Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF3772

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-01-2003
Datum publicatie
03-02-2003
Zaaknummer
AWB 02/549 t/m 02/556
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

Nrs. AWB 02/549 t/m 02/556 7 januari 2003

24030 Wet op de Kamers van Koophandel en Fabrieken 1963

Bijdrage handelsregister

Uitspraak in de zaken van:

A;

B;

C;

D;

E;

F;

G; en

H, alle gevestigd te X, appellanten,

gemachtigde: mr. E.M. San Giori, belastingadviseur te 's-Gravenhage,

tegen

de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Haaglanden, gevestigd te 's-Gravenhage, verweerster,

gemachtigde: R. van Steveninck, werkzaam bij verweerster.

1. De procedures

Op 29 maart 2002 heeft het College van appellanten een achttal inhoudelijk gelijkluidende beroepschriften ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen acht inhoudelijk identieke besluiten van verweerster van 26 februari 2002.

Bij deze besluiten heeft verweerster de afzonderlijke bezwaren die appellanten hebben gemaakt tegen de hen voor 2002 opgelegde bijdragen op grond van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997 (hierna: Wet), kennelijk ongegrond verklaard.

Op 3 juni 2002 heeft verweerster gelijkluidende verweerschriften ingediend.

Bij brief van 15 juli 2002 heeft verweerster het College desgevraagd nadere stukken doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2002. Partijen zijn verschenen en hebben bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader toegelicht.

2. De vaststaande feiten

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaken de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Blijkens uittreksels uit het handelsregister van verweerster hadden appellanten op 1 januari 2002 ieder voor zich een maatschappelijk kapitaal van minder dan € 2.500.000,--. Bij geen van de tot appellanten afzonderlijk behorende ondernemingen waren op genoemde datum meer dan 49 personen werkzaam.

- Bij acht afzonderlijke besluiten van 30 januari 2002 heeft verweerster de door appellanten krachtens de Wet aan verweerster verschuldigde bijdragen op grond van indeling van appellanten in groep 6 van de bijdragenschaal, voor 2002 vastgesteld op € 165,01.

- Tegen deze besluiten hebben appellanten bij gelijkluidende brieven van 7 februari 2002 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerster de bestreden besluiten genomen.

- Op 4 april 2002 is in het handelsregister van verweerster geregistreerd dat appellante sub 4 met ingang van 2 april 2002 is ontbonden.

3. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter ondersteuning van hun beroepen onder meer het volgende tegen de bestreden besluiten aangevoerd.

Appellanten betwisten de uitleg die verweerster aan de uitspraak van de Hoge Raad van 22 december 1989 inzake Hirschmann geeft. Appellanten dienen alle te worden aangemerkt als 'slapende' vennootschappen en zij verrichten geen enkele activiteit. In afwachting van hun (re)activering hebben zij hun activa in rekening courant uitstaan bij de huidige eigenaressen van hun aandelen. Dit feitencomplex wijkt in zoverre af van dat in de Hirschmann-uitspraak dat in die situatie gelden actief werden belegd, terwijl appellanten feitelijk geen activiteiten ontplooien en - dus - geen onderneming drijven.

Appellanten betogen dat zij het risico lopen door verweerster te worden ontbonden indien zij het vermogen uit hun 'slapende' vennootschappen halen. Zij bevinden zich door de handelwijze van verweerster derhalve in een onmogelijke positie, omdat 'slapende' vennootschappen in het handelsverkeer niet kunnen ontbreken. Het is voor appellanten een principiële kwestie.

Appellanten zijn enkel bereid een bijdrage voor wetsuitvoering te voldoen.

4. Het standpunt van verweerster

Verweerster is van mening dat appellanten wel degelijk ondernemingen in de zin van artikel 3 van de Handelsregisterwet 1996 drijven, waardoor de bijdragen samengesteld dienen te zijn op basis van de artikelen 32, 35 en 37 van de Wet.

