Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF4116

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-01-2003
Datum publicatie
07-02-2003
Zaaknummer
AWB 00/478
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/478 24 januari 2003

7200 Restitutie

Uitspraak in de zaak van:

1. Euro Agri Group B.V.,

2. Jongviand Export B.V.,

3. Mc Gusto B.V.,

4. Meating Neede B.V.,

5. E.A.G. Beheer B.V.,

6. Goods & Seasons B.V.,

allen statutair gevestigd te Neede,

7. Salviand B.V., statutair gevestigd te Eibergen,

8. Theold Management en Beheer B.V.,

9. Nedviand B.V.,

beiden statutair gevestigd te Epe,

10. Jongviand B.V., statutair gevestigd te Eibergen, waarvoor optreedt A als "rechtenverkrijger" van Jongviand B.V., te Neede, bijgestaan door K.H. Meenhorst en mr. A.P. Eeltink, beiden werkzaam bij Ernst & Young, te Rotterdam, en mr. C.M. Delissen-Buijnsters, advocaat te Arnhem,

appellanten,

gemachtigde voor appellanten 1 tot en met 9: A, directeur van Theold Management & Beheer B.V., te Neede, bijgestaan door K.H. Meenhorst en mr. A.P. Eeltink, beiden werkzaam bij Ernst & Young, te Rotterdam, en mr. C.M. Delissen-Buijnsters, advocaat te Arnhem,

tegen

het Productschap Vee en Vlees, te Rijswijk, verweerder,

gemachtigden: mr. M.R. Bierling en J.G. van der Blij, beiden werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 5 juni 2000 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen besluiten van verweerder van 25 april 2000. Bij deze besluiten is een beslissing genomen op de bezwaren van appellanten sub 1 tot en met 9, alsmede op het bezwaar van Jongviand B.V., tegen terugvordering van restitutie.

Verweerder heeft onder overlegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken onder dagtekening 14 december 2000 een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben bij brief van 5 februari 2001 gerepliceerd, waarna verweerder bij memorie d.d. 23 mei 2001 heeft gedupliceerd. Appellanten hebben hierop gereageerd bij brief van 13 september 2002.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2002. Bij deze gelegenheid hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De artikelen 17, 18 en 47 van Verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten (Pb. 1987, L351) luiden, voorzover hier van belang, als volgt:

"Artikel 17

1. Het produkt moet binnen twaalf maanden na de datum waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, in het derde land of in een van de derde landen waarvoor de restitutie is vastgesteld, in ongewijzigde staat zijn ingevoerd. Onder de in artikel 47 vastgestelde voorwaarden kunnen evenwel bijkomende termijnen worden toegekend.

(…)

3. Het produkt wordt als ingevoerd beschouwd wanneer de douane-formaliteiten voor invoer tot verbruik in het derde land zijn vervuld.

Artikel 18

1. Het bewijs dat de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik zijn vervuld, wordt geleverd door overlegging van een van de volgende documenten (…)"

Artikel 47

1. De restitutie wordt slechts op schriftelijk verzoek van de exporteur betaald door de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld. De Lid-Staten kunnen daartoe een specifiek formulier invoeren.

2. Het dossier voor de betaling van de restitutie of het vrijgeven van de zekerheid moet, behalve in geval van overmacht, worden ingediend binnen twaalf maanden na de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard.

(…)

4. Wanneer de op grond van artikel 18 vereiste documenten niet binnen de in lid 2 voorgeschreven termijn kunnen worden overgelegd, kunnen de exporteur, wanneer hij zich de nodige moeite heeft gegeven om de documenten binnen die termijn te verkrijgen en mede te delen, bijkomende termijnen worden toegestaan om deze documenten over te leggen.

5. Het in (…) lid 4 bedoelde verzoek om bijkomende termijnen, moet[en] binnen de in lid 2 bedoelde termijn worden ingediend.

(…)"

De artikelen 52, 54 en 55 van Verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (Pb. 1999, L102) luiden, voorzover hier van belang, als volgt:

"Artikel 52

(…)

4. De in lid 1 bedoelde verplichting tot terugbetaling is niet van toepassing:

a) indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde autoriteiten zelf van de lidstaten of van een andere betrokken autoriteit, en indien de begunstigde de fout redelijkerwijs niet kon ontdekken en hij zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld, of

b) indien tussen de dag waarop het definitieve besluit tot toekenning van de restitutie ter kennis van de begunstigde is gebracht, en de dag waarop een nationale of communautaire autoriteit de begunstigde voor het eerst heeft ingelicht over het feit dat de betrokken betaling niet verschuldigd was, meer dan vier jaar is verstreken. Deze bepaling is alleen van toepassing indien de begunstigde te goeder trouw heeft gehandeld.

(…)

Artikel 54

1. Verordening (EEG) nr. 3665/87 wordt ingetrokken.

Zij blijft evenwel van toepassing

- op de uitvoer waarvoor de aangifte ten uitvoer vóór het van toepassing worden van deze verordening is aanvaard,

en

- in geval van toepassing van Verordening (EEG) nr. 565/80, op de uitvoer waarvoor de betalingsaangifte vóór het van toepassing worden van de onderhavige verordening is aanvaard.

(…)

Artikel 55

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 1999."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 1 april 1994 is in opdracht van de "Jongviandgroep" (bestaande uit Jongviand B.V. en appellanten sub 1 tot en met 9) vanuit IJmuiden een partij bevroren rundvlees zonder been van 1.743.660 kg verscheept met het m.s. Pacific Rose. Als land van bestemming van deze partij was in eerste instantie Irak, en later Jordanië opgegeven.

