Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF5268

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-02-2003
Datum publicatie
06-03-2003
Zaaknummer
AWB 99/1041
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:3
Warenwet
Warenwetbesluit Visserijproducten, slakken en kikkerbillen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2003/92
AB 2003, 150

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 99/1041 20 februari 2003

17011 Warenwet

Warenwetregeling Visserijprodukten en twekleppige weekdieren

Uitspraak in de zaak van:

Scanimex Seafood N.V., te Rotterdam, appellante,

gemachtigde: R.J.N. van der Laan, te Rotterdam,

tegen

Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees, te Voorburg, verweerder,

gemachtigde: mr. J.C. Dorrepaal, advocaat te Alphen aan den Rijn.

1. De procedure

Op 21 december 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 16 november 1999.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de op 7 januari 1999 afgegeven weigering van de invoer/doorvoer binnen de Europese Unie van 780 ten invoer aangeboden dozen bevroren zalm en regenboogforel.

Op 10 april 2000 heeft het College terzake van dit beroep een verweerschrift van verweerder ontvangen.

Op 4 april 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben uiteengezet. Aan de zijde van appellante is ter zitting mede verschenen A, verbonden aan appellante. Aan de zijde van verweerder was tevens aanwezig H. Kuijck, werkzaam bij verweerder.

Bij beschikking van 16 mei 2002 heeft het College het onderzoek heropend op grond van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen vragen te beantwoorden, zoals die in de bij die beschikking bijgevoegde brief van de griffier van het College zijn verwoord.

Bij brief van 31 mei 2002 heeft verweerder het College hieromtrent nader geïnformeerd. Bij brief van 19 juli 2002 heeft appellante het College te kennen gegeven geen gebruik te maken van de gelegenheid om op voornoemde brief van verweerder te reageren.

Bij brieven van 12 december 2002 respectievelijk 13 december 2002 hebben appellante respectievelijk verweerder het College bericht af te zien van een hernieuwd onderzoek ter zitting. Vervolgens heeft het College het onderzoek gesloten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Richtlijn 91/493/EEG van de Raad van 22 juli 1991 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de produktie en het in de handel brengen van visserijprodukten (Pb 1991, L 268, blz. 15), zoals gewijzigd bij Richtlijn 95/71/EG van de Raad van 22 december 1995 (Pb 1995, L 332, blz. 40) (hierna: richtlijn 91/493/EEG), luidt, voor zover hier van belang als volgt:

" Artikel 3

1. Voor het in de handel brengen van in hun natuurlijk milieu gevangen visserijprodukten gelden de volgende voorwaarden:

(…)

f) zij moeten zijn voorzien van een identificatie overeenkomstig hoofdstuk VII van de bijlage.

(…)"

Hoofdstuk VII van de bijlage van richtlijn 91/493/EEG houdt onder meer het volgende in:

" IDENTIFICATIE

Onverminderd het bepaalde in Richtlijn 79/112/EEG, moet het voor inspectiedoeleinden mogelijk zijn de herkomst van de in de handel gebrachte visserijprodukten vast te stellen aan de hand van de markering of van de begeleidende documenten.

Te dien einde moeten de volgende gegevens op de verpakking of, in geval van onverpakte produkten, op de begeleidende documenten zijn vermeld:

- de naam van het land van verzending, hetzij voluit geschreven, hetzij afgekort in hoofdletters, (…)

- de identificatie van de inrichting of het fabrieksvaartuig aan de hand van het officiële erkenningsnummer, of, wanneer de produkten direct in de handel worden gebracht vanaf een vriesvaartuig dat onder punt 7 van bijlage II van Richtlijn 92/48/EEG valt, aan de hand van het registratienummer van het vaartuig, of, (…)

Deze gegevens moeten goed leesbaar zijn en op de verpakking bijeen staan, op een zodanige plaats dat er kennis van kan worden genomen zonder dat de verpakking behoeft te worden opengemaakt."

