Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF4817

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-01-2003
Datum publicatie
20-02-2003
Zaaknummer
AWB 02/404
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Algemene wet bestuursrecht 8:75a
Algemene wet bestuursrecht 8:84
Diergeneesmiddelenwet 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

No. AWB 02/404 Diergeneesmiddelenwet 16 januari 2003

11310 Registratie

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van:

AST Beheer B.V., te Oudewater, verzoekster,

gemachtigde: mr. J.F. van Nouhuys, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder.

1. De feiten en het geschil

Door middel van een op 30 maart 1987 ondertekend formulier heeft Tesink Veterinaire Produkten B.V. (hierna: TVP) te Oudewater bij het Bureau Registratie Diergeneesmiddelen (hierna: BRD) van verweerder een aanvraag ingediend tot registratie van het niet-immunobiologisch diergeneesmiddel 'Otiderm Gel'.

Bij brief van 17 juli 1991 heeft het BRD de behandeling van de aanvraag ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Regeling registratie diergeneesmiddelen geschorst, TVP medegedeeld dat het door haar aangeleverde dossier onvoldoende gegevens bevat en verzocht vóór 21 oktober 1991 aanvullende gegevens in te zenden.

TVP heeft geen aanvullende gegevens verstrekt.

Bij besluit van 30 september 1992 heeft de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, in overeenstemming met de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, de registratieaanvraag afgewezen op de grond dat deze niet voldoet aan de voorwaarde neergelegd in artikel 4, onderdeel a, onder 1, en onderdeel b, van de Diergeneesmiddelenwet (hierna: DGW).

Tegen dit besluit heeft TVP bij brief van 23 oktober 1992 bezwaar gemaakt.

TVP is op 1 juli 1994 in de gelegenheid gesteld naar aanleiding van de ingediende bezwaren door de Commissie voor de bezwaarschriften van verweerder te worden gehoord.

Bij besluit van 23 augustus 1994 heeft de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, in overeenstemming met de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, de bezwaren van TVP ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft TVP op 28 september 1994 bij het College beroep ingesteld.

In 1996 zijn de aandelen van TVP verkocht aan Fort Dodge Animal Health Benelux B.V. (hierna: Fort Dodge) te Weesp.

Bij uitspraak van 16 juli 1996 heeft het College het beroep van TVP gegrond verklaard, het besluit van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 23 augustus 1994 vernietigd en bepaald dat de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij opnieuw op het bezwaarschrift van 23 oktober 1992 beslist met inachtneming van die uitspraak.

Naar aanleiding van voormelde uitspraak van het College is TVP bij brief van 23 juli 1996 in de gelegenheid gesteld de bij brief van 17 juli 1991 gestelde schorsingsvragen vóór 25 oktober 1996 te beantwoorden.

Bij brief van 21 oktober 1996 heeft TVP het BRD aanvullende gegevens doen toekomen.

Deze aanvullende gegevens zijn op 28 oktober 1996 aan de beoordelende instituten LGO en ID-DLO voorgelegd. De conclusies van de onderzoeken van deze instituten zijn neergelegd in rapporten van 6 november 1996 en 12 december 1996.

Bij brief van 13 mei 1997 heeft TVP het BRD verzocht de voorlopige registratie van onder meer het onderhavige diergeneesmiddel over te schrijven op naam van AST Farma B.V. te Oudewater.

Op 18 augustus 1997 heeft Fort Dodge besloten TVP in te lijven.

Bij brief van 9 maart 1998 heeft een ambtenaar ten departemente van verweerder aan drs. D. Stellingwerf, werkzaam bij Fort Dodge, een telefoongesprek bevestigd waarin drs. D. Stellingwerf ten aanzien van het onderhavige diergeneesmiddel heeft verklaard af te zien van een hernieuwde toelichting op het bezwaarschrift naar aanleiding van de afgeronde rapporten van de beoordelende instituten.

Bij besluit van 17 maart 1998 heeft verweerder, in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, besloten het bezwaar van TVP van 23 oktober 1992 wederom ongegrond te verklaren. Dit besluit is gericht aan Fort Dodge, ter attentie van drs. D. Stellingwerf.

Bij brief van 7 juli 1999 heeft AST Farma B.V. het BRD verzocht de registratie van onder meer het onderhavige diergeneesmiddel over te schrijven op naam van verzoekster.

Bij brief van 23 maart 2001 heeft het BRD verzoekster verzocht de jaarlijkse vergoeding ad f 1.000,-- voor 2001 te voldoen ten behoeve van de registratie van het onderhavige diergeneesmiddel.