- De Jongviandgroep heeft voor het door haar uitgevoerde vlees op grond van Vo. 3665/87 bij vooruitbetaling restitutie ontvangen onder het stellen van zekerheden. Deze zekerheden zijn vrijgegeven nadat verweerder van de zijde van de Jongviandgroep als bewijs van invoer ten verbruike in Jordanië een zogeheten "arrival certificate", gedateerd 8 juni 1994, had ontvangen, afkomstig van Internationale Controle Maatschappij (ICM), behorende tot Societé Generale de Surveillance (SGS) (hierna: SGS-verklaring). Hierop is als "place and date of the declaration for home consumption" vermeld "Aqaba - 23.04.94". Voorts is op dit certificaat opgemerkt:

"We herewith confirm that the goods specified above have been declared for home consumption."

- Jongviand B.V. heeft verweerder bij brief van 20 september 1994 doen toekomen een zogeheten "Transit Declaration Free Zone" (doorvoerbewijs), betreffende de doorvoer naar Irak van een partij rundvlees met been. Deze partij rundvlees is op dezelfde reis van het m.s. Pacific Rose verscheept als de partij rundvlees zonder been van 1.743.660 kg. Laatstbedoelde partij is ook op het doorvoerbewijs vermeld.

- Na, desverzocht, inlichtingen te hebben ontvangen van de Nederlandse Ambassade te Caïro (door tussenkomst van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) omtrent de (plaats van) invoer van eerder vermelde partij rundvlees zonder been, heeft verweerder in augustus 1995 de door de Jongviandgroep gestelde zekerheden/bankgaranties geblokkeerd. Hieromtrent heeft verweerder Jongviand B.V. op 31 augustus 1995 als volgt geïnformeerd:

"Zoals ook reeds telefonisch gemeld bevestig ik voor de goede orde nog dat thans geen garanties kunnen worden geretourneerd.

Zoals u bekend, bestaat er onduidelijkheid omtrent de status van de bank-garanties (wel/niet paraplu-dekking). De bank neemt binnenkort met ons contact op om daarover van gedachten te wisselen.

Afgezien daarvan loopt er momenteel een onderzoek bij de AID inzake een "dossier Jordanië". Niet ondenkbaar is dat daaruit terugvorderingen kunnen voortvloeien. Aangezien daarover nog geen helderheid bestaat dient dit eerst te worden afgewacht."

- Op 12 mei 1997 heeft de Jongviandgroep verweerder verzocht de door hen gestelde zekerheden/bankgaranties vrij te geven.

- Verweerder heeft bij brief van 23 mei 1997, gericht aan Jongviand B.V., als volgt op dit verzoek gereageerd:

"dossier SGS - Jordanië

De brief van 12 mei jongstleden van B & C zal ik nadrukkelijk onder de aandacht brengen van het ministerie van LNV, in aansluiting op de brief die ik zoals u bekend is in een eerdere fase naar LNV heb gestuurd. Wederom zal ik aandringen op zo spoedig mogelijke duidelijkheid over het tijdstip van de UCLAF-missie en een snelle rapportage daarover.

Een verdere stap als de gevraagde vrijgave van garanties is, gezien de op dit moment beschikbare informatie, voor de productschappen niet mogelijk."

- De tot de Jongviandgroep behorende vennootschappen, met uitzondering van Jongviand B.V. en Nedviand B.V., hebben bij brief van 24 september 1997 een bezwaarschrift ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op het door hen op 12 mei 1997 ingediende verzoek. Tevens hebben zij zich bij brief van gelijke datum tot de president van het College gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen.

- Bij uitspraak van 1 december 1997 heeft de president van het College, overwegende onder meer dat het hem, gezien het tijdsverloop, niet geraden voorkomt het door de Europese Commissie geëntameerde onderzoek af te wachten, bij wege van voorlopige voorziening bepaald "dat verweerder uiterlijk op 19 december 1997 een beslissing neemt over de vraag óf en zo ja, onder welke voorwaarden, ter zake van de in geding zijnde uitvoer, tot intrekking en terugvordering van de verleende restitutie wordt overgegaan".

- Bij tien afzonderlijke besluiten van 19 december 1997 heeft verweerder de tot de Jongviandgroep behorende vennootschappen medegedeeld dat hij zich naar aanleiding van de uitspraak van de president van het College van 1 december 1997 genoodzaakt ziet om, ingevolge de artikelen 9 en 11 van de In- en Uitvoerwet juncto de artikelen 82 en 118 van de In- en Uitvoerbeschikking Landbouwgoederen 1981, de uitbetaalde restitutiebedragen terug te vorderen, en dat deze bedragen ingevolge artikel 33 van Verordening (EEG) 3665/87 dienen te worden verhoogd met 20%. Hiertoe is, voorzover hier van belang, het volgende overwogen:

"(…)

Van de Nederlandse Ambassade ontving het Produktschap het bericht dat de betrokken hoeveelheid van 71.232 cartons niet, zoals vermeld in de lossingsverklaring van S.G.S. Nederland d.d. 23 april 1994 ten verbruike in Jordanië werd ingevoerd, maar in transit naar Irak werd vervoerd.

De zending is door de autoriteiten van Irak in verband met de houdbaarheidsdatum echter geweigerd en teruggezonden naar Jordanië, alwaar de goederen in april 1995 wederom in transit werden opgeslagen. De autoriteiten van Jordanië hebben eveneens verboden om de goederen in Jordanië in te voeren. Teneinde vernietiging van de goederen te voorkomen, dienden deze op korte termijn opnieuw te worden uitgevoerd.

