Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF4080

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-01-2003
Datum publicatie
07-02-2003
Zaaknummer
AWB 00/580
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 00/580 30 januari 2003

16010 Meststoffenwet

Registratie referentie hoeveelheid

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: mr. M.J.M.G. van Gerwen, advocaat te 's-Hertogenbosch,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigden: mr. M. Haan en mr. S.C. Vissering, werkzaam bij Bureau Heffingen.

1. De procedure

Op 10 juli 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 30 mei 2000. Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de mededeling dat geen aanleiding bestaat de registratie van mestproductierechten van het bedrijf van appellante aan te passen.

Op 15 september 2000 is een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 6 december 2002 heeft de gemachtigde van appellante brieven in het geding gebracht van C van 3 december 2002 en van D van november 2002.

Op 19 december 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij appellante, vertegenwoordigd door C en E, en verweerder, vertegenwoordigd door zijn gemachtigden, hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij brief van 12 oktober 1998 heeft appellante verweerder verzocht om aanpassing van het voor haar bedrijf met mestnummer 014004844 geregistreerde mestproductierechten.

- Bij brief van 8 juli 1999 heeft verweerder appellante medegedeeld dat er geen reden tot aanpassing is.

- Tegen deze brief heeft appellante op 17 augustus 1999 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

- Bij vonnis van 24 juli 2002 heeft de Rechtbank 's-Gravenhage een vordering van (onder meer) appellante, strekkende (onder meer) tot veroordeling van de Staat der Nederlanden de registratie van het aantal varkensrechten van het bedrijf van appellante aldus te corrigeren dat het aantal geregistreerde (verhandelbare) varkenseenheden op het bedrijf 2575 eenheden bedraagt, afgewezen.

- Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante, met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard op grond van de overweging dat de brief van 8 juli 1999 geen rechtsgevolg heeft, aangezien het voor een bedrijf geldend mestproductierecht rechtstreeks uit de bepalingen van de Meststoffenwet voortvloeit.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

De brief van 12 oktober 1998 moet worden beschouwd als een verzoek, gericht op een wijziging van de rechtspositie van appellante. Hieruit volgt dat de beslissing in de brief van verweerder van 8 juli 1999 op rechtsgevolg is gericht.

Verweerder heeft geweigerd de van toepassing zijnde regels juist toe te passen. Verweerder heeft, in strijd met de wet en in strijd met het vertrouwensbeginsel, miskend dat appellante de ten deze van belang zijnde aanvraag op 26 november 1984 heeft ingediend.

In haar brief van november 2002 heeft D hier onder meer nog het volgende aan toegevoegd:

"De aanvragen heeft mijn man op 26 november 1984 ingediend bij de gemeente B.

De tekeningen etc. verzorgd door F zijn ingediend zoals bovengenoemd bouwbedrijf dat altijd doet - deed in viervoud.

Maar tot mijn man's verbazing moest dit in B in vijfvoud.

Op 21 november 1984 moest ik zelf met spoed opgenomen worden in het ziekenhuis te G.

Ik was toen 9 maanden zwanger en tijdens de bvalling traden er complicatie's op.

Ons eerste kindje is toen gestorven tijdens de bevalling.

En na enkele dagen in het ziekenhuis mocht ik naar huis.

U begrijpt misschien, dat mijn man na zijn bezoek aan het gemeentehuis, en mij opgehaald had in het ziekenhuis, niet alla minuut achter de ontbrekende papieren ging.

(Had hij dat maar wel gedaan, was deze ellende niet gebeurt)

Na enkele dagen heeft hij deze papieren alsnog nagebracht bij de gemeente.

De burgemeester van B heeft ons een brief gegeven en de laatste zinnen van deze brief zijn:

Alhoewel de onderhavige vergunningaanvraag alhier derhalve compleet is ingekomen op 30 november 1984, kan worden gesteld dat de feitelijke afgifte van de aanvraag heeft plaatsgevonden op 26 november 1984."

Ter zitting heeft appellante nog opgemerkt dat het verzoek van 12 oktober 1998 met name is gedaan, omdat op grond van artikel 2 van de Wet herstructurering varkenshouderij de geregistreerde mestproductierechten bepalend zijn voor de toekenning van de varkensrechten.

Ter zitting heeft appellante voorts het College verzocht, voor het geval om formele redenen niet aan een inhoudelijke beoordeling kan worden toegekomen, een overweging ten overvloede aan de partijen verdeeld houdende kwestie te wijden.

5. De beoordeling van het geschil

Volgens vaste jurisprudentie van het College (zie onder meer de uitspraken d.d. 21 september 1990 no. 89/0340/60/178 en 1 juni 1999, AB 1999/315) volgen referentiehoeveelheden, mestproductierechten en varkensrechten rechtstreeks uit de Meststoffenwet en de Wet herstructurering varkenshouderij. Dit betekent dat aan verweerder niet de bevoegdheid toekomt dergelijke rechten bindend vast te stellen. Hieruit volgt dat beslissingen ten aanzien van de registratie van dergelijke rechten geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, zodat daartegen geen beroep op de bestuursrechter openstaat. Hetzelfde geldt voor beslissingen ten aanzien van verzoeken tot wijziging van die registraties (zie de uitspraak van de President van het College d.d. 22 juni 1995, nrs. 95/174/060/178 en 95/173/060/178).

Vorderingen betrekking hebbend op de hier bedoelde rechten kunnen uitsluitend bij de burgerlijke rechter worden ingesteld. Uitsluitend die rechter zal derhalve kunnen oordelen over alle omstandigheden van het geval, waaronder de in rubriek 4 van deze uitspraak vermelde (en, voor zover bekend, nog niet eerder naar voren gebrachte) omstandigheden. Het past de bestuursrechter niet, ook niet in een overweging ten overvloede, een inhoudelijk oordeel over de zaak te geven.

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van drs. D.C. Ververs, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2003.

w.g. J.A. Hagen w.g. D.C. Ververs