Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF4826

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
21-02-2003
Zaaknummer
AWB 00/692
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/692 5 februari 2003

10000 Superheffing

Uitspraak in de zaak van:

A, te Voorthuizen, appellant en verzoeker tot herziening,

gemachtigde: C.M.H. Cohen van Accon Accountants en Adviseurs te Tiel,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Nagel, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 18 augustus 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen tegen een besluit van verweerder van 11 juli 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant tegen het besluit van verweerder van 21 oktober 1999, waarbij verweerder heeft besloten appellant geen aanvullend quotum dan wel een schadevergoeding toe te kennen, ongegrond verklaard.

Appellant heeft bij schrijven van 25 september 2000 zijn beroepschrift aangevuld. Appellant heeft hierbij tevens verzocht om herziening van de uitspraak van het College in de zaak onder no. 66/03/6684 van 14 april 1988 en van de beschikking van de Voorzitter van het College in de zaak onder no. 87/2902/60/186 van 21 september 1989.

Verweerder heeft op 2 november 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 13 november 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaats gevonden, waarbij partijen hun standpunt nader hebben doen toelichten. Appellant heeft hierbij het verzoek om herziening van de uitspraak van het College van 14 april 1988 ingetrokken.

2. De grondslag van het geschil

Artikel 7 van de Beschikking aanvulling superheffing luidt als volgt.

" 1. Degene, die op grond van de artikelen 2 tot en met 5 voor een andere hoeveelheid dan bedoeld in artikel 5, eerste of tweede lid, van de Beschikking superheffing 1985, een aanspraak wenst geldend te maken, dient vanaf 7 april en vóór 15 juni 1986 op een daartoe voorgeschreven formulier een daartoe strekkend verzoek in bij de DBH, volgens de daartoe gestelde voorschriften.

2. Een verzoek, als bedoeld in het eerste lid, is met redenen omkleed. Het bevat een, met daartoe strekkende bewijsstukken, onderbouwde verklaring omtrent de onderscheidene gronden, als bedoeld in de artikelen 2 tot en met 5 welke ter staving van het verzoek worden aangevoerd.

3. Het verzoek is niet ontvankelijk, indien de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, of het bepaalde in het tweede lid niet in acht zijn genomen dan wel indien kennelijk niet aan de voorwaarden, gesteld in bedoelde artikelen, wordt voldaan."

Op grond van de stukken waaronder de stukken in de zaken onder de nos 66/03/6684 en 87/2902/60/186 en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden vast komen te staan.

- Op 14 april 1988 heeft het College in de zaak onder no. 66/03/6684 het beroep van appellant tegen het besluit van verweerder waarbij het bezwaar van appellant tegen het besluit van de directeur voor de landbouw en voedselvoorziening om appellants aanspraken op een bijzondere hoeveelheid heffingvrij te leveren melk krachtens artikel 11 van de Beschikking superheffing niet te erkennen, ongegrond werd verklaard en zijn verzoek werd afgewezen, verworpen. Het College overwoog hiertoe - kort en zakelijk weergegeven - dat verweerder zich terecht op het standpunt had gesteld dat appellant reeds voor 1 september 1981 de hoofdverplichting was aangegaan met betrekking tot de investeringen, die hij aan zijn aanvraag ten grondslag had gelegd.

- Op 21 september 1989 heeft de Voorzitter van het College in de zaak onder no. 87/2902/60/186 het beroep van appellant tegen het besluit van verweerder waarbij het bezwaar van appellant tegen het besluit van de directeur voor de landbouw en voedselvoorziening om op een aanvraag om erkenning van appellants aanspraken op een bijzondere hoeveelheid heffingvrij te leveren melk op grond van artikel 2, derde lid, van de Beschikking aanvulling superheffing (hierna: de BAS) afwijzend te beslissen, ongegrond werd verklaard, ongegrond verklaard. Hiertoe werd - kort en zakelijk weergegeven - overwogen dat niet was komen vast te staan dat de 15 in geschil zijnde standplaatsen konden worden aangemerkt als te zijn ingericht voor melk - of kalfkoeien nu voor deze standplaatsen een breedte beschikbaar was van in totaal 15.35 m, hetgeen duidde op een breedte per standplaats van minder dan 1,03 meter, welke breedte minder was dan de standplaatsbreedte van 1.10 meter welke verweerder voor melk- of kalfkoeien hanteerde. Voorts werd overwogen dat niet had kunnen blijken dat in het geval van appellant zich zodanige omstandigheden, de bedrijfsvoering betreffende, voordeden dat een afwijkende standplaatsbreedte aannemelijk was.