Naar aanleiding hiervan dien ik te concluderen dat de verklaring van S.G.S. niet juist kan zijn.

Tot op heden zijn er geen bewijsdocumenten bij de Productschappen ontvangen waaruit blijkt in welk derde land de betreffende goederen uiteindelijk ten verbruike zijn ingevoerd, zodat de juiste benodigde bewijsdocumenten bij ons ontbreken."

- Tegen deze besluiten hebben de tot de Jongviandgroep behorende vennootschappen bij brieven van 5 januari 1998 bezwaarschriften ingediend.

- Bij brief van 20 februari 1998 heeft verweerder A het volgende medegedeeld:

"(…)

Ik verleen u een extra termijn, vooralsnog voor onbepaalde tijd, voor het indienen van bewijs voor invoer ten verbruike van het met de Pacific Rose uitgevoerde rundvlees.

Deze extra termijn geldt dus voor de formulieren LF, zoals die door u zijn gespecificeerd als zijnde betrekking hebbende op de hier bedoelde export van rundvlees met de Pacific Rose.

(…)"

- Op 9 maart 1998 en 1 mei 1998 is van de zijde van Jongviandgroep een aantal bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat de betrokken partij rundvlees zonder been deels in Irak en deels in Abu Dhabi in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) ten verbruike is ingevoerd.

- Een koopovereenkomst/akte van cessie, gesloten tussen D, q.q. in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Jongviand B.V., als cedent, en A, als cessionairis, houdt onder meer het volgende in:

" overwegende:

- dat cedent vorderingen pretendeert te hebben op het Produktschap voor Vee en Vlees (PVV) te Rijswijk en/of de Staat der Nederlanden (ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij te Den Haag) en op SGS Internationale Controle Maatschappij (ICM) BV te Spijkenisse, welke vorderingen door PVV/de Staat der Nederlanden en SGS worden bestreden;

- dat de vorderingen tegen PVV/de Staat der Nederlanden in ieder geval betreffen de zaken "Diamond Reefer/Pearl Reefer", "Pacific Rose/Jordanië" en "monstername Weyl";

- dat de vordering op SGS betreft de controles door SGS verricht met betrekking tot de aankomstverklaring voor een partij vlees verscheept per m.s. Pacific Rose, IJmuiden-Aqaba, B/L 01.04.94, 71.232 cartons, aankomstcertificaat van 08.06.94;

- dat cedent zijn vorderingen wenst te verkopen en over te dragen aan cessionaris;

zijn overeengekomen en verklaren als volgt:

1. Cedent verkoopt en draagt hierbij in eigendom over aan cessionaris, die van cedent koopt en in eigendom aanneemt, de in de considerans bedoelde vorderingen van cedent op PVV en/of de Staat der Nederlanden en SGS.

2. De koopsom van de vorderingen bedraagt ƒ 1,00, welk bedrag de verkoper verklaart te hebben ontvangen en koper daarvoor kwijting te verlenen."

- Op 10 augustus 1998 heeft de controledienst van de Europese Commissie (Uclaf) rapport uitgebracht, betreffende een in 1998 in Jordanië verricht onderzoek naar de invoer ten verbruike van rundvlees afkomstig uit de Europese Unie. Op 3 augustus 1999 heeft de AID rapport uitgebracht, betreffende een onderzoek naar de export van rundvlees met het m.s. Pacific Rose.

- Op 23 juni 1999 is met betrekking tot de bezwaren van de tot de Jongviandgroep behorende vennootschappen een hoorzitting gehouden.

- Omtrent de afhandeling van deze bezwaren heeft de adjunct algemeen secretaris van verweerder het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij faxbericht van 5 november 1999 onder meer het volgende medegedeeld:

"(…)

Achteraf terugkijkend kom ik tot het volgende beeld:

De PVE hadden een verdenking van onregelmatigheden tegen Jongviand.

Deze verdenking blijkt op basis van het AID-rapport achteraf gezien onterecht. De bestemmingswijziging van de goederen was hem niet bekend, en dus ook niet het te late tijdstip van invoer in de VAE.

Het materiële voordeel was nihil.

Op grond van de verdenking hebben de PVE contact gezocht met Landbouwraad en AID, maar niet met Jongviand.

Als de PVE op het moment van de ontvangst (= juli 1994) van het tweede bewijsdocument de tegenstrijdigheid aan Jongviand zouden hebben voorgelegd, zou Jongviand alsnog ervoor hebben kunnen zorgen dat de goederen binnen de gestelde termijn van 12 maanden (= 2 april 1995) in Irak en/of VAE ingevoerd zouden worden. Als het nodig zou zijn geweest, zou Jongviand dan ten minste de mogelijkheid hebben gehad een extra termijn van invoer te vragen. Het criterium hiervoor is tenslotte slechts dat de belanghebbende voldoende moeite moet hebben gedaan.

De hoeveelheid die in Irak is ingevoerd is zonder meer acceptabel, omdat dit deel van het dossier volledig in overeenstemming is met de bijkomende voorwaarden zoals die in het algemene UCLAF-rapport staan en met de nationaal gemaakte afspraken.

Ik kom aldus tot het volgende voorstel tot afhandeling:

Jongviand mag achteraf gezien niet opdraaien voor de consequenties van de onjuist gebleken verdenking van onregelmatigheden.

