Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF4790

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-02-2003
Datum publicatie
20-02-2003
Zaaknummer
AWB 02/1073
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2003, 66

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/1073 4 februari 2003

13700 Wet tarieven gezondheidszorg

Uitspraak in de zaak van:

Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), gevestigd te Utrecht, appellante,

gemachtigde: mr. E.J.C. de Jong, advocaat te Utrecht,

tegen

het College tarieven gezondheidszorg, te Utrecht, verweerder,

gemachtigde: mr. G.R.J. de Groot, advocaat te 's-Gravenhage.

1. De procedure

Op 4 juni 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder, verzonden op 25 april 2002.

Bij dit besluit is het bezwaar van appellante gericht tegen de tariefbeschikking van verweerder van 10 december 2001, no. 5000-1000-02-1 - verzonden 11 december 2001 - betreffende tarieven voor huisartsenhulp door huisartsen aan ziekenfondsverzekerden, niet-ontvankelijk verklaard.

Op 16 juli 2002 heeft appellante de gronden van het beroep ingediend.

Verweerder heeft op 9 september 2002 een verweerschrift ingediend.

Op 9 januari 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Bij die gelegenheid hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader toegelicht. Voor appellante is tevens het woord gevoerd door mr. N. van 't Grunewold en J. Becker Hoff, beiden verbonden aan de organisatie van appellante.

2. De vaststaande feiten en de grondslag van het geschil

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op verzoek van appellante heeft verweerder op 19 november 2001 de Beleidsregel V-5000-4.1.1.-15, "tariefopbouw van de maximumabonnementstarieven voor hulp door huisartsen in de ziekenfondspraktijk" opnieuw vastgesteld.

- Verweerder heeft deze gewijzigde beleidslijn in zijn brief van 21 november 2001 aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), als volgt toegelicht.

" 1. Algemeen

1.1 Het CTG heeft besloten tot een verduidelijking in de beleidsregel over de rechtsgeldige tarieven voor die ziekenfondsverzekerden die wel vast bij die huisarts komen (die dus wel bij die huisarts staan ingeschreven), maar waarvoor de huisarts geen overeenkomst met de zorgverzekeraar van die ziekenfondsverzekerde heeft (omdat daar in de praktijk onduidelijkheid over bestaat).

Ook in die situaties gelden, zo heeft het CTG nogmaals uitgesproken de abonnementstarieven. Het gaat hier immers om ziekenfondsverzekerden die regelmatig naar die huisarts gaan en daar dus ook zijn ingeschreven. Verder wordt nog maar eens opgemerkt dat ten algemene WTG-tarieven onafhankelijk zijn van een overeenkomst tussen partijen tenzij dat expliciet in de tariefbeschikking bijvoorbeeld bij tariefmodules of extra wachtlijstgelden, staat vermeld.

1.2 Gelet op de gedragingen in de praktijk heeft het CTG besloten tot de navolgende verduidelijking in de tekst van de beleidsregel:

Het abonnementstarief geldt ook voor ziekenfondsverzekerden die de huisarts regelmatig bezoeken en als zodanig bij die huisarts op naam zijn ingeschreven, zonder dat daaraan een overeenkomst met de zorgverzekeraar van die

ziekenfondsverzekerde ten grondslag ligt."

- De Minister van VWS heeft de gewijzigde beleidsregel bij brief van 4 december 2001 goedgekeurd

- Mede op verzoek van appellante heeft verweerder vervolgens op 10 december 2001 bij beschikking no. 5000-1000-02-1, de tarieven voor huisartsenhulp aan ziekenfondsverzekerden vastgesteld. In de bijlage bij deze beschikking is de passage uit de beleidslijn opgenomen omtrent - kort gezegd - de gelding van het abonnementstarief voor ziekenfondsverzekerden die niet zijn aangesloten bij het ziekenfonds waaraan de huisarts zich contractueel gebonden heeft.

- Op 18 december 2001 heeft verweerder per fax een herziene bijlage aan appellante gestuurd. Op het voorblad van deze fax staan de woorden: "Sorry voor het ongemak". In deze herziene bijlage is - onder meer - opgenomen dat de onder E opgenomen tarieven gelden voor incidentele hulpverlening aan niet op naam van de huisarts ingeschreven ziekenfondsverzekerden.

- Appellante heeft bij brief van 24 januari 2002 bezwaar gemaakt tegen voormelde tariefbeschikking en de herziene bijlage.

