Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF5718

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-02-2003
Datum publicatie
13-03-2003
Zaaknummer
AWB 02/436
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/436 19 februari 2003

14000 Wet goederenvervoer over de weg

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te X, appellante,

gemachtigde: mr. S.J. van Leeuwen, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen

de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO), verweerster,

gemachtigde: mr. P.Th.J.M. Hamilton, werkzaam bij verweerster.

1. De procedure

Op 19 maart 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerster van 5 februari 2002.

Bij dat besluit heeft verweerster beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen het besluit van 13 juni 2001, waarbij de aan appellante verleende vergunningen voor binnenlands en grensoverschrijdend beroepsvervoer zijn ingetrokken.

Op 8 april 2002 heeft het College van appellante de aanvullende gronden van het beroep ontvangen.

Op 8 mei 2002 is van verweerster een verweerschrift ontvangen.

Op 8 januari 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Bij deze gelegenheid hebben partijen hun standpunten nader toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In Richtlijn 96/26/EEG zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/76/EG, inzake de toegang tot het beroep van ondernemers van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg, nationaal en internationaal, en inzake de wederzijdse erkenning van diploma's, certificaten en andere titels ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije vestiging van bedoelde vervoerondernemers, is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 3

1. Ondernemingen die het beroep van wegvervoerder wensen uit te oefenen, moeten

(…)

c. aan de voorwaarden van vakbekwaamheid voldoen."

In Verordening (EEG) nr. 881/92 betreffende de toegang tot de markt van het goederen-vervoer over de weg in de Gemeenschap van of naar het grondgebied van een Lid-Staat of over het grondgebied van een of meer Lid-Staten is onder meer het volgende bepaald:

''Artikel 3

1. Het internationale vervoer wordt uitgevoerd onder dekking van een communautaire vergunning.

2. De communautaire vergunning wordt door een Lid-Staat, overeenkomstig de artikelen 5 en 7, afgegeven aan alle ondernemers die beroepsgoederenvervoer over de weg verrichten en die:

- zijn gevestigd in een Lid-Staat, hierna ''Lid-Staat van vestiging" te noemen, overeenkomstig de daar geldende wetgeving,

- in die Lid-Staat, overeenkomstig de voorschriften van de Gemeenschap en van die Lid-Staat inzake de toegang tot het beroep van vervoerondernemer, gemachtigd zijn internationaal vervoer van goederen over de weg te verrichten.

(…)

Artikel 5

1. De in lid 3 bedoelde communautaire vergunning wordt afgegeven door de bevoegde instanties van de Lid-Staat van vestiging.

(…)

Artikel 7

Bij indiening van een aanvraag om een communautaire vergunning en ten hoogste vijf jaar na de afgifte ervan en vervolgens ten minste om de vijf jaar onderzoeken de bevoegde instanties van de Lid-Staat van vestiging of de vervoerder voldoet of nog steeds voldoet aan de in artikel 3, lid 2, bedoelde voorwaarden.

Artikel 8

1. (…)

2. De bevoegde instanties trekken de communautaire vergunning in, wanneer de houder

- niet meer voldoet aan de in artikel 3, lid 2, gestelde voorwaarden,

- (…)"

Bij de Wet goederenvervoer over de weg (hierna: de Wet) is onder meer het volgende bepaald:

''Artikel 5

1. Het is verboden binnenlands beroepsvervoer te verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning.

2. In afwijking van het verbod in het eerste lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gegeven omtrent de voorwaarden waaronder niet in Nederland gevestigde ondernemers beroepsvervoer op Nederlands grondgebied kunnen verrichten.

3. Het is verboden grensoverschrijdend beroepsvervoer te verrichten zonder communautaire vergunning.

(…)

Artikel 8

1. Een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer wordt verleend indien wordt voldaan aan de eisen van:

(…)

c. vakbekwaamheid, door degene die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het beroepsvervoer of indien deze leiding bij meer personen berust, door ten minste een van hen.

(…)

Artikel 12

1. Een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer wordt ingetrokken:

(…)

b. indien een vergunning verleend is op grond van onjuiste gegevens;

c. indien niet langer wordt voldaan aan de eisen bedoeld in artikel 8, eerste lid; of

(…)

2. Een communautaire vergunning wordt ingetrokken:

a. indien de vergunninghouder niet meer in het bezit is van een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer, of

(…)

Artikel 15

1. Het is verboden eigen vervoer te verrichten zonder als eigen vervoerder te zijn ingeschreven.

(…)

Artikel 24

Artikel 5, derde lid, en artikel 15, eerste lid, zijn niet van toepassing op grensoverschrijdend vervoer door de ondernemer, die niet in Nederland is gevestigd.