Gezien de CBB- en bezwaarprocedure moeten wij thans een besluit nemen over dit dossier.

De PVE verlenen alsnog een extra termijn voor invoer (zoals bedoeld in artikel 17 lid 1 van Verordening (EEG) 3665/87) in de VAE van de desbetreffende deelhoeveelheid.

Daarmee voldoet het dossier dan aan alle gestelde eisen."

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen

3. De bestreden besluiten

Bij de bestreden besluiten is, voorzover hier van belang, als volgt overwogen en beslist:

"(…)

Uw stelling dat het vertrouwensbeginsel met zich mee brengt dat aan een verklaring van een erkende controlemaatschappij een bijzondere betekenis toekomt in die zin dat daarop niet ten nadele van degene die de betrokken maatschappij heeft ingeschakeld kan worden teruggekomen vindt noch steun in de betrokken regelgeving noch in de rechtspraak. Een verklaring van een erkende controlemaatschappij is, blijkens artikel 18, eerste lid, sub b, van Verordening (EEG) Nr. 3665/87, als bewijsmiddel een alternatief voor de van overheidsdiensten afkomstige c.q. door hen gewaarmerkte documenten. Daaraan wordt geen bijzondere, boven die documenten uitgaande, betekenis toegekend. Volgens vaste rechtspraak (zie o.m. HvJEG C-27/92 Möllmann-Fleisch GMbh) kunnen al bij gerede twijfel aan de juistheid van deze documenten nadere/ andere bewijzen worden verlangd. Van een gehoudenheid tot aanvaarding van deze verklaringen/documenten, in weerwil van de vastgestelde onjuistheid er van, kan dan al zeker geen sprake zijn.

Vaste jurisprudentie is voorts dat de exporteur verantwoordelijk is voor de handelingen van degenen die hij inschakelt of met wie hij zaken doet. Dat geldt zowel voor de inschakeling van de niet-officiële instanties voor het verkrijgen van het benodigde bewijs als voor de keuze van zijn afnemers. (…)

Het is het productschap duidelijk dat door SGS bij het afgeven van de betrokken verklaring een fout is gemaakt. Dat neemt evenwel niet weg dat dat niet de fout is die tot terugvordering heeft geleid, doch dat dat die is van de afnemer waarbij, in strijd met de daarvoor geldende voorschriften, goederen niet zijn ingevoerd ten verbruike in het land waarvoor dat bij de restitutieaanvrage is opgegeven. Het is het productschap niet duidelijk waarom deze fout van SGS dan ook tevens een fout van de lid-staat Nederland cq het productschap zou zijn.

(…) Naar het oordeel van het productschap is er niet sprake van een zodanig verloop van tijd dat, zo al van toepassing, verjaring aan de orde zou (kunnen) zijn.

Uw veronderstelling dat nog geen beslissing tot intrekking zou zijn genomen is niet juist. De intrekking ligt besloten in de verwijzing naar artikel 9 van de In- en Uitvoerwet (vgl. CBB 96/0575/011/006 Jongviand BV/PVV).

Uw stelling dat het productschap u tijdig op de hoogte had dienen te stellen van de problemen rond de geleverde bewijzen en dat het nalaten daarvan een fout zou betreffen die in de zin van de door u aangehaalde rechtspraak van zowel HvJ EG als CBB zou dienen te leiden tot afwijzing van de terugvordering vindt geen steun in de jurisprudentie. Het productschap verwijst hiervoor naar het arrest van het HvJ EG in de zaak C-61 /98 De Haan Beheer BV. Voorts wijst het productschap er op dat de informatie op grond waarvan het onderzoek door de landbouwraad is gestart vermeld was in het hierboven genoemde document afkomstig van Jongviand BV.

Zoals hierboven aangegeven is uw probleem niet uniek. Uit het door UCLAF ingestelde onderzoek is gebleken dat voor aanzienlijk meer leveranties (zowel uit Nederland als uit andere Lid-Staten) geldt dat, niettegenstaande de daarvoor geleverde bewijzen, zij niet ten verbruike in Jordanië zijn ingevoerd. Dat heeft er toe geleid dat er een aangepast bewijsregime is vastgesteld waarbij in Nederland aan alle betrokkenen de mogelijkheid is geboden om alsnog bewijs van invoer binnen de daarvoor ingevolge artikel 17, eerste lid, gestelde termijn van 12 maanden ten verbruike in een ander derde land te leveren, met dien verstande dat indien het Irak betreft tevens de daarvoor noodzakelijke "VN-ontheffingen" dienen te worden overgelegd. Indien en voorzover deze bewijzen geleverd en akkoord bevonden worden zal niet tot terugvordering worden overgegaan.

Aan u is, ingevolge uw daartoe strekkend verzoek in het bezwaarschrift reeds eerder de mogelijkheid geboden om dat bewijs te leveren. De betrokken bewijzen heeft u ons toegezonden bij brieven van 9 maart 1998 en 1 mei 1998. Op grond van dit bewijsmateriaal heeft het productschap vastgesteld dat de gehele zending uiteindelijk in enig derde land ten verbruike is ingevoerd: 70,425 % naar Irak, waarvoor u tevens de benodigde "VN- ontheffingen" heeft overgelegd, en 29,575 % naar de VAE. Wat de laatst genoemde bestemming betreft heeft het productschap evenwel vastgesteld dat de invoer aldaar buiten de termijn van twaalf maanden heeft plaats gevonden. Gezien de hardheid van deze termijn en de omstandigheid dat een afwijking ervan ook niet aan anderen is geboden kan daarvan niet worden afgeweken.