Op 16 januari 2002 is in de Staatscourant (nr. 11) gepubliceerd dat verweerder afwijzend heeft beslist op de aanvraag tot registratie van het onderhavige diergeneesmiddel en dat artikel 58, tweede lid, van de DGW derhalve niet langer op dit diergeneesmiddel van toepassing is.

Op 17 januari 2002 is verzoekster uit gegevens van de Diergeneesmiddelen database van het BRD gebleken dat de registratie van het onderhavige diergeneesmiddel is beëindigd en dat de uitverkoop- en opgebruiktermijn van dit middel op 17 maart 1999 is verstreken.

Bij brief van 17 januari 2002 heeft verzoekster het BRD om nadere informatie verzocht naar aanleiding van voormelde publicatie in de Staatscourant.

Bij brief van 29 januari 2002 heeft een ambtenaar ten departemente van verweerder verzoekster een afschrift van het bestreden besluit doen toekomen. Daarbij is medegedeeld dat het bestreden besluit is genomen na telefonisch overleg met drs. D. Stellingwerf van Fort Dodge over de behandeling van het bezwaarschrift. Voorts staat in dit schrijven vermeld dat het onderhavige diergeneesmiddel tot en met 2001 op de markt is geweest.

Bij brief van 12 februari 2002, aangevuld bij brief van 8 maart 2002, heeft verzoekster bij het College beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 maart 1998. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 02/332.

Bij brief van 8 maart 2002, diezelfde dag ter griffie van het College ontvangen, heeft verzoekster zich tevens tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, er primair toe strekkende dat het bestreden besluit wordt geschorst, subsidiair dat verzoeker wordt toegestaan het onderhavige diergeneesmiddel af te leveren, voorhanden of in voorraad te hebben, binnen Nederland te brengen of te gebruiken als ware zij registratiehoudster op basis van een uitverkooptermijn van een jaar te rekenen vanaf 29 januari 2002 en meer subsidiair de voorziening te treffen die de voorzieningenrechter nodig oordeelt.

Op 26 maart 2002 heeft verweerder desgevraagd de voorzieningenrechter een schriftelijke reactie op het verzoek om voorlopige voorziening doen toekomen.

Bij brief van 9 april 2002 heeft verzoekster de gronden van het verzoek om voorlopige voorziening nader aangevuld.

Op 2 mei 2002 heeft verweerder desgevraagd de voorzieningenrechter een nadere reactie op het verzoek om voorlopige voorziening doen toekomen.

Bij brief van 6 mei 2002 heeft verzoekster de gronden van het verzoek om voorlopige voorziening nogmaals aangevuld.

Bij brief van 14 mei 2002 heeft de griffier van het College partijen in kennis gesteld van het voornemen het beroep met kenmerk AWB 02/332 in de tweede helft van juni/eerste helft juli 2002 te behandelen. Partijen is hierbij verzocht de griffier van het College mede te delen of de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening in verband daarmede kan worden aangehouden.

Op 15 mei 2002 heeft verzoekster aangegeven in te stemmen met de door de griffier van het College voorgestelde aanpak en heeft daarbij aangegeven akkoord te gaan met aanhouding van de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening.

Bij uitspraak van 10 september 2002 heeft het College het beroep van verzoekster met kenmerk AWB 02/332 gegrond verklaard en het besluit van 17 maart 1998 vernietigd. Deze uitspraak is te raadplegen op www.rechtspraak.nl onder LJN-nummer: AE8319.

Hierop heeft verzoekster bij brief van 15 oktober 2002 het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken en de voorzieningenrechter verzocht verweerder bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure.

Bij brief van 17 oktober 2002 is verweerder in de gelegenheid gesteld schriftelijk op het verzoek om proceskostenveroordeling te reageren.

Bij brief van 30 oktober 2002 heeft verweerder de voorzieningenrechter een schriftelijke reactie op het verzoek om proceskostenveroordeling doen toekomen.

2. Het standpunt van verzoekster

De uitspraak van het College van 10 september 2002 bevestigt de juistheid van de argumenten die verzoekster destijds aan haar beroep en aan haar verzoek om voorlopige voorziening ten grondslag heeft gelegd.

Gelet op de omstandigheid dat verweerder zich onverkort op het standpunt had gesteld dat voor verzoekster tegen het bestreden besluit geen beroep meer openstond, alsmede dat de registratie van het onderhavige diergeneesmiddel reeds per maart 1999 was komen te vervallen en dat verweerder niet bereid was de uitkomst van de beroepsprocedure af te wachten alvorens tot handhaving van zijn besluit van 17 maart 1998 over te gaan, waren er voor verzoekster dringende redenen om een voorlopige voorziening te vragen.