- Verweerder heeft appellante vervolgens op 26 maart 2002 bericht dat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn is ingediend en haar in de gelegenheid gesteld binnen twee weken aan te geven welke omstandigheden tot de termijnoverschrijding geleid hebben.

- Bij brief van 8 april 2002 heeft appellante als volgt gereageerd.

" Anders dan u beweert is het bezwaarschrift niet te laat ingediend. Immers is de tariefbeschikking van 10 december 2001 inhoudelijk gewijzigd op 18 december 2001, althans is op die datum de herziene inhoud van de tariefbeschikking aan cliënt verzonden. Op dat moment was er sprake van bekendmaking van de

inhoud van de tariefbeschikking zoals bedoeld in art. 6:8 Awb en begon de termijn van 6 weken te lopen. Binnen die termijn is het bewaarschrift ingediend, zodat van overschrijding van de termijn geen sprake is geweest. Het zou immers niet redelijk zijn indien de termijn voor het indienen van het bezwaar al gaat lopen terwijl de inhoud van de beschikking nog niet bekend is.

Subsidiair stelt cliënte zich op het standpunt dat indien de bezwaartermijn al door haar overschreden is, deze overschrijding verschoonbaar is. Immers valt het cliënte in redelijkheid niet te verwijten dat zij door de brief van 18 december 2001, welke vergezeld ging van een faxbericht met daarop de woorden "Sorry voor het ongemak" (zie bijlage), van mening is geweest dat op die dag aan haar een nieuwe tariefbeschikking werd verzonden. Het CTG heeft ook niets gedaan om die verwarring, die op zich begrijpelijk is, te voorkomen, bijvoorbeeld door te melden dat de bezwaartermijn berekend zou worden vanaf de datum van de eerste tariefbeschikking. Cliënte is dan ook van mening dat de vermeende overschrijding van de termijn haar niet verweten kan worden.

Samengevat is cliënte van mening dat het bezwaarschrift op tijd is ingediend, althans dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is."

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft hij - voor zover van belang - als volgt overwogen.

" Ten aanzien van de stelling dat op 17 dan wel 18 december 2001 een nieuwe bezwaartermijn zou zijn ontstaan, merkt het CTG het volgende op. Vast staat dat op 18 december 2001 geen herziene tariefbeschikking is afgegeven. Zowel in de brief van 18 december 2001 als in de bijbehorende bijlage is aangegeven dat het gaat om een herziene bijlage bij de tariefbeschikking met kenmerk 5000-1000-02-1 van 10 december 2001. De bestreden tariefbeschikking is derhalve op 10 december 2001 op de juiste wijze bekendgemaakt, waarna de bezwaartermijn begon te lopen. Van belang is verder dat de herziening van de bijlage geen betrekking had op het onderdeel van de tariefbeschikking waartegen het bezwaar zich richt. Voor de beoordeling of er door de LHV al dan niet bezwaar moest worden aangetekend tegen de tariefbeschikking van 10 december 2001 was de herziene bijlage niet relevant. Het is het CTG dan ook niet duidelijk waarom de LHV vindt dat door de herziening van de bijlage de bezwaartermijn opnieuw is gaan lopen. Door het CTG is op geen enkele manier de verwachting gewekt dat op 18 december 2001 een nieuwe bezwaartermijn zou gaan lopen. Noch in de begeleidende brief noch in de herziene bijlage is een bezwaarclausule opgenomen. De door u genoemde omstandigheden maken de termijnoverschrijding derhalve niet verschoonbaar. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat u redelijkerwijs niet in verzuim bent geweest.

