Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF4827

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
21-02-2003
Zaaknummer
AWB 02/297
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/297 5 februari 2003

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, te Raalte, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te Den Haag, verweerder,

gemachtigde: mr. B.T. Goerdat, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 1 februari 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 december 2001, verzonden 21 december 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen verweerders beslissing van 15 januari 2001 op een aanvraag van appellant om steun ingevolge de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Verweerder heeft op 6 mei 2002 een verweerschrift ingediend.

Op 13 november 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen hebben hierbij hun standpunten toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Regeling, zoals deze luidde ten tijde hier van belang, is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

e. raadsverordening: verordening (EEG) nr. 1251/99 van de Raad van de Europese Unie van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PbEG L 160);

(…)

Artikel 3

Aan producenten van akkerbouwgewassen die een aanvraag oppervlakten indienen wordt door de minister jaarlijks ter zake van met akkerbouwgewassen ingezaaide oppervlakten of braakgelegde oppervlakten overeenkomstig de raadsverordening, verordening 3508/92, verordening 3887/92, verordening 2316/1999, verordening 2461/1999, deze regeling en het overeenkomstig artikel 3 van de raadsverordening opgestelde regioplan, subsidie verstrekt.

Artikel 23

1. In afwijking van artikel 17 mogen producenten overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II van verordening 2461/1999 en de artikelen 24 tot en met 30, de overeenkomstig artikel 16 uit productie genomen oppervlakte gebruiken voor het verbouwen van de in bijlage I bij genoemde verordening genoemde grondstoffen.

(…)

3. De grondstoffen worden verbouwd specifiek met het oog op verwerking van de grondstoffen in de Europese Gemeenschap tot een of meer eindproducten welke zijn genoemd in bijlage III van verordening 2461/1999 en welke niet zijn bestemd voor menselijke of dierlijke voeding.

(…).

Artikel 31

1. In afwijking van artikel 17 mogen producenten overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van verordening 2461/1999 en artikel 32, de overeenkomstig artikel 16 uit productie genomen oppervlakte gebruiken voor het verbouwen van de in bijlage II bij genoemde verordening genoemde grondstoffen.

2. De grondstoffen worden verbouwd specifiek met het ook op de verwerking van de grondstoffen in de Europese Gemeenschap tot een of meer eindproducten welke zijn genoemd in bijlage III van verordening 2461/1999 en welke niet zijn bestemd voor menselijke of dierlijke voeding. (…)."

Verordening (EG) nr. 1251/1999 luidt onder meer als volgt:

" Artikel 2

(…)

3. Producenten die de areaalbetaling aanvragen, verplichten zich ertoe een deel van hun areaal uit productie te nemen en ontvangen een compensatie voor deze verplichting.

Bij Verordening (EG) nr. 2461/1999 is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 3

1. De in bijlage I genoemde grondstoffen, hierna "de grondstoffen" genoemd, mogen alleen dan op uit de productie genomen grond worden geteeld, indien de voornaamste eindbestemming ervan in de vervaardiging van een van de in bijlage III vermelde producten bestaat. De economische waarde van de niet voor voeding of voor vervoedering bestemde producten die bij de verwerking van dergelijke grondstoffen zijn verkregen, moet hoger zijn dan die van alle andere, bij diezelfde verwerking verkregen, wél voor voeding of voor vervoedering bestemde producten, hetgeen wordt vastgesteld aan de hand van de in artikel 13, lid 3, bedoelde waarderingsmethode.

(…).

Artikel 22

De in bijlage II vermelde grondstoffen, hierna "de grondstoffen" genoemd, mogen op uit de productie genomen grond worden geteeld mits het eindgebruik ervan in de vervaardiging van een van de in bijlage III opgenomen producten bestaat.

Voor deze grondstoffen behoeft geen contract te worden gesloten.

BIJLAGE II

In hoofdstuk III bedoelde grondstoffen.

GN-code Beknopte omschrijving

ex 0602 90 41 Bosbomen met korte oogstrotatie van ten hoogste tien jaar

(…).