(…)

Het productschap verklaart uw bezwaar op grond van vorenstaande gegrond voorzover het aan u toe te rekenen deel van de goederen betreft die blijkens het door u geleverde bewijsmateriaal binnen de termijn van twaalf maanden zijn ingevoerd in Irak en ongegrond voorzover het aan u toe te rekenen deel van de goederen betreft die blijkens het door u geleverde materiaal buiten de termijn van twaalf maanden zijn ingevoerd in de VAE.

Het productschap wijzigt zijn beslissing van 17 december 1997 dan ook als volgt.

Ingevolge de artikelen 9 en 11 In- en Uitvoerwet juncto de artikelen 82 en 118 van de In- en Uitvoerbeschikking Landbouwgoederen 1981 trekt het productschap de aan u verleende restitutie, voorzover betreffend het aan u toe te rekenen aandeel in dat deel van de betrokken zending met de Pacific Rose dat uiteindelijk in de VAE is ingevoerd in en vordert het er mee gemoeide bedrag (…) terug. Ingevolge artikel 33 van Verordening (EEG) nr. 3665/87 dient dat bedrag verhoogd te worden met 20%, (…).

(…)"

Ter zitting heeft verweerder het College verzocht appellant A in het beroep van Jongviand B.V. niet-ontvankelijk te verklaren. Aan dit verzoek heeft verweerder het volgende ten grondslag gelegd.

De curator in het faillissement van Jongviand B.V. heeft door middel van een akte van cessie d.d. 25 februari 1998 een vermeende vordering tegen verweerder overgedragen aan A. Aangezien er op dat moment geen daadwerkelijke vorderingen op verweerder waren, betreft dit een cessie bij voorbaat. Het faillissement van Jongviand B.V. is reeds op 17 september 1998 bij gebrek aan baten opgeheven, zodat Jongviand B.V. vanaf deze datum niet meer beschikkingsbevoegd is en dit evenmin meer kan worden. De vermeende vordering op verweerder is derhalve niet rechtsgeldig overgegaan op A. Dit betekent dat A in de beroepsprocedure van Jongviand B.V. slechts een afgeleid belang heeft.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter ondersteuning van het beroep, samengevat weergegeven, het volgende tegen de bestreden besluiten aangevoerd.

4.1 Verweerder wist reeds in juli 1994, dan wel september 1994 dat de in juni 1994 ingezonden SGS-verklaring mogelijk niet klopte. Indien verweerder appellanten hierover direct had geïnformeerd, zouden zij ruimschoots de tijd hebben gehad stappen te ondernemen om de onderhavige partij rundvlees alsnog binnen de termijn van 12 maanden in een derde land te laten invoeren, dan wel tijdig verlenging van deze termijn te vragen. Door appellanten eerst in een laat stadium, te weten op 6 september 1995, te informeren over de gerezen verdenkingen, heeft verweerder hen deze mogelijkheid onthouden, met alle voor appellanten nadelige gevolgen van dien. Hiermee heeft verweerder het in artikel 3:4, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel geschonden.

Het niet tijdig waarschuwen van appellanten dat er mogelijk iets mis was met de in juni ingezonden SGS-verklaring is in strijd met de destijds tussen verweerder en de Jongviandgroep gemaakte afspraak, dat verweerder appellanten onmiddellijk op de hoogte zou stellen van eventuele onregelmatigheden, zodat zij tijdig actie konden ondernemen. Dit is bovendien in strijd met jurisprudentie van het Hof van Justitie, waarvan in het bijzonder het arrest van 31 maart 1993 inzake Möllman-Fleisch GmbH, zaak C-27/92. Door bewijzen waarover twijfel bestond te aanvaarden en appellanten niet van mogelijke problemen op de hoogte te brengen, heeft verweerder in het onderhavige geval het billijkheidsbeginsel geschonden, zoals dit beginsel is verwoord in het arrest van het Hof van Justitie in de zaak De Haan Beheer BV, zaak C-61/98.

Tussen verweerder en appellanten gold niet alleen de "waarschuwingsafspraak", maar ook de afspraak dat in het Arabisch gestelde invoerdocumenten met betrekking tot omvangrijke partijen vlees, ter bespoediging van de afwikkeling van de betreffende dossiers, door appellanten in vertaalde vorm werden aangeleverd en dat in het Arabisch gestelde invoerdocumenten die betrekking hadden op kleine partijen vlees in onvertaalde vorm werden aangeleverd. Afgesproken was dat verweerder laatstbedoelde documenten voor eigen rekening vertaalde en dat appellanten van deze vertalingen geen afschriften kregen. Conform deze afspraak is het door appellanten in september 1994 ingezonden, in het Arabisch gestelde transitdocument, dat betrekking had op een kleine partij rundvlees met been, onvertaald aangeleverd en hebben appellanten geen afschrift van de vertaling hiervan toegezonden gekregen. Op basis van het door hen ingezonden transitdocument konden appellanten derhalve niet weten dat er mogelijk iets mis was met de in juni 1994 ingezonden SGS-verklaring.

Het niet tijdig waarschuwen van appellanten omtrent mogelijke problemen ter zake van de in juni 1994 ingezonden SGS-verklaring moet worden gezien als een fout van verweerder. Door niettemin tot terugvordering over te gaan, is verweerder voorbijgegaan aan artikel 52, vierde lid, onder a, van Verordening (EG) nr. 800/1999, waarbij is bepaald dat de verplichting tot terugbetaling niet van toepassing is, indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde autoriteiten zelf van de lidstaten of van een andere betrokken autoriteit, en indien de begunstigde de fout redelijkerwijs niet kon ontdekken en hij zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld.