Verder is uw bezwaar gericht tegen de verduidelijking in de tariefbeschikking dat het abonnementstarief ook geldt voor die ziekenfondsverzekerden die de huisarts regelmatig bezoeken en als zodanig ook bij die huisarts op naam zijn ingeschreven, zonder dat daar een overeenkomst met de zorgverzekeraar van die ziekenfondsverzekerden aan ten grondslag ligt. Het CTG merkt hierover op dat deze passage niet op rechtsgevolg is gericht. De betreffende passage is alleen ter verduidelijking expliciet in de beleidsregel en de tariefbeschikking opgenomen, om een einde te maken aan de in de praktijk bestaande onduidelijkheid. Nu de passage niet op rechtsgevolg is gericht, is er geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Het bezwaar dient derhalve ook in dit opzicht niet-ontvankelijk te worden verklaard."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft - voor zover van belang - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Primair stelt zij zich op het standpunt dat voor het vaststellen van de aanvang van de bezwaartermijn moet worden uitgegaan van 18 december 2001, aangezien de kern van de tariefbeschikking pas bekend gemaakt is op 18 december 2001. De aanvullende passage in de bijlage bij de tariefbeschikking van 18 december 2001 heeft wel degelijk betrekking op de door haar in het verweerschrift gewraakte passage. Het zou dan ook onjuist zijn om voor het bepalen van de aanvang van de bezwaartermijn uit te gaan van de tariefbeschikking zelf. Subsidiair stelt appellante zich op het standpunt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Verwarring is ontstaan doordat binnen een tijdsbestek van een week twee inhoudelijk van belang zijnde bijlagen bij de tariefbeschikking zijn verstuurd, waarbij duidelijk werd gemaakt dat de eerste bijlage diende te worden vervangen en als niet verzonden diende te worden beschouwd. Aan het ontstaan van deze verwarring heeft appellante part noch deel gehad. Dat verweerder de herziene bijlage niet voorzien heeft van een bezwaarclausule zegt op zichzelf niets. Het kan zijn dat verweerder op dit punt nalatig is geweest.

5. De beoordeling van het geschil

Verweerders tariefbeschikking van 10 december 2001 en de daarbijbehorende bijlage vormen samen de tariefbeschikking no. 5000-1000-02-1. In deze beschikking is geen afzonderlijk tarief opgenomen voor huisartsenhulp aan ziekenfondsverzekerden, die niet zijn aangesloten bij het ziekenfonds waaraan de huisarts zich contractueel gebonden heeft. Niettemin kon uit deze beschikking van meet af aan ondubbelzinnig worden opgemaakt dat voor huisartsenhulp aan de genoemde groep maximaal het abonnementstarief in rekening mag worden gebracht. De bijlage, waarin de door appellante in bezwaar bestreden passage is opgenomen, laat daarover geen twijfel bestaan. Bovendien wordt de betreffende passage toegelicht in de brief d.d. 11 december 2001, tarief beschikking ter kennis van appellante is gebracht.

De in de herziene bijlage van 18 december 2001 opgenomen passage is een aanvulling betreffende het zogenoemde "passantentarief". Passanten behoren niet tot de categorie patiënten waarop de in het bezwaarschrift gewraakte passage ziet. De aanvulling mag, aldus verweerders gemachtigde ter zitting, mede strekken tot het uitsluiten van ieder verder misverstand, maar dat neemt niet weg dat het bezwaar zich onmiskenbaar richt tegen de passage in de oorspronkelijke bijlage bij het besluit van 10 december 2001 over de toepasselijkheid van het abonnementstarief voor regelmatige bezoekers van de huisartsen, die niet hebben gecontracteerd met het ziekenfonds van deze patiënten.

Het College deelt deze opvatting van verweerder. Niet kan worden staande gehouden dat pas bij de herziening van de bijlage duidelijkheid is gegeven over de strekking van de bestreden tariefbeschikking op het door appellante in bezwaar bestreden punt, noch dat dit aspect door herziening van de bijlage wijziging heeft ondergaan. Nu voorts gesteld noch gebleken is dat de bekendmaking van deze beschikking niet overeenkomstig de in artikel 3:41 Awb gestelde eisen heeft plaatsgevonden, is de bezwaartermijn ingevolge artikel 6:8 Awb, de dag na de verzending - dus op 12 december 2001 - aangevangen en was

22 januari 2002 de laatste dag waarop nog tijdig bezwaar kon worden gemaakt. Het bezwaar is dus te laat ingediend.

De vraag of de vastgestelde termijnoverschrijding niet aan appellante kan worden tegengeworpen dient ontkennend te worden beantwoord. Niet valt in te zien dat het begeleidend faxbericht bij de herziene bijlage enig misverstand heeft kunnen wekken over de datum waarop de termijn voor het indienen van bezwaar tegen de tariefbeschikking van 10 december 2001 is gaan lopen. Gelet hierop, en ook overigens, bestaat geen aanleiding tot toepassing van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht.

De slotsom is dat verweerder appellante terecht niet-ontvankelijk geeft verklaard in haar bezwaar. Reeds in verband hiermee moet het beroep ongegrond worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. M.A. Fierstra en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2003.

w.g. H.C. Cusell w.g. A. Bruining