BIJLAGE III

(…)

- alle in bijlage II vermelde producten en daarvan afgeleide producten die voor energieproductie zijn bestemd,

(…)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft een "Aanvraag oppervlakten 2000" bij verweerder ingediend ter verkrijging van subsidie ingevolge de Regeling voor een oppervlakte van 18,68 ha, beteeld met maïs, alsmede voor braakgelegde oppervlakten van 1,61 ha (perceel 6) en 0,48 ha (perceel 10). Appellant heeft voorts op het formulier "Teeltaangifteverbintenis meerjarige non food/non feed 2000" perceel 10 opgegeven als perceel met meerjarige gewassen die niet zijn bestemd voor menselijke of dierlijke voeding (hierna ook: non food/non feed-gewassen). Op het formulier is het te telen gewas aangegeven met GN-code ex06029041: Bosbomen met korte oogstrotatie van ten hoogste tien jaar.

- Bij brief van 18 juli 2000 heeft verweerder appellant meegedeeld dat de aanvraag ten aanzien van perceel 6 na beoordeling onvolledig en/of (deels) onjuist is gebleken.

- Bij fax van 2 augustus 2000 heeft appellant hierop gereageerd.

- Op 3 en 19 oktober 2000 heeft de Algemene Inspectiedienst (hierna: AID) controles verricht op het bedrijf van appellant, naar aanleiding waarvan de AID een bedrijfscontrolerapport heeft opgesteld. Blijkens dit rapport zijn bij de controles van de oppervlakte van de percelen afwijkingen geconstateerd ten opzichte van de door appellant opgegeven oppervlakte. Voor alle maïspercelen is een oppervlakte van in totaal 18,09 ha geconstateerd. Voor perceel 6 is een oppervlakte van 1,6 ha braak geconstateerd. In het rapport van de AID staat voorts onder "opmerkingen controleur(s)" ten aanzien van perceel 10 het volgende vermeld:

" Perceel 10 (non food/non feed) is beplant met coniferen; gezien de teeltaangifte non food/non feed van de aanvrager, met gn code ex 06029041. Het perceel was een stuk groter dan opgegeven. Volgens aanvrager gedeelte van het perceel eigen bezit en een ander gedeelte eigendom van boomkweker (…). Derhalve waren geen perceelsgrenzen waar te nemen.

(…)."

Aan bijlage 1 bij het controlerapport (Toelichting gehouden controle) kan voorts het volgende worden ontleend:

" Op 3 oktober 2000 is bij aanvrager A een controle gehouden mbt de aanvraag met nummer 3932450. Het betrof hier een controle op een perceel met non food/non feed gewassen.

Tijdens de controle bleek ons (…) dat het steunperceel niet precies te meten was, aangezien er geen perceelsgrenzen bleken te bestaan tussen het stuk grond van aanvrager A en de Boomkweker (…). De enige waar te nemen grens in het perceel waren de verschillende kleuren van de beplanting; een strook met coniferen was lichtgroen gekleurd en een andere strook was donkergroen van kleur.

(…)."

- Bij besluit van 15 januari 2001 heeft verweerder appellant een akkerbouwsubsidie toegekend van fl. 12.399,21 en hiertoe voor wat betreft de gewasgroep "braak" de volgende berekening gegeven:

"GEWASGROEP AANGEVRAAGD GECONSTATEERD SUBSIDIABEL

Braak 2,09 1,60 0,00

Verschil tussen aangevraagde en geconstateerde oppervlakte 0,49

Verschil uitgedrukt in percentage van de geconsateerde oppervlakte 30,63

Als het verschil tussen aangevraagde en geconstateerde oppervlakte groter is dan 20% van de geconstateerde oppervlakte, dan vervalt het recht op subsidie."

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 19 februari 2001 bezwaar gemaakt.

- Op 22 november 2001 is appellant gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt, voor zover van belang, onder meer het volgende in.

" (…)

Een gewas waarvoor u een non food/non feed bijdrage aanvraagt, is alleen subsidiabel wanneer er een ingevolge de Regeling toegestaan gewas wordt geteeld en er een toegestaan eindproduct wordt geproduceerd.

Tijdens de hoorzitting geeft u aan dat u door LASER bent doorverwezen naar de douane omdat LASER u niets kon vertellen over non food/non feed. LASER heeft uw vraag over de GN-code inderdaad doorverwezen naar de douane, omdat de douane makkelijker aan die informatie kan komen. De douane heeft u vervolgens een GN-code gegeven.