4.2 Verweerder heeft destijds bij appellanten het vertrouwen gewekt dat ICM/SGS als controlemaatschappij was erkend en heeft appellanten zelfs geadviseerd om met deze maatschappij in zee te gaan. Appellanten mochten er dan ook op vertrouwen dat de door ICM/SGS geproduceerde bewijzen aan alle wettelijke voorwaarden voldeden. Hoewel, naar nu blijkt, de SGS-verklaring niet voldeed aan de wettelijke voorwaarden, heeft verweerder bij appellanten het rechtens te beschermen vertrouwen gewekt dat terecht tot restitutiebetaling is overgegaan. Door achteraf het aangeleverde (invoer)bewijs alsnog te verwerpen en tot terugvordering van restitutiebedragen over te gaan, heeft verweerder het vertrouwensbeginsel geschonden, alsmede artikel 4, eerste lid, onder a, van Verordening (EEG) nr. 729/90 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

4.3 Pas twee jaar na de primaire terugvorderingsbesluiten heeft verweerder het feitenonderzoek afgerond. Verweerder is derhalve tot terugvordering overgegaan, voordat de nodige kennis over de relevante feiten en af te wegen belangen was vergaard, en heeft hiermee het in artikel 3:2 Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. Indien verweerder deze kennis tijdig had vergaard, had hij appellanten in ieder geval in staat moeten stellen een beroep te doen op een verlengde invoertermijn, waartoe artikel 17, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 3665/87 de mogelijkheid biedt. Nu appellanten hiertoe niet in staat zijn gesteld, heeft verweerder ook in dit opzicht het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden.

4.4 Verweerder heeft bij brief van 20 februari 1998 het verzoek van appellanten om verlenging van de termijn voor het aanleveren van op de onderhavige partij rundvlees betrekking hebbende invoerbewijzen alsnog en ongelimiteerd ingewilligd. Deze brief ziet dan ook niet alleen op verlenging van de termijn voor het indienen van invoerbewijzen, doch mede op verlenging van de termijn voor invoer in het derde land van bestemming.

4.5 Gezien het ruime tijdsverloop tussen het vertrek van het m.s. Pacific Rose en de terugvorderingsbesluiten, is het recht tot terugvordering verjaard.

4.6 De samenstelling van verweerders bezwaarschriftencommissie, die bestond uit betrokken medewerkers van verweerder, is in strijd met artikel 2:4 Awb.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het beweerdelijk namens appellante sub 10 ingesteld beroep is voor haar ingesteld door A, als "rechtenverkrijger" van appellante sub 10. Ter ondersteuning van het betoog dat A gerechtigd was voor appellante sub 10 beroep in te stellen is een koopovereenkomst/akte van cessie ingeleverd waarbij vorderingen tegen verweerder, c.q. de Staat der Nederlanden aan A zijn overgedragen. Deze overeenkomst heeft echter niet ten gevolge dat A gerechtigd is voor de gefailleerde appellante, wier faillissement bij gebrek aan baten is opgeheven, in rechte op te treden, nu onderwerp van dit geding is het besluit tot intrekking van verleende restitutie en tot terugvordering van verweerder en niet een vordering die van het vernietigen van dit besluit het gevolg kan zijn.

Er is derhalve wat betreft appellante sub 10 geen sprake van een op juiste wijze ingesteld beroep, weshalve dit beroep niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Voorzover A bedoeld zou hebben voor zich zelf beroep in te stellen geldt het volgende.

Het College acht in dit geval verweerders betoog dat A slechts een indirect belang heeft juist. Het belang van A is immers alsdan slechts indirect - via de gestelde overeenkomst van cessie - bij deze procedure betrokken. Voorzover het onderhavige beroep tegen voormeld besluit ingesteld zou zijn door A, zou het derhalve niet-ontvankelijk moeten worden geacht. Anders dan verweerder lijkt te menen, betekent dit niet dat Jongviand B.V. geen vordering op verweerder zou kunnen krijgen en al evenmin dat namens Jongviand B.V. in deze procedure niet in rechte had kunnen worden opgetreden.

Vast staat dat de aan Jongviand B.V. uitbetaalde restituties reeds zijn teruggevorderd en dat verweerder om deze reden de onder meer door Jongviand B.V. gestelde zekerheden niet heeft vrijgegeven. Aangenomen dient dan ook te worden dat een eventuele vordering uit dien hoofde jegens verweerder zou kunnen toekomen aan Jongviand B.V. indien deze vordering geacht moet worden het gevolg te zijn van een ten aanzien van Jongviand B.V. genomen foutief terugvorderingsbesluit. Ook na de opheffing van het faillissement blijft een vennootschap immers bestaan voorzover dit in verband met de afwikkeling van de boedel noodzakelijk is. De afwikkeling van zodanige vordering valt niet onder de bevoegdheden van het College.

5.2 Wat betreft de samenstelling van de hoorcommissie hebben appellanten niet weersproken dat, zoals verweerder heeft betoogd, het horen is geschied in overeenstemming met artikel 7:5, eerste lid, Awb, dat bepaalt dat tenzij het horen geschiedt door of mede door het bestuursorgaan zelf dan wel de voorzitter of een lid ervan, het horen geschiedt door ofwel een persoon die niet bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken is geweest, ofwel meer personen van wie de meerderheid, onder wie degene die het horen leidt, niet bij de voorbereiding van het besluit betrokken is geweest. Reeds om deze reden verwerpt het College de onder punt 4.6 geformuleerde grief van appellanten.

