Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF5720

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-02-2003
Datum publicatie
13-03-2003
Zaaknummer
AWB 02/1554 en 02/1555
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(Vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 02/1554 en 02/1555 25 februari 2003

32010 Bestrijdingsmiddelenwet

Toelating

Uitspraak in de zaken van:

de Vereniging van Houtimpregneerbedrijven in Nederland, te Zeist, appellante,

gemachtigde: ing. C. Boon, voorzitter van appellante,

tegen

het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen, te Wageningen, verweerder,

gemachtigde: mr. J.H. Geerdink, advocaat te Den Haag,

aan welke gedingen voorts als partij deelnemen:

Arch Timber Protection B.V., te Nijmegen (voorheen Hickson Garantor Nederland B.V., eveneens te Nijmegen), partij in beide zaken,

Van Swaay Schijndel B.V., te Schijndel, partij in zaak 02/1554, en

Hoetmer B.V., te Dordrecht, partij in zaak 02/1555, welke partijen hierna worden aangeduid als toelatinghoudster(s),

gemachtigde van de toelatinghoudsters: mr. M.W.L. Simons-Vinckx, advocaat te Breda.

1. De procedures

Op 23 augustus 2002 heeft het College van appellante twee beroepschriften ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen twee besluiten van 2 augustus 2002 van verweerder. Bij deze besluiten is beslist op de bezwaren van de toelatinghoudsters tegen een aantal besluiten van verweerder op grond van de Bestrijdingsmiddelenwet (hierna: Bmw) met betrekking tot houtimpregneermiddelen.

Bij brief en faxbericht van 25 september 2002 heeft appellante de gronden van haar beroepen aangevuld.

Op 13 november 2002 heeft het College van verweerder een verweerschrift voor beide zaken ontvangen.

Bij brieven van 19 november 2002 heeft het College de toelatinghoudsters in de gelegenheid gesteld als partij aan de gedingen, voorzover op hen betrekking hebbend, deel te nemen. Bij brief van 21 november 2002 hebben de toelatinghoudsters kenbaar gemaakt dat zij van deze gelegenheid gebruikmaken. Van de door het College geboden gelegenheid tot het maken van opmerkingen hebben de toelatinghoudsters geen gebruik gemaakt.

Bij brief van 9 januari 2003 heeft het College appellante verzocht hetzij aan te tonen dat zij bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 31 augustus 2001 en de besluiten van 14 september 2001 van verweerder, waarbij de toelating van de aan de orde zijnde houtimpregneermiddelen is ingetrokken dan wel niet is verlengd, hetzij gemotiveerd uiteen te zetten waarom zij van mening is dat haar redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij dat niet heeft gedaan.

Bij brief van 16 januari 2003 heeft appellante gereageerd op de brief van 9 januari 2003.

Bij brieven van 30 januari 2003 heeft het College partijen verzocht kenbaar te maken of zij het College toestemming verlenen, met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Nadat partijen evenbedoelde toestemming hadden verleend, appellante bij brief van 10 februari 2003, de toelatinghoudsters bij faxbericht van 14 februari 2003 en verweerder bij faxbericht van 17 februari 2003, heeft het College het onderzoek gesloten.

2. De omvang van de beroepen

Het College stelt vast dat bij de bestreden besluiten is beslist op de bezwaren van de toelatinghoudsters tegen een aanzienlijk aantal primaire besluiten van verweerder.

Naar het oordeel van het College blijkt uit de brief van 25 september 2002, waarbij appellante de gronden van haar beroepen heeft aangevuld, dat de beroepen alleen zijn gericht tegen de handhaving in bezwaar van (de essentie van) die primaire besluiten, waarbij verweerder de toelating van een houtimpregneermiddel heeft ingetrokken dan wel niet heeft verlengd. In genoemde brief van 25 september 2002 stelt appellante de niet-verlenging van de toelating van de middelen Kemwood ACQ en Tanalith E aan de orde (pagina 2, onder 1). Vervolgens noemt zij de middelen Superwolmanzout-B, Superwolmanzout-CO en CELFIX OX (pagina 2, onder 2). In de samenvatting van de aanvullende gronden (pagina 7) komen alleen besluiten tot intrekking en niet-verlenging aan de orde; over andersoortige besluiten wordt niet gesproken.

Hieruit volgt dat appellante is opgekomen tegen de handhaving in bezwaar van (de essentie van) het primaire besluit van 31 augustus 2001, strekkende tot intrekking van de toelating van het middel Superwolmanzout-CO, de primaire besluiten van 14 september 2001, strekkende tot intrekking van de toelating van de middelen Superwolmanzout-B en CELFIX OX, en de primaire besluiten van 14 september 2001, strekkende tot niet-verlenging van de toelating van de middelen Kemwood ACQ en Tanalith E.

Deze besluiten bevinden zich niet bij de gedingstukken in de onderhavige zaken, maar zijn partijen genoegzaam bekend. Het betreft immers besluiten van verweerder, gericht tot de toelatinghoudster die het aangaat, terwijl appellante er in de gedingstukken blijk van geeft bekend te zijn met de inhoud van deze besluiten. Doordat de toelatinghoudsters de voorzieningenrechter van het College hebben verzocht meerbedoelde besluiten te schorsen, is ook het College bekend met de inhoud daarvan.

3. De beoordeling van de beroepen

3.1 Ingevolge artikel 6:13 Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een op bezwaar genomen besluit door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt tegen het oorspronkelijke besluit.

Het College volgt appellante niet in haar standpunt dat zij geacht moet worden bezwaar te hebben gemaakt tegen de in rubriek 2 van deze uitspraak opgesomde primaire besluiten en neemt hierbij het volgende in aanmerking.

Het bezwaarschrift van de leden van appellante tegen evenbedoelde primaire besluiten, aan welk bezwaarschrift appellante in haar brief van 16 januari 2003 refereert, is niet mede namens appellante ingediend. In de aanhef van het betreffende bezwaarschrift, dat deel uitmaakt van de gedingstukken in de bij het College aanhangige zaak 02/608 en ook verweerder en (de gemachtigden van) appellante en de toelatinghoudsters bekend is, is uitdrukkelijk vermeld wie de bezwaarmaaksters zijn. Appellante is daarbij niet genoemd.

Hetgeen appellante in haar brief van 16 januari 2003 verder heeft aangevoerd, doet er evenmin aan af dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de in rubriek 2 van deze uitspraak genoemde primaire besluiten.

Niet is gebleken dat redelijkerwijs niet aan appellante kan worden verweten dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen meerbedoelde primaire besluiten.

3.2 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de beroepen van appellante niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Hierbij kan in het midden worden gelaten of appellante is aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb en artikel 8 Bmw. Indien dit niet het geval zou zijn, zouden de beroepen immers om die reden eveneens niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

4. De beslissing

Het College verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr. B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2003.

w.g. J.A. Hagen w.g. B. van Velzen