- Het beroep van appellant in deze laatste zaak is ingesteld door de toenmalige gemachtigde van appellant; de instelling hiervan is bij brief van 4 november 1987 aan deze gemachtigde bevestigd.

- De beschikking van 21 september 1989 is bij brief van 21 september 1989 opgestuurd naar deze zelfde toenmalige gemachtigde van appellant, waarbij is medegedeeld dat binnen 14 dagen na de datum van deze brief verzet bij het College kon worden gedaan.

- Bij brief van 27 september 1999 is namens appellant verzocht om toekenning van een quotum alsmede om vergoeding van schade op grond van omzetverlies geleden gedurende 5 jaar voorafgaande aan 1 oktober 1999 als gevolg van het missen van een ten onrechte niet toegekend quotum van 40.119 kg met een vetpercentage van 4.33%. Namens appellant werd hierbij aangevoerd dat het oordeel van het College omtrent appellants aanspraken op een bijzondere hoeveelheid heffingvrij te leveren melk evident onjuist was geweest. In deze brief verwees appellant met name naar de uitspraak van het College van 14 april 1988. Appellant wees er voorts op dat het College ten tijde van het doen van zijn uitspraken niet als een onafhankelijke rechter in de zin van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden kon worden beschouwd.

- Bij besluit van 21 oktober 1999 heeft verweerder onder aanhaling van de uitspraak van 14 april 1988 het verzoek van appellant om toekenning van een bijzondere hoeveelheid heffingvrij te leveren melk afgewezen. Voorts heeft verweerder het verzoek van appellant om schadevergoeding afgewezen.

- Bij brief van 23 november 1999 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 oktober 1999. Bij brief van 19 januari 2000 heeft appellant de gronden van zijn bezwaar aangevuld. Appellant heeft hierin betoogd dat hem eerst in de loop van het jaar 1998 duidelijk is geworden dat hem destijds ten onrechte een bijzondere hoeveelheid heffingvrij te leveren melk is onthouden. Appellant heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat de keuze voor de standplaatsbreedte van de nieuwe standplaatsen indertijd door zijn vader is gemaakt in overleg met B van het Consulentschap Rundveehouderij te Arnhem. Uit de verklaring van B van 13 januari 2000 valt af te leiden dat de standplaatsen waren bestemd voor melk- of kalfkoeien. Appellant verzoekt om met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aan hem een extra quotum en de gevraagde schadevergoeding toe te kennen.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Verweerder heeft het bestreden besluit onder meer doen gronden op de volgende overwegingen.

" Nieuwe feiten of veranderde omstandigheden

Ingevolge artikel 4:6 Awb meent u dat u in aanmerking komt voor toekenning van een extra melkquotum en een schadevergoeding. Ik merk hierover op dat ingevolge artikel 4:6 Awb sprake moet zijn van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Deze feiten en omstandigheden mogen bij de eerdere besluitvorming geen rol hebben gespeeld. Bovendien kan het niet zo zijn dat ze destijds als beroepsgrond naar voren hadden kunnen worden gebracht (Vgl. CRvB, 18 december 1997, AB 1997/124). Zoals ik reeds in mijn beslissing van 21 oktober 1999 heb aangegeven, heeft u dergelijke nieuwe feiten of veranderde omstandigheden niet ingebracht.

(…)

Aangaande de breedte van de standplaatsen kan worden opgemerkt dat deze problematiek ook reeds in de eerdere procedure uitvoerig aan de orde is geweest. In de uitspraak van 21 september 1989 heeft het CBb overwogen dat de breedte van standplaatsen - mede gelet op de constante jurisprudentie van het CBb - zodanig is dat deze te smal is om de standplaatsen als standplaats voor melk- of kalfkoeien aan te kunnen merken, zoals bedoeld in artikel 11 van de Beschikking. De verklaring van T. Zeissink kan niet leiden tot een ander oordeel en had bovendien tijdens de eerdere procedure kunnen worden ingebracht.

