Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF3773

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-01-2003
Datum publicatie
03-02-2003
Zaaknummer
AWB 02/399
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 02/399 7 januari 2003

24030 Wet op de Kamers van Koophandel en Fabrieken 1963

Bijdrage handelsregister

Uitspraak in de zaak van:

A, gevestigd te X, appellante,

gemachtigde: B, directeur van appellante,

tegen

de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Gooi- en Eemland, gevestigd te Amsersfoort, verweerster,

gemachtigde: mr. J.E. Broug, werkzaam bij verweerster.

1. De procedure

Op 8 maart 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 6 maart 2002.

Bij dit besluit heeft verweerster beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de voor 2002 aan enkele aan haar gelieerde vennootschappen opgelegde bijdragen op grond van de Wet op de Kamers van Koophandel en Fabrieken 1997 (hierna: de Wet).

Op 17 april 2002 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 17 mei 2002 heeft verweerster het College desgevraagd nadere stukken doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2002. Partijen zijn verschenen en hebben bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van verweerster is appellante sinds 2 maart 1999 in dat register ingeschreven. Haar onderneming heeft als bedrijfsomschrijving: "Groothandel in computerprodukten, kantoormachines en telecommunicatieprodukten; inbouw van software; diensten en adviezen inzake informatietechnologie. Appellante heeft een maatschappelijk kapitaal van € 90.756,04 en bij haar onderneming zijn 13 personen werkzaam. Enig aandeelhouder van appellante is K te X en haar bestuurders zijn L te X en M te Y.

- In voormeld handelsregister staat met ingang van 2 maart 1999 voorts K te X ingeschreven. De bedrijfsomschrijving van de aan deze vennootschap verbonden onderneming luidt: "Houden van deelnemingen; voeren van beheer en bestuur; verkrijgen, beheren, exploiteren en vervreemden van onroerende zaken". K heeft een maatschappelijk kapitaal van € 907.560,43 en bij haar onderneming zijn geen personen werkzaam. De bestuurders van K zijn L te X en M te Y.

- In meergenoemd handelsregister is verder sinds 2 maart 1999 L te X ingeschreven. Haar onderneming heeft als bedrijfsomschrijving: "Houden van deelnemingen; voeren van beheer en bestuur". L heeft een maatschappelijk kapitaal van € 453.780,22 en bij haar onderneming is één persoon werkzaam. Enig aandeelhouder en bestuurder van L is B te X.

- In het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Utrecht en omstreken staat met ingang van 1 maart 1999 M te Y ingeschreven. De bedrijfsomschrijving van haar onderneming luidt: "Houden van deelnemingen; voeren van beheer en bestuur". M heeft een maatschappelijk kapitaal van € 453.780,22 en bij haar onderneming is één persoon werkzaam. Enig aandeelhouder en bestuurder van M is P te Y.

- Bij brief van 21 februari 2002 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de besluiten van verweerster, waarbij aan K en L de krachtens de Wet aan verweerster verschuldigde bijdrage voor 2002 zijn vastgesteld op grond van de indeling in groep 6 van de bijdragenschaal.

Voorts heeft appellante bij deze gelegenheid tevens bij verweerster bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Utrecht en omstreken, waarbij aan M bovenomschreven bijdrage is vastgesteld op grond van de indeling in evenvermelde groep 6.

- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen, strekkende tot kennelijke ongegrondverklaring van het bezwaar.

3. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellante heeft van verweerster voor haarzelf en ten behoeve van de aan haar gelieerde vennootschappen K, L en M vier afzonderlijke facturen voor de verschuldigde bijdragen op grond van de Wet ontvangen.

Appellante betwist niet dat al deze vennootschappen heffingen voor registratie (wetsuitvoering) aan verweerster verschuldigd zijn. Zij is echter van mening dat zij drie maal te veel bijdragen voor loketfunctie, beleidsadvisering en regionale stimulering, alsmede voor Opslag Sociaal Economische Raad moet betalen. Zij kan immers - om fiscale, juridische en organisatorische redenen - deze door verweerster ter beschikking gestelde diensten slechts éénmaal afnemen. Bij het voeren van meerdere vennootschappen door dezelfde aandeelhouders is voor de vaststelling van de verschuldigde bijdrage op grond van de Wet, volgens appellante, een differentiatie mogelijk en op haar plaats.

4. Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en heeft daartoe het navolgende naar voren gebracht.

De Wet bepaalt dat iedere onderneming die ingeschreven staat in het handelsregister jaarlijks een bijdrage verschuldigd is aan de Kamer van Koophandel en Fabrieken in welk gebied de onderneming zetelt. Deze bijdrage bestaat uit componenten voor de financiering van de wetsuitvoerende taak, voor de financiering van de loket- en voorlichtingsfunctie en voor de financiering van de beleidsadviserende en regiostimulerende taak van deze Kamer, alsmede een opslag Sociaal Economische Raad.

De hoogte van de verschuldigde bijdrage varieert al naar gelang de rechtsvorm en grootte van de betreffende onderneming. Bij Besluit van 24 december 1997 (Stb. 1997, 786; hierna: het Besluit heffingen) zijn daartoe alle ondernemingen in 14 groepen ingedeeld. Voor de bepaling van de hoogte van de bijdrage heeft de besluitgever in deze groepsindeling geen uitzonderingen gemaakt voor ondernemingen die tot een groep behoren. Ook in een andere vorm van korting voor dergelijke ondernemingen is niet voorzien.

Voor de verschuldigdheid van de bijdrage maakt het geen verschil of de onderneming of de ondernemingen al dan niet gebruik maken van de diensten van een Kamer. Voorts kan een onderneming niet zelf uitmaken welke van de drie bijdragen zij wel of niet wil betalen. Bedoelde drie afzonderlijke bijdragen vormen met de opslag Sociaal Economische Raad één heffingsgrondslag.