In uw geval is er sprake van een toegestaan gewas; de GN-code ex 06029041 staat in de lijst van subsidiabele gewassen. Echter, om in aanmerking te komen voor de non food/non feed bijdrage, moet dit gewas ook tot een toegestaan eindproduct worden verwerkt. Dit blijkt uit Verordening (EG) 2461/1999 waarop de Regeling is gebaseerd. Tijdens de hoorzitting is gebleken dat de coniferen naar de groothandel zullen gaan. Ingevolge artikel 3, eerste lid, en artikel 22 van Verordening (EG) 2461/1999 en de daarbij horende bijlagen is het uitplanten van gewassen geen toegestaan eindproduct.

Gezien het gestelde in artikel 3, eerste lid, en artikel 22 van Verordening (EG) 2461/1999 en de daarbij horende bijlagen met betrekking tot grondstoffen en eindproducten, komt u voor perceel 10 (perceelsummer 216.09.495.66) niet in aanmerking voor een bijdrage.

(…)."

4. Het standpunt van appellant

Appellant kan zich niet verenigen met de afwijzing van de toekenning van een gewaspremie voor perceel 10. Ten onrechte heeft verweerder het gewas niet aangemerkt als eindproduct dat op grond van Verordening (EG) nr. 2461/1999 is toegestaan.

Ten onrechte heeft verweerder geoordeeld dat de perceelsgrootte niet te meten is; volgens appellant is elk perceel te meten. Bovendien had verweerder op basis van de kadastrale gegevens tot een eindoordeel moeten komen.

Voorts vindt appellant het opmerkelijk dat verweerder eerst aangeeft dat het non food/non feed gewas op een perceel is verbouwd dat niet aan hem toebehoort, maar hij vervolgens niettemin toch inhoudelijk ingaat op de vraag of het gewas wel voldoet aan de voorwaarden, genoemd in Verordening (EG) nr. 2461/1999. Indien zou zijn aangetoond dat het gewas is verbouwd op een perceel dat geen eigendom was van appellant, is het overbodig om op de inhoud van de zaak in te gaan. Bovendien is het verbouwde gewas een erkende grondstof en als zodanig in Verordening (EG) nr. 2461/1999 onder GN-code ex 06029041 opgenomen. In genoemde verordening staat niet expliciet vermeld dat het verbouwen van coniferen niet is toegestaan, noch word een voorbehoud gemaakt. Aangezien het gewas is opgenomen in de lijst van subsidiabele gewassen, kan volgens appellant hem een financiële tegemoetkoming niet worden onthouden.

5. De beoordeling van het geschil

Tussen partijen is in geschil of het gewas coniferen, dat appellant op perceel 10 teelt, voldoet aan het bepaalde bij Verordening (EG) nr. 2461/1999 en de Regeling.

Ingevolge de artikelen 3 en 22 van deze verordening mag een gewas alleen dan op uit de productie genomen grond worden geteeld, indien het eindgebruik ervan bestaat in de vervaardiging van één van de in bijlage III bij de verordening opgenomen producten.

Appellant heeft tijdens de hoorzitting bij verweerder desgevraagd verklaard dat de coniferen naar de groothandel gaan naar gelang de vraag, maar dat hij niet weet naar wat voor groothandel. Hieruit heeft verweerder kunnen concluderen dat bedoelde coniferen niet specifiek met het oog op de verwerking tot een in genoemde bijlage III vermeld product worden verbouwd, zoals voorgeschreven bij artikel 31, lid 2, van de Regeling, zodat zij niet voldoen aan Verordening (EG) nr. 2461/1999.

Hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd omtrent de aard van de teelt en de omvang van perceel 10, biedt geen grond voor het oordeel dat verweerder had moeten beslissen dat bedoelde coniferen voor energieproductie zijn bestemd. De omstandigheid dat blijkens het controlerapport van de AID bij het meten van perceel 10 geen duidelijke perceelsgrenzen waarneembaar waren, heeft verweerder, naar hij ook uitdrukkelijk heeft betoogd, niet aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

De slotsom is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. C.M. Wolters en mr. M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2003.

w.g. D. Roemers w.g. L. van Duuren