Artikel 25

1. Het is de niet in Nederland gevestigde ondernemer verboden grensoverschrijdend vervoer op Nederlands grondgebied te verrichten zonder in het bezit te zijn van een daartoe strekkende machtiging."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 16 maart 2000 heeft appellante bij verweerster aanvragen ingediend om verlening van vergunningen voor binnenlands- en grensoverschrijdend beroepsvervoer. Deze aanvragen zijn op 20 juni 2000 in behandeling genomen.

- Bij afzonderlijke besluiten van 7 juli 2000 zijn aan appellante door verweerster de verzochte vergunningen verleend. In deze besluiten is onder meer het volgende bepaald:

''Tenslotte wijzen wij u er nog op, dat ingevolge artikel 12 van de Wgw een vergunning wordt ingetrokken indien niet langer wordt voldaan aan de eerdergenoemde eisen. Gezien de thans beschikbare gegevens is besloten in dat verband uiterlijk drie maanden na heden een onderzoek in te stellen naar de feitelijke vestiging van uw onderneming in Nederland, van waaruit de vervoerwerkzaamheden permanent en daadwerkelijk worden geleid door degene die aan de eis van vakbekwaamheid voldoet.''

- Op 21 maart 2001 heeft verweerster een onderzoek ingesteld teneinde vast te stellen of appellante in Nederland feitelijk is gevestigd en of de vakbekwame bestuurder vanuit de onderneming permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de vervoer-werkzaamheden. Naar aanleiding van dit onderzoek is op 16 mei 2001 een rapport opgesteld waarin het volgende is geconcludeerd:

"Op basis van de benodigde gegevens, de van de onderneming ontvangen informatie en de hieruit voortvloeiende bevindingen kan worden vastgesteld dat NIET aannemelijk is dat de onderneming in NEDERLAND is gevestigd en door de vakbekwame bestuurder vanuit de onderneming permanent en daadwerkelijk leiding wordt gegevan aan de vervoerwerkzaamheden.''

- Bij besluit van 13 juni 2001 heeft verweerster de vergunningen ingetrokken. Daarin is onder meer het volgende gesteld:

''Blijkens een ingesteld onderzoek vindt op het bij de Kamer van Koophandel opgegeven vestigingsadres echter geen feitelijke bedrijfsuitoefening van A B.V. plaats. Aangenomen moet worden dat de bedrijfsuitoefening plaatsvindt vanuit het Verenigd Koninkrijk.

Op grond hiervan moet worden geconcludeerd dat in uw geval geen sprake is van een reële vestiging in Nederland waar een bedrijfsuitoefening plaatsvindt en dat niet op de voorgeschreven wijze wordt voldaan aan de eis van vakbekwaamheid.

De aan A B.V. verleende vergunningen voor binnenlands en grensoverschrijdend beroepsvervoer kunnen onder deze omstandigheden niet in stand blijven.

Op grond van het gestelde in artikel 7 jo artikel 3, tweede lid, van de Verordening (EEG) nr. 881/92 van de Raad en artikel 12 van de Wet goederenvervoer over de weg heeft de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie op 13 juni 2001 dan ook besloten deze vergunningen in te trekken.''

- Tegen dit besluit is door appellante bij brief van 19 juni 2001 bezwaar gemaakt.

- Op 21 augustus 2001 is een hoorzitting gehouden, waar appellante haar standpunt heeft kunnen toelichten.

- In verband met de gehouden hoorzitting en de in het verslag gemaakte afspraken zijn op 14 november 2001, 10 januari en 16 januari 2002 nadere onderzoeken ingesteld teneinde vast te stellen of appellante in Nederland feitelijk is gevestigd en naar de vraag of de vakbekwame bestuurder vanuit de onderneming permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de vervoerwerkzaamheden. De onderzoeken van 10 januari en 16 januari 2002 zijn op verzoek van appellante ingesteld, wegens het niet correct en volledig aanwezig zijn van de administratie bij het onderzoek van 14 november 2001.