Samenvattend kan worden gesteld dat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb. Daarnaast kunnen nieuwe argumenten in het kader van artikel 4:6 Awb niet worden meegenomen.

Voorts wordt opgemerkt dat de door u genoemde feiten en omstandigheden in elk geval tijdens de eerdere procedure redelijkerwijs naar voren gebracht hadden kunnen worden. Mij is bovendien niet gebleken en het is evenmin gesteld dat de destijds genomen beslissingen als evident onjuist moeten worden gekwalificeerd.

Onafhankelijke rechter

Dat het CBb toen hij destijds de uitspraak deed niet als onafhankelijke rechter in de zin van het Europees Verdrag van de rechten van de Mens kon worden beschouwd, maakt vorenstaande niet anders. Verwezen zij naar de beslissing in eerste aanleg.

Onrechtmatigheid

Daar de destijds genomen besluiten de rechterlijke toetsing hebben doorstaan en in rechte onaantastbaar zijn geworden, kan niet worden gesproken van onrechtmatige besluiten en zie ik evenmin - mede gelet op vorenstaande - reden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat sprake is van onrechtmatig handelen.

Verjaring

Zoal - quod non - van onrechtmatig handelen gesproken kan worden, is in de beslissing van 21 oktober 1999 terecht overwogen dat uw vordering is verjaard. De verjaringstermijn van vorderingen uit onrechtmatige daad bedraagt vijf jaar en geen twintig jaar. De termijn begint te lopen wanneer redelijkerwijs kan worden gezegd dat op de geldende voorschriften tezamen met het vervuld zijn van de daarin feitelijk gestelde voorwaarden in beginsel een financiële aanspraak kan worden gebaseerd. Nu reeds vijf jaar zijn verstreken nadat het CBb uitspraak heeft gedaan terzake van uw verzoeken stel ik mij op het standpunt dat uw vordering verjaard is. Dat - gelet op nieuw veroorzaakte schade in de vorm van winstderving - elk jaar sprake is van een nieuwe verjaringstermijn is onjuist."

In het verweerschrift heeft verweerder met betrekking tot appellants verzoek om herziening van de beschikking van de Voorzitter van het College van 21 september 1989 aangevoerd dat in deze geen sprake is van feiten en omstandigheden die bij de indiener van de aanvrage niet bekend waren en redelijkerwijze niet bekend konden zijn bij de eerdere besluitvorming zodat er geen aanleiding is tot herziening van deze beschikking van de Voorzitter. Het inleidend verzoek om een extra quotum en de verklaring van B van 13 januari 2000 dateren van na de uitspraak en de beschikking zodat reeds hierom niet gesproken kan worden van nieuwe feiten en omstandigheden. Het rechtsmiddel van herziening dient niet om een partij de gelegenheid te geven het debat te heropenen.

Ter zitting heeft verweerder nog opgemerkt dat de termijn van indiening van een aanvrage op grond van de BAS verstreken is.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter onderbouwing van zijn beroep, c.q. verzoek om herziening het volgende naar voren gebracht.

Slechts de beschikking van de Voorzitter van het College van 21 september 1989 is onjuist. Aan appellant had op basis van de Beschikking aanvulling superheffing een bijzondere hoeveelheid heffingvrij te leveren melk dienen te worden toegekend. Nu hiertoe ten onrechte niet besloten is lijdt appellant schade. Deze schade ontstaat ieder jaar dat appellant niet in de gelegenheid is de hem ten onrechte onthouden bijzondere hoeveelheid heffingvrij te leveren melk daadwerkelijk te leveren.

Thans dient aan appellant op basis van artikel 4:6 van de Awb een extra quotum te worden toegekend. Uit de verklaring van B van 13 januari 2000 valt immers af te leiden dat de standplaatsen bedoeld waren voor melk- of kalfkoeien. Hij heeft van deze verklaring eerst in 1998 kennis gekregen. Hij kon dus indertijd deze verklaring niet naar voren brengen.