Beschikking 93/13/EEG van de Commissie van 22 december 1992 tot vaststelling van de procedures voor de veterinaire controles in de inspectieposten aan de grens van de Gemeenschap bij het binnenbrengen van produkten uit derde landen (Pb 1993, L 9, blz. 33), nadien gewijzigd (hierna: Beschikking 93/13/EEG), luidt, voor zover hier van belang als volgt:

" Artikel 1

1. De controles van de documenten en de overeenstemmingscontroles moeten worden verricht overeenkomstig bijlage A.

(…)

Artikel 4

1. Wanneer uit de veterinaire controles blijkt dat de produkten zodanige tekortkomingen hebben dat zij niet op het grondgebied van de Gemeenschap mogen worden binnengebracht, beslist de bevoegde autoriteit, na raadpleging van de importeur of diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk dat de partij moet worden doorgezonden of vernietigd."

De in Beschikking 93/13/EEG genoemde bijlage A houdt onder meer het volgende in:

" Uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de controle van de documenten en de overeenstemmingscontrole voor produkten uit derde landen.

(…)

3. Door visuele controle moet worden nagegaan of de produkten in overeenstemming zijn met de gegevens die zijn vermeld in de certificaten of documenten waarvan de partij vergezeld gaat; deze controle omvat onder andere:

(…)

b. voor alle soorten produkten, controle op de aanwezigheid van de officiële stempels of merktekens of keuringsmerktekens voor identificatie van het land en de inrichting van oorsprong en op de overeenstemming van een en ander met de stempels en merktekens op het certificaat of document;

(…)"

De Warenwet (Stb. 1935, 793, nadien meermalen gewijzigd) luidde, ten tijde van het primaire besluit en voor zover van belang, als volgt:

" Artikel 9

Ten behoeve van het weren van waren die bij aanwending overeenkomstig redelijkerwijze te verwachten gebruik uit het oogpunt van gezondheid of veiligheid schadelijk kunnen zijn, of (…) kan bij algemene maatregel van bestuur worden verboden waren behorende tot een bij algemene maatregel aangewezen categorie:

a. (…);

b. binnen Nederlands grondgebied te brengen anders dan met inachtneming van de bij de maatregel gestelde voorschriften."

Het Besluit van 25 januari 1995, (Stb. 1995, 46), houdende het Warenwetbesluit Visserijprodukten, nadien gewijzigd, luidde ten tijde van belang als volgt:

" Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. visserijprodukten: alle zee- of zoetwaterdieren of delen daarvan, kuit en hom daaronder begrepen, met uitzondering van in het water levende zoogdieren en kikkers;

(…)

Artikel 2

(....)

10. Het is verboden visserijprodukten binnen Nederlands grondgebied te brengen anders dan met inachtneming van de bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften.

(…)

Artikel 4

Onze Minister stelt, in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, ter uitvoering van de richtlijn visserijprodukten en de richtlijn tweekleppige weekdieren nadere regels ten aanzien van de behandeling, bewerking, bereiding, verwerking, samenstelling, bewaring, verpakking, verhandeling, etikettering en het vervoer van visserijprodukten.

(…)"

De toepasselijke bepalingen van de Warenwetregeling visserijprodukten en tweekleppige weekdieren, gewijzigd, voor zover hier van belang, op 5 juni 1997 (Stcrt. 1997, 107) (hierna: Regeling) luiden als volgt:

" Art. 3.-1. Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op visserijproducten met uitzondering van voor rechtstreekse menselijke consumptie bestemde levende tweekleppige weekdieren, stekelhuidigen, manteldieren en mariene buikpotigen.

(…)

Art. 8. De in artikel 3 bedoelde visserijproducten:

(…)

c. zijn voorzien van vermeldingen overeenkomstig bijlage V;

(…)

Bijlage V Vermeldingen

Onverminderd het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen, dient het voor inspectiedoeleinden mogelijk te zijn de herkomst van de in de handel gebrachte visserijproducten vast te stellen aan de hand van de merking of van de begeleidende documenten.

De volgende gegevens zijn daartoe op de verpakking en voorverpakking of, in geval van onverpakte producten, op de begeleidende documenten vermeld:

- de naam van het land van verzending, hetzij voluit geschreven, hetzij afgekort in hoofdletters, (…)

- de identificatie van de inrichting aan de hand van het officiële erkenningsnummer of, (…)

Deze gegevens staan op de verpakking bij elkaar, op een zodanige plaats dat er kennis van kan worden genomen zonder dat de verpakking behoeft te worden opengemaakt."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 7 januari 1999 werd namens appellante een partij bestaande uit 780 dozen bevroren zalm en regenboogforel met herkomst Chili met een nettogewicht van 16.395 kg, ten invoer aangeboden bij de RVV Kring Rotterdam.

