Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF3769

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-01-2003
Datum publicatie
03-02-2003
Zaaknummer
AWB 01/960
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/960 8 januari 2003

10700 Regeling superheffing 1993

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. F.W. van Dijk, advocaat te Wageningen,

tegen

het Productschap Zuivel, te Rijswijk, verweerder,

gemachtigden: mr. F.G.P. Diermanse en A.P. van Houten, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 11 december 2001 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 30 oktober 2001. Bij dit besluit heeft verweerder, na een uitspraak van het College van 4 april 2001, opnieuw beslist op bezwaarschriften van appellant tegen twee besluiten tot vaststelling van verschuldigde superheffing.

Op 4 januari 2002 zijn de gronden van het beroep ingediend.

Op 7 februari 2002 is een verweerschrift ingediend.

Op 9 oktober 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen hebben hierbij hun standpunten toegelicht bij monde van hun gemachtigden. Appellant was hierbij in persoon aanwezig.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EEG) nr. 536/93 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten (Pb. 1993, L 57) luidt, voorzover hier van belang:

" Artikel 4

1. Wat de rechtstreekse verkopen betreft, recapituleert de producent aan het einde van elk van de in artikel 1 van de Verordening (EEG) nr. 3950/92 bedoelde tijdvakken in een verklaring, per produkt, de hoeveelheid van de rechtstreeks aan de consument (…) verkochte melk en/of andere zuivelprodukten.

(…)

2. De producent zendt jaarlijks vóór 15 mei zijn verklaring toe aan de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat.

Bij niet-inachtneming van de termijn is de producent de heffing verschuldigd over de totale hoeveelheid melk en melkequivalent die boven de hem toegewezen referentiehoeveelheid rechtstreeks is geleverd (…).

(…)

Artikel 7

1. De Lid-Staten nemen alle nodige controlemaatregelen om te waarborgen dat de heffing wordt geïnd op de hoeveelheden melk en melkequivalent die boven een van de in artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 3950/92 bedoelde hoeveelheden op de markt zijn gebracht. Daartoe geldt het volgende:

(…)

f) De producenten die over een referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop beschikken, houden gedurende ten minste drie jaar de volgende bescheiden ter beschikking van de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat:

(…) een produktboekhouding per tijdvak van twaalf maanden waarin de hoeveelheid, per maand en per produkt, van de rechtstreeks aan de consument (…) verkochte melk en/of zuivelprodukten wordt vermeld (…) en de bewijsstukken die het mogelijk maken de bovenbedoelde produktboekhouding te controleren."

De Regeling superheffing 1993 (Stcrt. 1993, 60) bepaalt, voorzover hier van belang:

" Artikel 4

1. De producent is ter zake van rechtstreekse verkoop voor consumptie van een hoeveelheid melk, of het equivalent daarvan, die zijn referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop overschrijdt, een heffing verschuldigd.

(…)

Artikel 29

1. De in artikel 4 bedoelde producent doet conform het bepaalde in artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 536/93 en conform door het productschap daartoe gestelde regelen, aangifte bij het productschap van de hoeveelheid melk of andere melkproducten die hij in de vorige heffingsperiode rechtstreeks aan de consument, groot- of detailhandel of aan affineurs heeft geleverd, gespecificeerd per product.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde aangifte niet tijdig wordt gedaan, legt het productschap de in artikel 4, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 536/93 bedoelde sanctie op aan de producent.

(…)

Artikel 31

1. De (…) producent, die ingevolge de artikelen (…) 4 een heffing verschuldigd is of kan worden, is verplicht conform het bepaalde in artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 536/93 en conform de door het productschap gestelde regelen een administratie te voeren.

2. Het productschap kan ambtshalve de afgeleverde hoeveelheid vaststellen, indien de verplichtingen uit het eerste lid (…) niet of, naar het oordeel van het productschap, onvoldoende worden nagekomen."

Artikel 11, eerste lid, van de door het bestuur van het Productschap Zuivel vastgestelde Zuivelverordening 1994, Uitvoering regeling superheffing (PBO-blad 1994, 26) luidde ten tijde hier van belang:

" De producent is verplicht van alles wat zijn onderneming of bedrijf betreft op zodanige wijze aantekening te houden, dat daaruit te allen tijde de produktie, de voorraad en de ontvangen be- of verwerkte en afgeleverde hoeveelheden van melk, alsmede de op een en ander betrekking hebbende financiële gegevens kunnen worden gekend, en zodanige aantekeningen en gegevens gedurende tenminste 3 jaren te bewaren."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 15 mei 1996 heeft verweerders Centrale Organisatie Superheffing (hierna ook te noemen: verweerder) een door appellant op 12 mei 1996 ondertekend formulier ontvangen, waarmee opgave werd gedaan van de door hem in de heffingsperiode 1995/1996 rechtstreeks voor consumptie geleverde hoeveelheden melk en andere zuivelproducten. Hierbij is opgegeven dat de volgende in kilogrammen product uitgedrukte hoeveelheden zijn geleverd, met vermelding van de hieronder aangegeven vetpercentages:

Product Kilogrammen Vetpercentage

Melk 878

boter 162

overige (boeren)kaassoorten 10.046

karnemelk 4.860 0,6

yoghurt 1.685

- Op basis van voormelde opgave heeft verweerder voor de heffingsperiode 1995/1996 een realisatie in hoeveelheden melk geregistreerd van 101.439 kg.