Appellant heeft slechts een ontvangstbewijs ontvangen met betrekking tot het beroep dat hij had ingesteld in verband met zijn aanvrage op grond van de BAS. De beschikking van de Voorzitter van 21 september 1989 heeft hij nimmer ontvangen. Het beginsel van hoor en wederhoor is door het College met voeten getreden. De procesgang hield derhalve onvoldoende waarborgen voor appellant in. Dit alleen al is aanleiding om de kwestie alsnog op de juiste wijze te beoordelen en tot vergoeding van de door appellant geleden schade. Nu verweerder zulks heeft geweigerd en het hiertegen gerichte bezwaarschrift bij het bestreden besluit ongegrond is verklaard, dient dit te worden vernietigd.

Voorts biedt de Awb een extra basis om tot een herziening te komen van een eerdere uitspraak van het College, te weten artikel 8:88 van de Awb. In het geval van appellant is sprake van feiten en omstandigheden die het College niet heeft kunnen meewegen. Eerst na de beschikking van de Voorzitter heeft het College kennis kunnen nemen van het advies van B en van de omstandigheid dat de vader van appellant dit advies keurig heeft opgevolgd.

5. De beoordeling van het geschil

Ter zitting heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat slechts de beschikking van de Voorzitter van het College van 21 september 1989 onjuist is geweest. Het College houdt het er derhalve voor dat appellant heeft bedoeld te stellen dat slechts zijn aanvrage op grond van artikel 2, derde lid, van de BAS ten onrechte niet is gehonoreerd alsmede dat hij met zijn beroep op artikel 4:6 van de Awb slechts heeft bedoeld een nieuwe aanvrage op grond van artikel 2, derde lid, van de BAS in te dienen.

Nu de termijn voor het indienen van verzoeken op grond van de BAS is verstreken was verweerder reeds hierom gehouden de nieuwe aanvrage van appellant af te wijzen. De enkele omstandigheid dat appellant een nieuwe aanvraag op grond van de BAS heeft gedaan maakt niet dat de termijn van indiening heropend wordt. Hier komt nog bij dat appellant geen nieuw gebleken feiten en omstandigheden in zijn aanvrage heeft gemeld, hoewel hij hiertoe gehouden was. De door appellant naar voren gebrachte verklaring van B kan niet als zodanig worden aangemerkt. Blijkens de stukken in de zaak onder no. 87/2902/60/186 is namens appellant bij schrijven van 19 april 1988 een verklaring van voormelde B in de procedure gebracht. Dat hij toen niet heeft verklaard omtrent de breedte van de standplaatsen dient voor risico van appellant te komen. Immers: in de beslissing op bezwaar van 29 september 1987 is uitdrukkelijk overwogen dat de in het geschil zijnde 15 standplaatsen niet kunnen worden aangemerkt als te zijn ingericht voor melk- of kalfkoeien nu zij niet voldoen aan de minimum breedte norm van 1.10 meter. Voorts is overwogen dat op deze minimum norm een uitzondering kan worden gemaakt indien, gelet op de huidige bedrijfsvoering van de ondernemer, een andere standplaatsbreedte aannemelijk voorkomt. Het lag derhalve uitdrukkelijk op de weg van appellant zulks te stellen en te bewijzen en ook om zorg te dragen voor een op dit punt complete verklaring van B.

Hierbij komt nog dat - daargelaten of appellant niet zelf al ten tijde van de advisering door B op de hoogte was van diens advies - in ieder geval appellants rechtsvoorganger hiervan op de hoogte was zodat appellant zich niet kan beroepen op zijn onbekendheid met dit advies.

Onbesproken kan blijven of het advies van B gewicht in de schaal had behoren te leggen bij het nemen van het besluit naar aanleiding van de aanvrage van appellant op grond van artikel 2, derde lid, van de BAS.

Zoals blijkt uit het gereleveerde in rubriek 2 van deze uitspraak is de beschikking van de Voorzitter van het College van 21 september 1989 toegestuurd aan de gemachtigde van appellant, die appellant in die gehele procedure van begin tot eind heeft vertegenwoordigd. De eventuele omstandigheid dat de door appellant gekozen gemachtigde deze beschikking niet ter kennis van appellant heeft gebracht, dient voor zijn risico te komen nu hij zelf deze gemachtigde heeft gekozen. Uit de stukken in de zaak no. 87/2902/60/186 blijkt dat appellant via zijn gemachtigde in deze zaak op de gebruikelijke wijze aan het woord is geweest. Van met voeten treden van het beginsel van hoor en wederhoor en niet kunnen behartigen van zijn belangen is derhalve geen sprake.