- Deze partij was voorzien van een gezondheidscertificaat, genummerd 02002, gedateerd 27 november 1998, afgegeven door Servicio Nacional de Pesca (Sernapesca). Dit certificaat houdt onder meer het volgende in:

"Land van verzending : Chili

Bevoegde instantie : SERVICIO NACIONAL DE PESCA (SERNAPESCA)

"I Identificatie van de visserij- en aquacultuurprodukten

(…)

soort (…) SALMO SALAR/ONCORHYNCHUS MYKISS

(…)

aantal verpakkingen 780 cartons

(…)

II Oorsprong van de visserij- en aquacultuurprodukten

Naam(namen) en officieel(officiële) erkenningsnummer(s) van de

inrichtingen erkend door de SERNAPESCA voor uitvoer naar de Europese

Gemeenschap;

INVERTEC SEAFOOD S.A./REG. C.E.E. NO 10231 (…)

(…)

OFFICIEEL

STEMPEL

(…)"

- Deze partij werd op 7 januari 1999 ten invoer geweigerd. Bij de mededeling daarvan bij faxbericht van 7 januari 1999 aan appellante staat het volgende vermeld:

" Betreft de door u aangeboden partij bekend onder GPC-nr.: 51088590

(…)

De invoer/(opslag in) doorvoer van betreffende partij werd geweigerd. Zie voor de specificaties BIJLAGE 1. (…)

Dierenarts: (…)

B Reden van weigering: zie BIJLAGE 1

Handtekening (…)

(…)

B

officiële dierenarts"

- In voornoemde bijlage 1 wordt als reden voor weigering vermeld:

" land van oorsprong niet vermeld op de buitenverpakking. (…)

Naam officiële dierenarts: B

(…)

Handtekening

(…)

B

officiële dierenarts"

- In het bij voornoemd faxbericht van 7 januari 1999 gevoegde controlerelaas bij weigering/afkeuring staat terzake van voornoemde weigering het volgende vermeld:

"GPC-nummer: 51088590 Aard v.d. goederen:regenboogforel Chili

Cert.-nummer:02002

Land v. herkomst: Chili Aantal colli: 780

Bedr.v.herkomst: Invertec Seafood (…)

CEE10231

(…)

RESULTATEN ONDERZOEK:

(…) 13 dozen onderzocht waarvan 11 colli afwijkend: op geen van de 11 stond op etiket land van oorsprong Chili wel erkenningsnr 10231. Resterende nrs vermeld op certificaat niet gezien. Groter dan toegestane aantal. M.i. conform

BESLISSING

Geweigerd ten invoer EU

REDEN VAN WEIGERING incl. code:

Land van oorsprong ontbreekt op buitenverpakking op groot aantal dozen (…)

(…) Naam dierenarts: B

(…) Handtekening (…)

Drs B

(…)

Officiële dierenarts

(…)"

- Tegen dit besluit is door appellante bij brief van 5 februari 1999 bezwaar gemaakt.

- Op 30 augustus 1999 heeft de VWS-commissie bezwaarschriften Awb (hierna: commissie bezwaarschriften) advies uitgebracht aan verweerder. In dit advies is onder meer vermeld:

" De commissie is van mening dat indien vast komt te staan dat via het nummer van de fabrikant dat op de verpakking vermeld is, daarmee het land van oorsprong op administratief eenvoudige wijze te achterhalen is het bezwaar van appellante gegrond dient te worden verklaard.

De commissie acht in samenhang met het voorgaande van belang dat uit de stukken en hetgeen daaromtrent ter hoorzitting naar voren is gebracht is gebleken dat van de 13 gecontroleerde colli's, 2 colli's naar alle waarschijnlijkheid wél het land van herkomst Chili vermelden.