Nu verweerder kennelijk wel bereid was aan de voorzieningenrechter toe te zeggen in afwachting van behandeling van de hoofdzaak af te zien van handhaving van zijn besluit van 17 maart 1998, is verweerder aan verzoekster tegemoetgekomen en is een veroordeling van verweerder in de proceskosten van de voorlopige voorzieningprocedure gerechtvaardigd.

3. Het standpunt van verweerder

Verweerder is van mening dat het verzoek om kostenveroordeling van verzoekster moet worden afgewezen. Verzoekster heeft haar verzoek om voorlopige voorziening niet naar aanleiding van een geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen door verweerder ingetrokken. De uitspraak van het College van 10 september 2002 op het door haar ingestelde beroep heeft daarentegen voor verzoekster reden gevormd om haar verzoek om voorlopige voorziening in te trekken.

Verweerder heeft op geen enkele wijze kenbaar gemaakt niet tot handhaving van het besluit van 17 maart 1998 te zullen overgaan in afwachting van de uitspraak van het College in de hoofdzaak.

4. De beoordeling van het verzoek

Ingevolge artikel 8:84, vierde lid, juncto 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan in geval van intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening omdat het bestuursorgaan aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld.

Aan de orde is de beantwoording van de vraag of verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.

In de voorlopige voorzieningprocedure dient die vraag allereerst te worden gerelateerd aan het specifieke doel van die procedure, te weten het voorkomen van onevenredig nadeel hangende de procedure. Van tegemoetkomen kan dan worden gesproken als het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit waartegen wordt opgekomen opschort, of als het anderszins een maatregel neemt waardoor onevenredig nadeel wordt voorkomen.

Verzoekster heeft het standpunt ingenomen dat verweerder kennelijk aan de voorzieningenrechter heeft toegezegd in afwachting van behandeling van de hoofdzaak van handhaving van zijn besluit van 17 maart 1998 af te zien en daarmee aan haar is tegemoetgekomen. Verweerder heeft deze stellingname van verzoekster bestreden.

De voorzieningenrechter heeft de juistheid van verzoeksters stelling niet kunnen vaststellen. Aangezien derhalve niet is gebleken dat verweerder in het onderhavige geval een ordemaatregel heeft genomen, is van tegemoetkomen in evenbedoelde zin geen sprake.

Daarnaast kan sprake zijn van tegemoetkomen indien het bestuursorgaan alsnog inhoudelijk het door de verzoeker om een voorlopige voorziening gewenste besluit neemt. Ook dan is er immers geen reden meer het verzoek om voorlopige voorziening te handhaven. Voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van tegemoetkomen is in dat geval evenwel niet alleen de inhoud van het besluit van belang, maar dient ook rekening te worden gehouden met de reden waarom het nieuwe besluit wordt genomen. Geplaatst tegen deze achtergrond is het volgende van belang.

Verzoekster heeft zich, kennelijk subsidiair, op het standpunt gesteld dat een veroordeling van verweerder in de kosten van het geding op haar plaats is, omdat met de uitspraak van het College van 10 september 2002 aan verzoekster is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb.

Anders dan verzoekster is de voorzieningenrechter echter van oordeel dat van een tegemoetkomen in de zin van laatstgenoemd artikel hier niet met vrucht kan worden gesproken. De omstandigheid dat verweerder naar aanleiding van voormelde uitspraak van het College opnieuw op het bezwaar van verzoekster van 23 oktober 1992 dient te beslissen, hetgeen betekent dat de registratie als bedoeld in artikel 58, eerste en tweede lid, van de DGW van het onderhavige diergeneesmiddel gehandhaafd blijft, is een rechtstreeks gevolg van de door het College op 10 september 2002 gewezen uitspraak. Een erkenning van de onrechtmatigheid van zijn besluit van 17 maart 1998 door verweerder ligt daarin niet besloten. Dat er voor verzoekster dringende redenen aanwezig waren om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen, doet aan het vorenstaande niet af. Het verzoek om kostenveroordeling dient derhalve te worden afgewezen.

Met toepassing van artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie juncto de artikelen 8:84 en 8:54 van de Awb leidt dit tot de volgende uitspraak.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb af.

Aldus gewezen door mr. R.R. Winter, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener,

als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2003.

w.g. R.R. Winter w.g. M.S. Hoppener