5.3 Ingevolge het bepaalde bij de artikelen 9 en 11 In- en uitvoerwet, juncto artikel 9, tweede lid, In- en uitvoerbesluit landbouwgoederen 1980 en artikel 118 In- en uitvoerbeschikking landbouwgoederen 1981, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van de bestreden besluiten, is verweerder bevoegd restituties in te trekken, indien blijkt dat ter verkrijging daarvan zodanig onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, indien bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest, dan wel ingevolge een toepasselijk communautair voorschrift daarop geen aanspraak kan worden gemaakt.

Vast staat dat de onderwerpelijke partij rundvlees niet ten verbruike is ingevoerd in Jordanië, zoals op de in juni 1994 ingezonden SGS-verklaring was vermeld, doch deels in Irak en deels in de VAE. Voorts staat vast dat de invoer ten verbruike in de VAE niet binnen de in artikel 17, eerste lid, van Verordening (EEG) 3665/87 genoemde termijn heeft plaatsgevonden en dat, zo deze bepaling al de mogelijkheid biedt om deze termijn te verlengen, zoals verweerder ter zitting heeft betoogd, appellanten evenmin binnen de in artikel 47 van deze verordening gestelde termijn om verlenging van de invoertermijn hebben verzocht.

Uit deze vaststaande gegevens volgt dat voor het in de VAE ingevoerde deel van de onderwerpelijke partij rundvlees niet was voldaan aan de in artikel 17, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 3665/87 gestelde voorwaarde voor restitutiebetaling. Derhalve kon voor de desbetreffende hoeveelheid vlees geen aanspraak op restitutie worden gemaakt. Verweerder was dan ook ingevolge de hiervoor genoemde nationale voorschriften bevoegd de op die hoeveelheid betrekking hebbende restitutie in te trekken. Hiervan uitgaande was verweerder tevens bevoegd de hiermee overeenkomende restitutiebedragen, verhoogd met 20%, van appellanten terug te vorderen.

5.4 Met betrekking tot de door appellanten naar voren gebrachte grieven overweegt het College het volgende.

5.4.1 De in punt 4.1 verwoorde grief houdt in dat, gelet op bepaalde afspraken tussen verweerder en appellanten, alsmede gelet op jurisprudentie van het Hof van Justitie, verweerder appellanten in verband met het verlopen van fatale termijnen had moeten waarschuwen dat er mogelijk iets mis was met de in juni 1994 toegezonden SGS-verklaring, en dat verweerder, door zulks na te laten en de nadelige gevolgen hiervan voor appellanten te laten, het evenredigheidsbeginsel en het billijkheidsbeginsel heeft geschonden. Het College verwerpt deze grief en overweegt hiertoe als volgt.

Ter zitting is zijdens verweerder verklaard dat de afspraak, dat appellanten onmiddellijk van eventuele onregelmatigheden op de hoogte worden gesteld, slechts geldt voor kleine onregelmatigheden en niet voor situaties als de onderhavige, waarin de geconstateerde onregelmatigheid aanleiding gaf te veronderstellen dat mogelijk sprake was van fraude. Hetgeen appellanten in dit verband hebben aangevoerd is, naar het oordeel van het College, onvoldoende om aan te nemen dat dergelijke situaties wel onder vorenbedoelde afspraak vallen.

Een verplichting appellanten tijdig, in verband met het verlopen van fatale termijnen, te waarschuwen voor onregelmatigheden in mogelijke fraudesituaties, volgt evenmin uit de door partijen genoemde arresten van het Hof van Justitie inzake Möllmann-Fleisch Gmbh en De Haan Beheer B.V..

Voorzover appellanten met de hier aan de orde zijnde grief hebben willen betogen dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door niet vóór het verstrijken van de periode van 12 maanden na de datum van aangifte ten invoer van de onderhavige partij rundvlees contact op te nemen met appellanten, overweegt het College, zoals hij reeds eerder, onder meer in zijn uitspraak van 7 april 1999, nummer AWB 97/940, heeft overwogen, dat van een verplichting voor verweerder om appellanten te attenderen op het verlopen van door hem ter verkrijging van door hem verlangde restitutie in acht te nemen termijnen, geen sprake is.

Voorzover appellanten, met hun verwijzing naar de afspraak over de wijze van aanlevering van invoerdocumenten, hebben willen betogen dat verweerder na toezending van het transitdocument in september 1994 melding had moeten maken van mogelijke problemen met betrekking tot de onderhavige partij rundvlees, aangezien dit document, conform afspraak, in het Arabisch is aangeleverd, zodat appellanten niet konden weten dat deze partij niet ten verbruike in Jordanië was ingevoerd, faalt dit betoog. Het College ziet niet in dat in de onderhavige situatie, waarin appellanten er bewust van hebben afgezien zich te vergewissen van de inhoud van het transitdocument, verweerder gehouden zou zijn om appellanten te informeren over de uit dit document blijkende problemen met betrekking tot de onderhavige partij rundvlees. In het bijzonder ziet het College niet in dat deze verplichting zou voortvloeien uit de gemaakte afspraken over de wijze van aanlevering van invoerdocumenten.