De commissie wijst in dit verband nog op het feit dat in bijlage A, derde lid, onder b, van Richtlijn 93/13/EEG vermeld wordt: "voor alle soorten producten, controle op de aanwezigheid van de officiële stempels of merktekens of keuringsmerktekens voor identificatie van het land …"

(…)"

- Vervolgens is het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit is onder meer als volgt beslist:

" Op uw zending was, in strijd met de bovenstaande regelgeving, niet in alle gevallen het land van verzending vermeld. Dat was aanleiding om de invoer te weigeren. Naar het oordeel van de commissie was de beslissing dat de partij niet ingevoerd mocht worden vanwege het ontbreken op de verpakking van de partij van de aanduiding van het land van herkomst, op zich juist. Wel is de commissie van mening dat, indien vast komt te staan dat via het nummer dat op de verpakking is vermeld, daarmee het land van oorsprong op administratief eenvoudige wijze te achterhalen is, het bezwaar gegrond zou moeten worden verklaard. Ten aanzien van nummers op de verpakking zij opgemerkt dat het niet om unieke nummers gaat. Het op de verpakking voorkomende nummer is derhalve niet per se herleidbaar naar de betrokken fabrikant. Via een nummer op de verpakking is derhalve niet op administratief eenvoudige wijze het land van oorsprong te achterhalen.

Gelet op het voorgaande verklaar ik uw bezwaarschrift ongegrond.

(…)

De officiële dierenarts RVV Rotterdam Haven,

(…)

B."

In aanvulling op het bovenstaande heeft verweerder ter zitting het volgende aangevoerd.

De op de verpakking vermelde nummers betreffen voor Chili unieke nummers.

Echter niet voor de overige landen in de wereld. Het is dan ook mogelijk dat producten onder hetzelfde nummer en onder dezelfde naam uit (een) ander(e) land(en) afkomstig zijn, ondanks de mededeling dat die producten uit Chili afkomstig zijn. Door vermelding van erkenningsnummers op de verpakking is dus niet ook per definitie het land van herkomst bekend.

Hieraan doet niet af dat door extra inspanning van de zijde van de RVV alsnog duidelijkheid kan worden verkregen met betrekking tot de herkomst van de partij vis.

Gelet hierop kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat de onderhavige 780 dozen daadwerkelijk uit een erkende inrichting, te Chili afkomstig zijn. Een dergelijke redenering wordt in beginsel ook gevolgd indien slechts voor een klein percentage niet aan de voorschriften is voldaan, doch in de praktijk wordt in zo'n situatie bezien of sprake is van een hoge mate van waarschijnlijkheid dat de producten uit een bepaald land afkomstig zijn. Zodanige afweging wordt niet gemaakt in een geval als hier aan de orde.

Terzake van het omgaan met onregelmatigheden tijdens controles bij in- en doorvoer van producten met herkomst derde landen binnen de EU wordt een instructie gehanteerd, waarin de mogelijkheid tot herstel van onregelmatigheden is neergelegd. Aan die instructie kon in dit geval geen toepassing worden gegeven in verband met het te hoge percentage afwijkingen van de toepasselijke voorschriften. Deze instructie is intern, zodat appellante hieraan geen rechten kan ontlenen.

Bij brief van 31 mei 2002 heeft verweerder daar onder meer het volgende aan toegevoegd:

" De officiële dierenarts verricht de controles, de bevoegde autoriteit, zijnde (de directeur van de) RVV, is bevoegd tot de besluitvorming. (…)

De dierenarts weigert de invoer namens de RVV. De (directeur van de) RVV beslist vervolgens overeenkomstig de hem op grond van de richtlijn toegekende bevoegdheden op het bezwaar.

In het onderhavige geval heeft de officiële dierenarts de beslissing op bezwaar genomen. Dit besluit is aan te merken als genomen namens de (directeur van de) RVV. Volledigheidshalve merk ik op dat voor zover het CBb zou oordelen dat het besluit onbevoegd zou zijn genomen, en het besluit zou vernietigen, een nieuw besluit met gelijkluidende beslissing door de (directeur van de) RVV zal worden genomen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de officiële dierenarts bevoegd is tot het nemen van het besluit in primo.

In lijn met het vorenstaande had het bestreden besluit door de (directeur van de) RVV genomen moeten worden. (…)"

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep voor zover hier van belang, samengevat weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Verweerder heeft ten onrechte niet conform het advies van de commissie bezwaarschriften beslist, aangezien het land van oorsprong op administratief eenvoudige wijze is vast te stellen.

Hiertoe heeft appellante aangevoerd dat de boot waarmee, alsmede de vriescontainer waarin de onderhavige partij vis werd vervoerd afkomstig zijn uit Chili.

