Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF6056

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-02-2003
Datum publicatie
20-03-2003
Zaaknummer
AWB 02/1520
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2003/1358

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 02/1520 26 februari 2003

29010 Wet op de kansspelen

Aanwezigheidsvergunning

Uitspraak in de zaak van:

A, h.o.d.n. "B", te C, appellant,

tegen

de burgemeester van Amsterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. H.A. Poublon, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

1. De procedure

Op 14 augustus 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 5 juli 2002. Bij dit besluit is een beslissing genomen op het bezwaar van appellant tegen de weigering hem een aanwezigheidsvergunning voor twee kansspelautomaten te verlenen.

Bij brief van 9 september 2002 zijn de gronden van het beroep ingediend.

Op 15 oktober 2002 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Op 12 november 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 14 februari 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellante is niet verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet op de kansspelen (hierna: de Wet) luidt sinds 1 november 2000, voorzover hier van belang:

" Artikel 30

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

d. hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend:

1°. waar het café en het restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend en

2°. waarvan de activiteiten in belangrijke mate gericht zijn op personen van 18 jaar en ouder.

e. laagdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld is in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend, die geen hoogdrempelige inrichting is, of een inrichting waarin horeca-activiteiten worden verricht en waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is en ingeschreven is bij het Bedrijfschap Horeca.

Artikel 30b

1. Het is verboden, behoudens het in deze Titel bepaalde, zonder vergunning van de burgemeester een of meer speelautomaten aanwezig te hebben

(…)

b. op voor het publiek toegankelijke plaatsen;

(…).

Artikel 30c

1. De vergunning kan slechts worden verleend, indien zij betreft het aanwezig hebben van een of meer speelautomaten:

a. in een laagdrempelige inrichting;

b. in een hoogdrempelige inrichting;

c. (…).

2. Bij gemeentelijke verordening wordt het aantal speelautomaten vastgesteld waarvoor per inrichting, als bedoeld in het eerste lid, vergunning wordt verleend, met dien verstande dat:

a. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder a, geen vergunning kan worden verleend voor kansspelautomaten;

(…)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft een aanvraag, gedateerd 8 februari 2001, ingediend voor een aanwezigheidsvergunning voor twee kansspelautomaten in zijn inrichting "B".

- Bij besluit van 19 september 2001 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

- Bij brief van 18 oktober 2001 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 september 2001.

- Bij brief van 13 november 2001 zijn de gronden van het bezwaar ingediend.

- Op 17 januari 2002 is het bezwaar toegelicht op een hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Amsterdam.

- Op 3 juli 2002 heeft de bezwaarschriftencommissie advies uitgebracht aan verweerder.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit is, overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar ongegrond verklaard, omdat de inrichting van appellant laagdrempelig is. Hiertoe is overwogen dat blijkens de menukaart een uitgebreid assortiment aan kleine etenswaren wordt aangeboden, zoals tosti's, broodjes, hamburgers, patat, uitsmijters, omeletten, pannenkoeken en soepen. De verstrekking van deze etenswaren komt een zelfstandige betekenis toe en is niet aan te merken als uitsluitend een ondersteuning van hoogdrempelige activiteiten.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep, samenvattend weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Met de verkoop van kleine etenswaren wordt 20,9% van de totale omzet behaald. Hiermee is geen sprake van het behalen van een betekenend deel van de omzet door de verkoop van kleine etenswaren. Deze verkoop komt dan ook geen zelfstandige betekenis toe. De inrichting is dus hoogdrempelig. Bovendien brengt haar ligging op een plein tussen kantorencomplexen mee dat de inrichting met name wordt bezocht door zakenlieden en personen die, gezellig bijeen, een volledige warme maaltijd willen nuttigen.

5. De beoordeling van het geschil

Het College overweegt allereerst dat verweerder ter zitting heeft verklaard, dat hij na het besluit van 19 september 2001 het gebruik van de kansspelautomaten niet heeft gedoogd gedurende de periode waarop de vergunning, indien deze zou zijn verleend, betrekking zou hebben gehad. Verweerder heeft verlangd dat de automaten werden afgedekt, opdat zij niet zouden worden gebruikt en heeft in de desbetreffende periode door controle geconstateerd dat aan deze eis, althans op het moment van controle, de hand is gehouden. Gelet op deze verklaring van verweerder gaat het College ervan uit dat appellant belang heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit.

Met betrekking tot de vraag of de inrichting van appellant hoog- dan wel laagdrempelig is, overweegt het College als volgt.

De menukaart van de inrichting vermeldt onder meer broodjes, tosti's, frites, hamburgers, uitsmijters, omeletten, pannenkoeken en soepen. Een substantieel gedeelte van de aangeboden etenswaren bestaat derhalve uit andere gerechten dan drie-componenten-maaltijden, zodat het verstrekken en nuttigen van deze etenswaren andere activiteiten betreffen dan die waaruit restaurantbezoek bestaat. Bovendien wordt een betekenend deel van de omzet - volgens appellant 20,9% - behaald met de verkoop van genoemde "kleine etenswaren". Verweerder heeft dan ook terecht aangenomen dat het verstrekken en nuttigen van deze etenswaren een zelfstandige betekenis toekomt.

Het voorgaande leidt ertoe dat geen sprake is van een hoogdrempelige inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet, maar van een laagdrempelige inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet. Artikel 30c, tweede lid, aanhef en onder a, staat aan verlening van een aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten in een dergelijke inrichting in de weg.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2003.

w.g. C.J. Borman w.g. M.H. Vazquez Muñoz