Nog daargelaten dat uit het hiervoor overwogene volgt dat door verweerder geen fouten zijn gemaakt, in de door appellanten bedoelde zin, is artikel 52 van Verordening (EG) 800/1999 in het onderhavige geval niet van toepassing. Dit volgt uit artikel 54, eerste lid, van deze verordening, waarbij is bepaald dat Verordening (EEG) nr. 3665/87 wordt ingetrokken, doch van toepassing blijft op de uitvoer waarvoor de aangifte ten uitvoer is aanvaard vóór het van toepassing worden van Verordening (EG) nr. 800/1999, in casu 1 juli 1999. Aangezien de aangifte ten uitvoer van de onderhavige partij rundvlees vóór laatstgenoemde datum is aanvaard, is op deze partij niet Verordening (EG) nr. 800/1999 van toepassing, doch Verordening (EEG) nr. 3665/87.

Al met al is in het onderhavige geval, naar het oordeel van het College, geen sprake geweest van een verwijtbaar zwijgen van verweerder.

5.4.2 Het College verwerpt eveneens de in punt 4.2 geformuleerde grief dat verweerder, door de aangeleverde SGS-verklaring alsnog als bewijs van invoer ten verbruike te verwerpen en in verband hiermee tot terugvordering over te gaan, het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Vast staat dat de in vorenbedoelde verklaring vermelde invoer ten verbruike in een derde land niet heeft plaatsgevonden. Wat er ook zij van de door appellanten ontvouwde stellingen over ICM/SGS, het vertrouwensbeginsel brengt in ieder geval niet met zich, dat verweerder deze verklaring niettemin als bewijs van een dergelijke invoer had moeten aanvaarden.

Verweerder heeft appellanten alsnog in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van invoer ten verbruike van het met het m.s. Pacific Rose uitgevoerde rundvlees in (een) derde land(en). Zoals het College reeds eerder heeft geoordeeld, te weten in zijn uitspraak van 7 april 1999, nummer AWB 97/481, is het noch in strijd met het vertrouwensbeginsel noch met het zorgvuldigheidsbeginsel om, in het geval bewijs van de invoer ten verbruike in een derde land niet is geleverd, aan appellanten nader bewijs op te dragen van de invoer ten verbruike van de onderwerpelijke partij vlees in (een) derde land(en). Appellanten hebben dit bewijs geleverd, waarna verweerder heeft geconstateerd dat voor een deel van de partij niet was voldaan aan de in artikel 17, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 3665/87 neergelegde voorwaarde voor restitutiebetaling. Het College ziet niet in dat in deze situatie het vertrouwensbeginsel met zich brengt dat terugvordering achterwege zou moeten blijven.

5.4.3 Gelet op de in rubriek 2.2. vermelde uitspraak van de president van het College van 1 december 1997, diende verweerder uiterlijk op 19 december 1997 te beslissen over eventuele terugvordering van aan appellanten uitbetaalde restituties. Verweerder heeft aan deze uitspraak gevolg gegeven door op laatstgenoemde datum terugvorderingbesluiten te nemen. In deze situatie kan, naar het oordeel van het College, niet worden gezegd dat verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden, door reeds tot terugvordering over te gaan, terwijl het onderzoek naar het met de m.s. Pacific Rose uitgevoerde rundvlees nog niet was afgerond. Voorts ziet het College niet in dat dit beginsel met zich zou brengen dat verweerder appellanten in staat had moeten stellen een beroep te doen op een verlengde invoertermijn, zo Verordening (EEG) nr. 3665/87 deze mogelijkheid al biedt. De in punt 4.3 geformuleerde grief faalt derhalve eveneens.

5.4.4 Bij zijn brief van 20 februari 1998 heeft verweerder appellanten voor onbepaalde tijd een extra termijn verleend voor het indienen van bewijs van invoer ten verbruike in (een) derde land(en) van het met de Pacific Rose uitgevoerde rundvlees. Op geen enkele wijze valt in deze brief te lezen dat verweerder hiermee heeft beoogd ook andere in Verordening (EEG) nr. 3665/87 gestelde termijnen te verlengen. Het College verwerpt dan ook het in punt 4.4 opgenomen betoog van appellanten.

5.4.5 Het College verwerpt ten slotte ook de in de punt 4.5 geformuleerde grief van appellanten. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

De terugvorderingsbevoegdheid in de van toepassing zijnde nationale en communautaire regelgeving is niet aan enige termijn gebonden. Dit betekent evenwel niet dat in bepaalde omstandigheden de intrekking - en de daarop berustende terugvordering - van definitief verleende uitvoerrestituties als hier in geding na verloop van tijd niet in strijd kan geraken met algemene rechtsbeginselen, die ook in de communautaire rechtsorde gelden, zoals het vertrouwensbeginsel. Gezien de, relatief geringe, tijdspanne tussen het moment waarop de onderhavige restituties zijn verleend en het moment waarop de desbetreffende restitutiebedragen zijn teruggevorderd, is het College van oordeel dat zodanige omstandigheden zich hier niet voordoen. Hierbij neemt het College mede in aanmerking dat tussen de hiervoor bedoelde momenten in ieder geval minder tijd is verstreken dan de in artikel 52, vierde lid, onder b, van de in dit geval niet van toepassing zijnde Verordening (EG) nr. 800/1999 genoemde termijn van vier jaar.

5.5 Gelet op het vorenoverwogene, dient het beroep van appellanten sub 1 t/m 9 ongegrond te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep van appellante sub 10 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van appellanten sub 1 t/m 9 ongegrond.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. C.J. Borman en mr. F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van mr. W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2003.

w.g. D. Roemers w.g. W.F. Claessens