Ook was op de buitenverpakking van de twee overige zich in dezelfde vriescontainer bevindende onderzochte colli wel Chili als land van oorsprong vermeld. Verder stond op de buitenverpakking van de onderzochte colli het erkenningsnummer 10231 van de inrichting van waaruit de partij vis werd geëxporteerd, vermeld.

Bovendien is terzake van de onderhavige zending een gezondheidscertificaat, genummerd 02002, afgegeven door de bevoegde autoriteit te Chili, Sernapesca, overgelegd. Hierop staan ook het erkenningsnummer 10231, de naam van de fabrikant en voornoemde tot afgifte van het certificaat bevoegde autoriteit te Chili vermeld. Dit door Sernapesca afgegeven erkenningsnummer is uniek voor de inrichting in Chili. Verder staat op dat certificaat het land van herkomst, Chili, het schip waarmee de goederen werden vervoerd, de afzender van de goederen en de bestemming van de goederen vermeld.

Op basis van de officiële lijsten van de EU is dit op de buitenverpakking van de dozen en op het begeleidende gezondheidscertificaat vermelde erkenningsnummer te relateren met Chili, het land van oorsprong. Het betreft informatie die voor de autoriteiten in de lidstaten rechtstreeks toegankelijk is. Vorenstaande is bevestigd door de autoriteiten in Chili, welke bevestiging aan verweerder is overgelegd.

Andere eenvoudige controlemiddelen zijn de bill of loading, de factuur en de verificatie van de containerhistorie.

Verweerder heeft dan ook ten onrechte een onderzoek naar het land van oorsprong van de betreffende partij vis achterwege gelaten.

Evenzeer heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan zijn instructie, die in een geval als hier aan de orde, de mogelijkheid tot bijstickeren door appellante biedt.

In onderhavig geval zijn alle 780 dozen vis ten invoer geweigerd, terwijl het gaat om een relatief kleine omissie, die op eenvoudige wijze te verhelpen was geweest, welke beslissing voorts grote financiële gevolgen voor appellante heeft. Na ongeveer een half jaar is de onderhavige partij vis teruggestuurd naar Chili, waarna de vis vervolgens is verkocht.

Appellante heeft nog opgemerkt dat door het onderhavige besluit schade is geleden, die bestaat uit de afgenomen verkoopwaarde van de partij vis (ongeveer 60% waarbij is gewezen op de factuurwaarde van US $ 65.937,75), de door haar gemaakte kosten van vriesopslag, alsmede het verlies van alle klanten in Duitsland.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College zal allereerst beoordelen of het bestreden besluit bevoegd is genomen.

Uit hetgeen hiervoor in rubriek 2.2 is weergegeven blijkt dat het besluit in primo door de officiële dierenarts, B is genomen. Ook volgt uit voornoemde rubriek dat dezelfde officiële dierenarts eveneens heeft beslist op het door appellante ingediende bezwaarschrift en daarbij zijn besluit in primo heeft gehandhaafd.

Hieruit en uit hetgeen verweerder hieromtrent in zijn brief van 31 mei 2002 naar voren heeft gebracht, hiervoor in rubriek 3 weergegeven, concludeert het College dat zowel het besluit in primo als het besluit op bezwaar door de officiële dierenarts namens de (directeur van de) RVV in mandaat is genomen. Derhalve heeft de officiële dierenarts een beslissing genomen op een bezwaarschrift dat zich richtte tegen een door hem in mandaat genomen beslissing. Dit is in strijd met het bepaalde in artikel 10:3, derde lid, Awb dat bepaalt dat mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen.

Reeds gelet op het vorenstaande komt het besluit van 16 november 1999 wegens strijd met voornoemd artikel voor vernietiging in aanmerking. Het tegen dit besluit gerichte beroep dient dan ook gegrond te worden verklaard.

Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen ziet het College geen aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.

5.2 Ingevolge Bijlage V bij de regeling, zoals deze gold ten tijde van belang, en welke strekt tot uitvoering van richtlijn 91/493/EEG, dient het voor inspectiedoeleinden mogelijk te zijn de herkomst van de in de handel gebrachte visserijproducten vast te stellen aan de hand van de merking of van de begeleidende documenten. Daartoe dient, onder meer, de naam van het land van verzending op de verpakking en voorverpakking of, in geval van onverpakte producten, op de begeleidende documenten te staan vermeld.

