeren, maar met het aanbrengen van vloerafwerkingen die te beschouwen zijn als vloerbedekking. Bij het leggen van die vloerbedekking wordt geen gebruik gemaakt van polyurethaan.

Daarnaast heeft appellante in reactie op het verweerschrift aangevoerd dat zij geen parkeerdekken vervaardigt, maar dakbedekkingen legt met als doel te zorgen voor waterdichtheid en berijdbaarheid door auto's. Van het systeem Conideck, dat voor verweerder aanleiding vormde een onderzoek in te stellen, maakt zij overigens sedert 2001 geen gebruik meer, zodat daarin geen grond kan worden gevonden voor het oordeel dat zij onder de werkingssfeer van het Bedrijfschap valt.

De omstandigheid dat appellante van bepaalde stoffen gebruik maakt brengt niet mee dat sprake is van het leggen van een dekvloer. Deze stoffen kunnen ook worden gebruikt, zoals in het geval van appellante, voor het maken van vloerafwerkingen of vloerbedekkingen en wel door middel van het uitgieten of uitstrijken van vloeibare substanties als gedefinieerd in NEN 2741.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt vast, dat het Bedrijfschap de registratie van ondernemingen verricht op grond van en met inachtneming van hetgeen in de Registratieverordening terzake bepaald is.

Uit de in rubriek 2 aangehaalde artikelen daarvan - in onderling verband gelezen - kan het College echter niet anders opmaken dan dat deze verordening slechts de registratie mogelijk maakt van die ondernemingen, waarin een in het Instellingsbesluit genoemd bedrijf wordt uitgeoefend.

In de onderhavige zaak gaat het om de registratie van een onderneming waarin niet een dergelijk in het Instellingsbesluit genoemd bedrijf - het vloerenbedrijf - wordt uitgeoefend. Hetgeen partijen verdeeld houdt is de beantwoording van de vraag of het bedrijf van appellante valt onder de in artikel 2, eerste lid, van de Instellingsverordening aan het begrip terrazzobedrijf gegeven uitbreiding, met andere woorden of het hier gaat om een vloerenbedrijf.

Ook als die vraag bevestigend beantwoord zou moeten worden, kan dat er niet toe leiden dat verweerder ingevolge de Registratieverordening bevoegd zou zijn om tot registratie over te gaan. Daarvoor zou appellantes bedrijf gelet op hetgeen in artikel 2 van de Registratieverordening uitdrukkelijk bepaald is, onder het Instellingsbesluit moeten vallen.

Ten onrechte neemt verweerder het standpunt in dat, nu de Registratieverordening na de inwerkingtreding van de Instellingsverordening in 1999 onverkort is blijven gelden, zij zonder een daartoe strekkende aanpassing toepasselijk zou zijn op de registratie van ondernemingen die eerst sedertdien onder het Bedrijfschap vallen. De tekst van artikel 2 van de Registratieverordening biedt voor een dergelijke interpretatie van de regelgeving geen grondslag. Hetgeen in de toelichting op de Instellingsverordening is overwogen, maakt dit niet anders.

Het beroep is dan ook reeds hierom gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Gelet op de reden van de vernietiging kan verweerder, wanneer hij opnieuw op het bezwaar beslist, slechts tot gegrondverklaring daarvan beslissen en het primaire besluit herroepen. Om redenen van proceseconomie zal het College, zelf voorziende, deze beslissing daarom nu in verweerders plaats nemen.

Het College ziet aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van deze procedure die aan de kant van appellante worden vastgesteld op € 802,-.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaarschrift gegrond en herroept het besluit van 1 oktober 2001;

- veroordeelt het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud in de kosten van de procedure welke worden vastgesteld op

€ 802,- (zegge achthonderdentwee euro), te betalen door het Hoofdbedrijfschap.

- bepaalt dat het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud aan appellante het griffierecht ad € 204,20 (zegge: tweehonderd en

vier euro en twintig cent) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. M.A. van der Ham en mr. B. van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2003.

w.g. C.M. Wolters de griffier bevindt zich

in de onmogelijkheid de uitspraak

te ondertekenen