Voor de interpretatie van het begrip onderneming verwijst verweerster naar de Handelsregisterwet 1996 en naar de beschikkingen van de Hoge Raad van 13 juni 1966 inzake Mariahoeve en die van 22 december 1989 inzake Hirschmann. In de Mariahoeve-beschikking heeft de Hoge Raad geoordeeld dat ook na de wijzigingen van de Handelsregisterwet (oud) bij wet van 30 juni 1954 aan de regels inzake de inschrijving van ondernemingen in het handelsregister bepaaldelijk niet de gedachte ten grondslag lag dat de vraag of de in artikel 2, tweede lid, Handelsregisterwet (oud) opgesomde vennootschappen en coöperatieve verenigingen een onderneming hebben, van geval tot geval zou moeten worden getoetst aan het criterium of daarmee het maken van winst werd beoogd. Uit deze beschikkingen is veeleer af te leiden dat de wetgever ervan uit is blijven gaan dat de in dergelijke rechtsvorm uitgeoefende bedrijven altijd het maken van winst beogen en dat hieruit moet worden begrepen dat dit beogen van het maken van winst in de ruimste zin moet worden verstaan.

In de Hirschmann-beschikking heeft de Hoge Raad wat betreft vennootschappen nader overwogen dat deze steeds geacht worden een onderneming in de zin van de Handelsregisterwet te hebben, dat dit slechts anders is ten aanzien van vennootschappen die in het geheel geen onderneming hebben, maar dat daarmede slechts bedoeld zijn zogenaamde 'lege' vennootschappen die in het geheel geen activa (meer) hebben en deswege geen activiteiten (meer) ontplooien.

Met hun stelling dat zij 'slapende' vennootschappen zijn die geen enkele activiteit verrichten in afwachting van hun (re)activering en dat zij het saldo van hun activa in rekening courant hebben uitstaan bij de huidige eigenaressen van hun aandelen, onderschrijven appellanten dat zij wel degelijk in het bezit zijn van activa, waar - in de door appellanten gekozen constellaties - vorderingen tegenover moeten staan.

Voor de vaststelling van de verschuldigde bijdrage op grond van Wet is de situatie op 1 januari van het desbetreffende jaar bepalend. Een lopende dat jaar plaatsgevonden ontbinding van een rechtspersoon heeft geen invloed op de voor dat jaar verschuldigde bijdrage.

5. De beoordeling van de geschillen

Het College merkt allereerst op dat appellante sub 4 hangende het beroep is ontbonden. Dit leidt echter niet tot niet-ontvankelijkverklaring van haar beroep, nu de door haar bestreden bijdrage door verweerster is vastgesteld naar de situatie op 1 januari 2002.

Appellanten hebben de stelling ingenomen dat zij geen onderneming zijn in de zin van de Handelsregisterwet 1996 en zij derhalve ten onrechte zijn ingedeeld in groep 6 van de bijdragenschaal. Het College volgt appellanten niet in hun betoog en overweegt daartoe als volgt.

Ter financiering van de activiteiten van een kamer van koophandel en fabrieken heeft de wetgever het profijtbeginsel als uitgangspunt gekozen. De kamer is krachtens de artikelen 34, 36 en 38 van de Wet bevoegd tot het vaststellen van retributies voor de in die artikelen omschreven taken en bevoegd tot het vaststellen van heffingen verschuldigd door ondernemingen als bedoeld in artikel 3 van de Handelsregisterwet 1996, voor te maken kosten van wetsuitvoering (artikel 32), van de loketfunctie en de activiteiten op het gebied van de handels- en bedrijfsvoorlichting (artikel 35) en van beleidsadvisering en de regionale stimulering (artikel 37). Voorts heeft de wetgever de administratieve lasten en kosten van de kamers voor het vaststellen van de bedragen die ondernemingen en rechtspersonen verschuldigd zijn, willen terugbrengen (TK 1996/97, nr. 3, MvT, p. 8 e.v.).

Ingevolge artikel 33 van de Wet zijn rechtspersonen waaraan geen onderneming (meer) toebehoort alleen een bijdrage verschuldigd voor de kosten van inschrijving in het handelsregister.