- Naar aanleiding van deze onderzoeken is op 28 januari 2002 een rapport opgesteld waarin onder andere het volgende is vermeld:

''(…)

Door de onderneming zijn voor de jaren 2000, 2001 en 2002 GEEN overeenkomsten overgelegd waaruit blijkt dat het vestigingsadres eigendom is van of gehuurd wordt door de vergunninghouder. Voor het jaar 2002 is wel een factuur overgelegd voor huur kantoor 1e kwartaal 2002. Of de kosten van huisvesting voor de respectievelijke jaren in de administratie zijn geboekt, kan niet worden vastgesteld omdat een groot gedeelte van de financiële administratie (01-01-01 t/m 30-09-01) NIET aanwezig is. Voor de periode na 30-09-01 wordt opgemerkt dat wel administratie aanwezig is, echter NIET volledig.

(…)

Door de onderneming is een aangifte omzetbelasting 2001 overgelegd, gedateerd 15 januari 2002 waarbij in de rubriek omzet Fl. 0,00 is ingevuld. Het Sofi-nummer wordt vermeld.

(…)

De polissen zijn overgelegd of aanwezig op het adres van de in NEDERLAND gevestigde onderneming. Of alle kosten en betalingen in de administratie zijn of worden geboekt, kan niet worden vastgesteld omdat een groot gedeelte van de financiële administratie (01-01-01 t/m 30-09-01) NIET aanwezig is. Voor de periode na 30-09-01 wordt opgemerkt dat wel administratie aanwezig is, echter NIET volledig.

(…)

De jaarrekeningen over de boekjaren 1999 en 2000 zijn nog NIET gereed. Voor wat betreft het jaar 2001 wordt opgemerkt dat een groot deel van de financiele administratie (01-01-01- t/m 30-09-01) NIET aanwezig is. Voor de periode na 30-09-01 wordt opgemerkt dat wel administratie aanwezig is, echter NIET volledig.

CONCLUSIE

Op basis van de benodigde gegevens, de van de onderneming ontvangen informatie en de hieruit voortvloeiende bevindingen kan worden vastgesteld dat NIET aannemelijk is dat de onderneming in NEDERLAND is gevestigd en door de vakbekwame bestuurder vanuit de onderneming permanent en daadwerkelijk leiding wordt gegeven aan de vervoerwerkzaamheden.''

- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in:

"Tijdens de hoorzitting d.d. 21 augustus 2001 is met u afgesproken dat na enige tijd nog een nader onderzoek zal worden ingesteld binnen uw onderneming teneinde te bepalen of in uw geval kan worden gesproken van een reële vestiging van de onderneming, en of op de juiste wijze wordt voldaan aan de eis van vakbekwaamheid.

Op respectievelijk 14 november 2001, 10 januari 2002 en 16 januari 2002 is een nader onderzoek ingesteld binnen de onderneming. (…)

Ook tijdens het laatste onderzoek van 16 januari jl. is echter gebleken dat de gevraagde gegevens niet konden worden overgelegd, zodat niet kan worden vastgesteld dat er nu wel sprake is van een feitelijke bedrijfsuitoefening van de onderneming.

Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat in uw geval geen sprake is van een reële vestiging in Nederland waar een bedrijfsuitoefening plaatsvindt en dat niet op de voorgeschreven wijze wordt voldaan aan de eis van vakbekwaamheid.''

In het verweerschrift heeft verweerster voorts nog opgemerkt:

''(…)

Wat betreft de bijlagen, die gemachtigde met het beroepschrift meestuurt en waaruit zou moeten blijken dat sprake is van een reële vestiging in Nederland in vorenbedoelde zin, wordt opgemerkt dat bedoelde stukken ten tijde van het nemen van het onderhavige besluit niet voorhanden waren. Op basis van de wel beschikbare gegevens kon niet anders worden geconcludeerd dan dat er geen sprake was van een reële vestiging in Nederland. Ten algemene geldt, dat in geval een bezwaar ongegrond is verklaard en nadien sprake is van nieuwe gegevens een nieuwe aanvraag kan worden ingediend.''

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Verweerster heeft ten tijde van het bestreden besluit ten onrechte overwogen dat uit het door haar nader ingestelde onderzoek zou blijken dat er geen sprake zou zijn van een reële vestiging op, en bedrijfsuitoefening vanuit X en dat de feitelijke bedrijfsuit-oefening vanuit het Verenigd Koninkrijk zou plaatsvinden. Appellante oefent, en oefende wel degelijk ten tijde van het nemen van het besluit haar bedrijf uit vanuit de vestiging te X.