Appellante en de aan haar gelieerde vennootschappen K, L en M zijn alle afzonderlijk terecht ingedeeld in groep 6 van de bijdragenschaal, omdat bij al deze vennootschappen afzonderlijk minder dan 49 personen werkzaam zijn en het onderscheiden maatschappelijk kapitaal van deze ondernemingen minder van € 2.500.000,-- bedraagt.

Verweerster heeft geen vrijheid tegemoet te komen aan de wens van appellante om in de heffing een differentiatie toe te passen ingeval meerdere vennootschappen tot eenzelfde groep behoren.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt voorop dat appellante niet in haar beroep kan worden ontvangen, voorzover dat betrekking heeft op M te Y. Op geen enkele wijze is gebleken dat appellante of haar gemachtigde bevoegd waren dit beroep namens M in te stellen.

5.2 Hetgeen appellante heeft aangevoerd stelt het College voor de beantwoording van de vraag of het Besluit heffingen in strijd is met de Wet, en zo neen of de besluitgever niet in redelijkheid heeft kunnen menen dat nadelige gevolgen voor de aan appellante gelieerde ondernemingen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het Besluit heffingen te dienen doelen. Deze vragen worden door het College ontkennend beantwoord en daartoe wordt als volgt overwogen.

Ter financiering van de activiteiten van een kamer van koophandel en fabrieken heeft de wetgever het profijtbeginsel als uitgangspunt gekozen. Daartoe is, blijkens de wetsgeschiedenis, voorzien in het zoveel mogelijk doorberekenen van de kosten van producten en diensten aan de individuele gebruiker, met als basis de retributie-bepalingen neergelegd in de artikelen 34, 36 en 38 van de Wet. Bij de uitvoering van dit systeem is er blijkens de gekozen grondslagen en maatstaven naar gestreefd de hoogte van de heffing per categorie ondernemingen in een zekere relatie te brengen met de kosten die de kamer in zijn algemeenheid geacht kan worden te moeten maken voor die categorie (onderscheiden is immers naar grootte en rechtsvorm, waarbij in het verband van artikel 37, de economische betekenis van de onderneming het leidend criterium is). Naar zijn aard kan de aanvaardbaarheid van dat (aanvullend) heffingssysteem echter niet louter aan de hand van de vraag of er voor elke individuele heffingsoplegging een rekenkundige, nauwkeurige relatie is gelegd tussen kosten en baten worden beoordeeld. De verschuldigdheid van de bijdrage die hier in geding is, te weten de heffing, is dus niet in die mate afhankelijk van de omvang van het profijt dat de individuele onderneming heeft van de activiteiten van de kamer, als appellante kennelijk beoogt te betogen.

Voorts dient bij de beoordeling van appellantes grief ter zake te worden betrokken de omstandigheid dat de wetgever de administratieve lasten en kosten van de kamers voor het vaststellen van de bedragen die ondernemingen en rechtspersonen verschuldigd zijn, heeft willen terugbrengen (TK 1996/97, 25029 nr. 3, MvT, p. 8 e.v.).

Bij het krachtens de artikelen 32, vierde lid, en 37, tweede lid, van de Wet, vastgestelde Besluit heffingen zijn alle ondernemingen (waaronder naamloze en besloten vennootschappen), verenigingen en stichtingen die staan ingeschreven in het handelsregister, ingedeeld in een aantal groepen aan de hand van rechtsvorm en de grootte, een en ander, voor wat betreft de toepassing van artikel 37 van de Wet, in het licht van de economische betekenis van de onderneming. De nota van toelichting bij dit Besluit heffingen vermeldt dat de groepsindeling de verhouding weerspiegelt van het verschil in door een kamer met betrekking tot de taken genoemd in artikel 32 en 37 van de Wet gemaakte kosten voor de onderscheiden categorieën van ondernemingen.

Met het oogmerk om de administratieve lasten en kosten van de kamers voor het vaststellen van de bedragen die ondernemingen en rechtspersonen verschuldigd zijn, terug te brengen, is bij het Besluit heffingen er voor gekozen het aantal categorieën van ondernemingen te beperken. Een andere heffingsopzet met een differentatie als door appellante bepleit, ware denkbaar geweest maar het College ziet geen grond voor het oordeel dat de besluitgever bij afweging van de rechtstreeks bij het Besluit heffingen betrokken belangen - waaronder begrepen het belang van een doelmatige administratieve uitvoering en de belangen van degenen die, zoals appellante, een onderneming binnen een groepsstructuur drijven - niet in redelijkheid heeft kunnen menen dat de gevolgen voor deze ondernemingen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het Besluit heffingen te dienen doelen.

Naar het oordeel van het College heeft verweerster de vennootschapsstructuur waarvan appellante deel uitmaakt voorts terecht niet als een bijzonder geval als bedoeld in artikel 32, vijfde lid, van de Wet aangemerkt, waarin de invordering onderscheidenlijk de onverkorte invordering van een deel van de aan K en L opgelegde bijdragen onredelijk zou zijn. Daartoe overweegt het College dat strekking en tekst van deze uitzonderingsbepaling en de geschiedenis van haar totstandkoming er toe nopen haar strikt te interpreteren en slechts van toepassing te achten in bijzondere omstandigheden. De mede door appellante gekozen organisatie, waarbij zij en de aan haar gelieerde vennootschappen om administratieve en fiscale redenen deel uitmaken van een groepsstructuur, is niet zodanig bijzonder dat met recht kan worden gesproken van een bijzonder geval in de zin van artikel 32, vijfde lid, van de Wet

Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2003.

w.g. M.A. van der Ham w.g. M.S. Hoppener