Bij het krachtens de artikelen 32, vierde lid en 37, tweede lid, van de Wet vastgestelde Besluit heffingen (Besluit heffingen kamers van koophandel en fabrieken van 24 december 1997, Stb. 786) zijn alle ondernemingen, verenigingen en stichtingen die staan ingeschreven in het handelsregister, ingedeeld in 14 groepen op basis van rechtsvorm en de grootte van de onderneming. De nota van toelichting bij het Besluit heffingen vermeldt dat de groepsindeling de verhouding weerspiegelt van het verschil in door een kamer met betrekking tot de taken genoemd in artikel 32 en 37 van de Wet gemaakte kosten voor de onderscheiden categorieën van ondernemingen.

De totstandkomingsgeschiedenis van de Wet en van de Handelsregisterwet 1996, zoals die is te vinden in de parlementaire stukken, biedt geen enkel aanknopingspunt voor een andere uitleg van het in die wetten gebruikte begrip onderneming dan is gegeven in de jurisprudentie die is gewezen onder de op 1 oktober 1997 ingetrokken (oude) Handelsregisterwet. Onder deze jurisprudentie zijn eveneens begrepen de beschikkingen van de Hoge Raad van 13 januari 1966 inzake de coöperatieve flatexploitatievereniging Mariahoeve (NJ 1996, 189) en van 22 december 1989 inzake Hirschmann (NJ 1990, 433). Een andere en meer op de specifieke situatie van een rechtspersoon betrokken uitleg van het begrip onderneming, is uitvoeringstechnisch bewerkelijk en strookt in beginsel niet met de bedoeling van de wetgever om met de Wet onder meer de door verweerster te maken kosten voor het vaststellen van de verschuldigde wettelijke bijdragen te beperken.

Het College ziet geen plaats voor de opvatting van appellanten dat het ondernemingsbegrip van de Handelsregisterwet niet zonder meer gebruikt mag worden en dat uitgegaan zou moeten worden van een enger begrip dat alleen betrekking heeft op ondernemingen die niet 'slapende' zijn.

Daartoe overweegt het College dat in artikel 32, eerste lid, van de Wet uitdrukkelijk wordt verwezen naar ondernemingen bedoeld in artikel 3 van de Handelsregisterwet 1996, terwijl in artikel 33 een afzonderlijke voorziening is opgenomen voor de heffing ten behoeve van wetsuitvoering met betrekking tot rechtspersonen als bedoeld in artikel 4 van de Handelsregisterwet 1996, waaraan geen onderneming toebehoort. Voorts ziet de heffing bedoeld in paragraaf 3 en paragraaf 5 van hoofdstuk 6 van de Wet, blijkens het bepaalde bij artikel 35 en artikel 37, uitsluitend op ondernemingen als bedoeld in artikel 3 van de Handelsregisterwet 1996. Uit dit samenstel van bepalingen moet worden afgeleid dat met het Besluit heffingen de bijdragen zijn beoogd van onder meer besloten vennootschappen waaraan een onderneming toebehoort als bedoeld in artikel 3 van de Handelsregisterwet 1996 en dat daarbij past de uitleg die daaraan door de Hoge Raad is gegeven.

Het College kan appellanten derhalve niet volgen in hun betoog dat uit de aard van hun activiteiten zou volgen dat zij niet optreden in het economisch verkeer en dat zij dus geen onderneming drijven. Immers, op grond van het enkele feit dat zij activa hebben en dus activiteiten kunnen ontplooien, moeten zij, gelet op meergenoemde jurisprudentie van de Hoge Raad, geacht worden een onderneming te hebben.

Naar het oordeel van het College heeft verweerster op goede gronden beslist dat appellanten als besloten vennootschappen ingedeeld moeten worden in groep 6 van de bijdragenschaal en de daarvoor vastgestelde bijdragen verschuldigd zijn.

Voorts is het College van oordeel dat verweerster voor de vaststelling van de jaarlijks te heffen bijdrage in redelijkheid de situatie op 1 januari van een jaar doorslaggevend kan achten.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissingen

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2003.

w.g. M.A. van der Ham w.g. M.S. Hoppener