Niet is in geschil dat de vermelding van het land van verzending ontbreekt op de verpakking van 11 van de 13 steekproefgewijze onderzochte dozen. In geschil is of verweerder in bezwaar terecht zijn beslissing heeft gehandhaafd dat de invoer van de onderhavige partij zalm en regenboogforel daarom moest worden geweigerd.

Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder, ter motivering van het niet volgen van het advies van zijn commissie bezwaarschriften, zich op het standpunt heeft gesteld dat het aan de hand van het erkenningsnummer op de verpakking van de namens appellante in de EU ten invoer aangeboden 780 dozen zalm en regenboogforel niet mogelijk is op administratief eenvoudige wijze daarvan het land van herkomst vast te stellen, aangezien dit erkenningsnummer niet uniek is en derhalve niet zonder meer herleidbaar is naar de betrokken inrichting. Verweerder heeft hieraan ter zitting toegevoegd dat in de uitvoeringspraktijk een instructie wordt gehanteerd waarin de mogelijkheid tot herstel van onregelmatigheden als de onderhavige is neergelegd, doch dat aan die instructie hier, gelet op de hoge mate van afwijken van voornoemd verpakkingsvoorschrift, geen toepassing kon worden gegeven.

Hiermee heeft verweerder, naar het oordeel van het College, geenszins overtuigend gemotiveerd waarom het land van herkomst in dit geval niet op relatief eenvoudige wijze zou zijn vast te stellen. Een en ander bood voldoende aanknopingspunten voor verweerder om hiernaar onderzoek te doen en hierop in het te nemen besluit op bezwaar gemotiveerd in te gaan.

Bij het voorgaande hecht het College belang aan de hiervoor in rubriek 2.1 genoemde merking en begeleidende documenten. In dit kader kan worden genoemd dat op de buitenverpakking van de door verweerder onderzochte 13 dozen, het erkenningsnummer van de inrichting, te weten 10231, alsmede de naam van de fabrikant, te weten Invertec Seafood S.A. staan vermeld. Voorts neemt het College in aanmerking dat deze partij vis vergezeld is geweest van een begeleidend gezondheidscertificaat, genummerd 02002, afgegeven door en onder benoeming van de daartoe bevoegde autoriteit te Chili. Van belang is dat op dit certificaat staan vermeld: voornoemd officieel erkennings-nummer van de erkende inrichting, de naam van die erkende inrichting aan wie dit nummer is afgegeven, het land van verzending, alsmede de onderhavige 780 dozen en de inhoud daarvan. Verder wordt opgemerkt dat dit document is voorzien van de officiële stempels voor identificatie van het land en de inrichting van oorsprong. Daaraan wordt toegevoegd dat verweerder ter zitting desgevraagd heeft bevestigd dat voornoemd erkenningsnummer voor inrichtingen in Chili een uniek nummer betreft. De omstandigheid dat dit nummer ook voor één of meer elders op de wereld gevestigde inrichtingen zou kunnen zijn afgegeven door een officiële instantie maakt niet zonder meer dat de enkele vermelding van dit nummer in een geval als het onderhavige tot de door verweerder getrokken conclusie moet leiden.

Gelet hierop en bij gebreke van draagkrachtige argumenten van verweerder, acht het College niet onaannemelijk dat, in dit geval, op administratief eenvoudige wijze de herkomst van de onderhavige zending vis kon worden vastgesteld.

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit niet kan worden gedragen door de motivering welke daaraan ten grondslag is gelegd. Derhalve dient dit besluit ook te worden vernietigd op grond van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, met bepaling dat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw beslist op het bezwaarschrift.

Gelet op het voorgaande dient het beroep van appellante gegrond te worden verklaard.

Het College acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante, zijnde de kosten van door haar gemachtigde verleende rechtsbijstand, die overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op € 644,--.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 16 november 1999;

- bepaalt dat opnieuw op het bezwaarschrift wordt beslist overeenkomstig het in deze uitspraak overwogene;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure aan de zijde van appellante, vastgesteld op € 644,-- (zegge:

zeshonderdvier en veertig euro);

- bepaalt dat aan appellante het door haar betaalde griffierecht ad € 204,20 (zegge: tweehonderdvier euro en twintig cent)

wordt terugbetaald;

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de hierboven genoemde bedragen dient te vergoeden.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M.A. Fierstra en mr. S.K. Welbedacht, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2003.

w.g. B. Verwayen w.g. I.K. Rapmund