Zou men al menen dat de beschikking van 21 september 1989 ten onrechte niet aan appellant zelf is opgestuurd, dan zou zulks ten hoogste kunnen leiden tot de conclusie dat termijnoverschrijding door appellant verschoonbaar zou zijn en dat hij alsnog in verzet zou kunnen worden ontvangen. De eventuele omstandigheid dat de beschikking van de Voorzitter van het College appellant niet via zijn toenmalige gemachtigde heeft bereikt hoefde in ieder geval geen reden voor verweerder te vormen om tot heroverweging van zijn afwijzend besluit ten aanzien van de aanvrage op grond van artikel 2, derde lid, van de BAS over te gaan nu appellant, voor het geval de overschrijding van de termijn om in verzet te komen verschoonbaar zou zijn, het rechtsmiddel van verzet ten dienste stond.

Ook overigens was er voor verweerder geen aanleiding om tot heroverweging van het bestreden besluit over te gaan nu de afwijzing van de oorspronkelijke aanvrage van appellant gegrond was op de omstandigheid dat de 15 in het geding zijnde standplaatsen voor melk- of kalfkoeien een standplaatsbreedte van minder dan de minimum breedte ad 1.10 meter hadden en het om boven gemelde redenen op de weg van appellant had gelegen een complete verklaring van B ter rechtvaardiging van een geringere standplaatsbreedte in de procedure in te brengen. Er was derhalve geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden die verweerder tot heroverweging van zijn eerdere besluit op grond van artikel 2, derde lid, van de BAS zouden nopen.

Appellants verzoek om schadevergoeding is gegrond op de stelling dat het afwijzend besluit op de aanvrage op grond van artikel 2, derde lid, van de BAS, onrechtmatig zou zijn. Nu bij de Beschikking van de Voorzitter van het College is vastgesteld, dat dit besluit niet onrechtmatig was en daartegen geen verzet is ingesteld, is dit oordeel tussen partijen komen vast te staan. Verweerder behoefde reeds hierom geen termen te zien voor inwilliging van het verzoek.

Ter wille van de proceseconomie overweegt het College nog als volgt.

Uit de aanvraag om een quotum van 27 september 1999 blijkt dat appellant toen van de beschikking van de Voorzitter van het College van 21 september 1999 op de hoogte was. In deze brief wordt immers artikel 2, derde lid, van de BAS genoemd en wordt gesproken van de uitspraken van het College. Indien appellant alsnog tegen deze beschikking in verzet zou komen, ligt de conclusie voor de hand dat hij niet zo spoedig als mogelijk in verzet is gekomen met als gevolg niet-ontvankelijk verklaring.

De slotsom moet zijn dat het beroep van appellant ongegrond is.

Ingevolge artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, juncto artikel 8:88, eerste lid, van de Awb kan het College op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaats gevonden voor de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift voor de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij het College eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

Uit hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht blijkt niet van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. De verklaring van B van 13 januari 2000 dateert immers van na de uitspraak van het College. Het door B indertijd gegeven advies dateert weliswaar van voor de uitspraak van het College maar, zoals overwogen, kan verzoeker zich niet beroepen op zijn eerdere onbekendheid met dit advies nu dit aan zijn rechtsvoorganger gegeven is. Hier komt nog bij dat het advies hem redelijkerwijs bekend had kunnen zijn aangezien het, zoals ook reeds overwogen, op zijn weg had gelegen te stellen en te bewijzen waarom, gelet op zijn bedrijfsvoering een afwijkende standplaatsbreedte noodzakelijk was, en het op zijn weg had gelegen een in dit opzicht complete verklaring van B over te leggen.

Gezien het vorenstaande is niet voldaan aan de voorwaarden voor herziening.

Het College ziet geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:74 van de Awb over te gaan tot een proceskostenveroordeling.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om herziening af.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. C.M. Wolters en mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr L. van Duuren, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2003.

w.g. D. Roemers w.g. L. van Duuren