Onder verwijzing naar een aantal als bijlagen bij haar aanvullend beroepschrift overgelegde stukken, te weten de jaarrekening over het jaar 2001, de omzetbelasting over het tijdvlak 2001 en 18 verzekeringsbewijzen, heeft appellante er op gewezen dat zij wel degelijk feitelijk is gevestigd te X. In dit verband heeft appellante er voorts op gewezen dat de motorrijtuigenbelasting vanuit het adres te X wordt betaald en dat zij sinds de tweede helft van 2001 geen vrachtwagens met een Engelse vergunning meer heeft.

Verweerster mocht er ten tijde van het bestreden besluit dan ook niet van uitgaan dat geen sprake was van een reële bedrijfsuitoefening vanuit Nederland. Verweerster had een meer gedegen onderzoek moeten verrichten. Tevens mocht verweerster uit haar opvatting dat geen sprake was van een reële vestiging, niet zonder meer concluderen dat niet zou worden voldaan aan de eis van vakbekwaamheid. In dit verband heeft appellante opgemerkt dat tot en met 1 juli 2001 B zijn vakbekwaamheid in de in Nederland gevestigde onderneming van appellante heeft ingebracht en vanaf laatstgenoemde datum de vakbekwaamheid wordt ingebracht door C.

Ter zitting is tevens door appellante aangevoerd dat de bescheiden, waaruit zou moeten blijken dat er voldaan was aan de eis van reële vestiging, niet eerder konden worden overlegd wegens het niet voor handen zijn van een correcte en volledige administratie. De problemen met de administratie zijn ontstaan wegens het vertrekken van een voorganger van de onderneming. Dat een volledige administratie dientengevolge ontbrak, betekent echter niet dat er geen sprake was van een reële vestiging in Nederland.

5. De beoordeling van het geschil

In geschil is of verweerster op goede gronden de vergunningen van appellante voor binnenlands- en grensoverschrijdend beroepsvervoer heeft ingetrokken. In de eerste plaats wordt beoordeeld of verweerster bij het bestreden besluit terecht heeft geoordeeld dat er geen sprake was van een reële vestiging van de onderneming van appellante in Nederland. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt hiertoe het volgende.

Zoals het College ook heeft overwogen in haar uitspraak van 11 december 2002, no. AWB 01/43, gaan de bepalingen op grond waarvan de vergunningen worden verkregen, uit van het vereiste van een reële vestiging te Nederland.

Verweerster heeft haar standpunt dat in dit geval geen sprake is van een reële vestiging gegrond op de in rubriek 2.2 van deze uitspraak weergegeven bevindingen uit het onderzoeksrapport van 28 januari 2002.

Het College is van oordeel dat verweerster ten tijde van het nemen van het bestreden besluit op grond van de toen beschikbare gegevens en onderzoeksbevindingen terecht bij haar conclusie is gebleven dat er geen sprake was van een reële vestiging in Nederland. Verweerster heeft appellante ruimschoots de gelegenheid gegeven om met nader door verweerster aangeduide stukken aan te tonen dat wel van een reële vestiging sprake is. Verweerster heeft ook zelf, zelfs na de hoorzitting, nader onderzoek verricht. De gevraagde stukken bleven echter uit, terwijl er ook overigens geen aanleiding was te veronderstellen dat het primaire besluit ten onrechte is genomen.

De stukken die appellante in beroep heeft overgelegd, kunnen niet tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit rechtens niet kan standhouden. Verweerster heeft met deze stukken bij het nemen van het bestreden besluit geen rekening kunnen houden. De in beroep door appellante betrokken stelling dat deze stukken niet eerder konden worden overgelegd wegens problemen met de administratie, kan haar niet baten, nu deze omstandigheid voor haar eigen rekening en risico komt. Appellante wist althans had behoren te weten wat het belang van de diverse malen gevraagde gegevens was.

Het College volgt appellante voorts niet waar zij stelt dat verweerster onvoldoende onderzoek heeft verricht. Integendeel, uit voornoemde feiten blijkt dat verweerster ruimschoots aan haar onderzoeksplicht heeft voldaan. Verweerster was derhalve op grond van artikel 12 van de Wet gehouden de vergunningen van appellante in te trekken.

Aan de vraag of verweerster terecht heeft geconcludeerd dat aan de werkzaamheden van appellante niet permanent en daadwerkelijk leiding wordt gegeven door de vakbekwame bestuurder, en aan de vraag of de voorwaarde dat vanuit Nederland leiding wordt gegeven, een beperking vormt voor de vrijheid van dienstverrichting en het vrije werknemers-verkeer, komt het College gezien vorenstaande niet toe.

Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. M.J. Kuiper en mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2003.

w.g. D. Roemers w.g. M.H. Vazquez Muñoz