- Op 4 april 1997 heeft een controle op het bedrijf van appellant plaatsgevonden door een ambtenaar van de AID met betrekking tot de opgave voor de heffingsperiode 1995/1996. In het hiervan opgemaakte rapport staat onder meer het volgende vermeld:

" Door veehouder A werd de hoeveelheid afgeleverde overige boerenkaas berekend aan de hand van de verkaasde liters melk, welke worden geregistreerd in het kaasboek.

(…)

Aangezien op het bedrijf geen verkoopadministratie aanwezig was van de hoeveelheden afgeleverde kaas werd deze hoeveelheid door de AID (…) berekend (…)"

Plasvergelijking

Produktie volgens N.R.S.-gegevens: 503.786 kg. (…)

Afgeleverd aan zuivelfabriek (Coberco): 304.697 kg. (…)

-------------

Beschikbaar 199.089 kg.

Afgeleverd voor rechtstreekse consumptie

volgens berekening A.I.D.:

- melk - 878 kg.

- karnemelk - 17.773 kg.

- yoghurt - 1.685 kg.

- kaasmelk - 107.398 kg.

-------------

127.734 kg. 127.734 kg

-------------

Verschil 71.355 kg

Volgens verklaring veehouder A moet het vastgestelde verschil als volgt worden verklaard:

1. Vervoedering aan kalveren : ca. 31.840 ltr.

2. Vaststelling produktie via

N.R.S.-gegevens te hoog : ca. 7.350 ltr.

3. Afval van zuivelprodukten : ca. 15.000 ltr.

4. Penicilline in melk : ca. 23.715 ltr.

5. Eigen verbruik melk en melkpr. : ca. 3.650 ltr.

Ter zake de hierboven gerelateerde hoeveelheden is geen administratie getoond.

Aangezien geconstateerd werd dat veehouder A een onjuiste opgave had ingediend ter zake geleverde karnemelk en boerenkaas en de aanwezige administratie onvolledig bleek, werd hem proces-verbaal aangezegd."

- Desgevraagd is door de AID een aanvullende rapportage, gedateerd 16 november 1997, aan verweerder uitgebracht. Hierin is de hoeveelheid niet-verantwoorde melk op in totaal 84.894 kg gesteld.

- Bij brief van 17 april 1998 heeft verweerder appellant bericht dat hij de door appellant in de heffingsperiode 1995/1996 rechtstreeks voor consumptie geleverde hoeveelheid melk en andere zuivelproducten ambtshalve heeft vastgesteld op 190.105 kg melkequivalent. Gelet op het gebruiksquotum van appellant van 112.895 kg leidt dit tot een overschrijding van 77.210 kg, waarvoor een bedrag van fl. 58.880,35 aan superheffing in rekening wordt gebracht. Verweerder heeft dienaangaande het volgende overwogen:

" Op grond van het gestelde in het in kopie bijgevoegde AID-rapport (…) hebben wij de hoeveelheden melk en/of andere zuivelproducten die u rechtstreeks voor consumptie heeft geleverd in de heffingsperiode 1995/1996 volgens de bijlage ambtshalve vastgesteld op grond van artikel 31 lid 2 Regeling superheffing 1993.

Van de in de bijlage vermelde hoeveelheden is door u geen volledige opgave gedaan aan de Centrale Organisatie Superheffing (COS), zoals voorgeschreven ten aanzien van de genoemde heffingsperiode bij of krachtens artikel 29 lid 1 Regeling superheffing 1993. Opgave van de juiste rechtstreekse verkoop had vòòr 15 mei 1996 moeten plaatsvinden aan de COS.

De vaststelling dat de opgaveverplichting niet tijdig (en volledig) is nagekomen, betekent dat toepassing moet worden gegeven aan artikel 4, 2e lid verordening (EEG) Nr. 536/93. U bent derhalve superheffing verschuldigd over de totale overschrijding van uw consumentenquotum voor de periode 1995/1996 (…)."

- Op 2 december 1998 heeft appellant, bijgestaan door zijn gemachtigde, zijn bezwaar toegelicht ten overstaan van een hoorcommissie van verweerder.

- Appellant heeft bij brief van 28 mei 1998 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 april 1998. De gronden voor het bezwaar heeft appellant aangevoerd in een brief van 21 juli 1998, waarin hij onder meer stelt:

" De verwerking van rauwe melk tot zuivelproducten vindt op het bedrijf van cliënt als volgt plaats.

Slechts de ochtendmelk kan allereerst worden gebruikt voor de zuivelverwerking. De reden daarvoor is dat cliënt niet beschikt over verwarmingsapparatuur om de melk weer op te warmen. Zou hij avondmelk wensen te gebruiken, dan zal hij deze de volgende morgen dienen aan te wenden, echter zal deze dan eerst dienen te worden verwarmd om te kunnen worden verwerkt. Dit is uiteraard bij ochtendmelk niet het geval nu deze door cliënt op juiste temperatuur direct kan worden verwerkt.

De kaasmakerij is ongeveer 100 meter verwijderd van het melklokaal. Tijdens het melken van de koeien wordt de ochtendmelk in een weidetank gepompt. Deze weidetank wordt vervolgens, nadat zij is gevuld, getransporteerd naar de verwerkingsruimte. Deze heeft een capaciteit van maximaal 600 liter. Uiteraard wordt bij het vullen van deze tank nooit de maximale vulhoogte bereikt, aangezien in verband met het transport naar de zuivelverwerkingsruimte de volle tank teveel morsproblemen geeft.

Derhalve is uitgegaan van een gemiddelde vulcapaciteit van 560 liter. Aangezien de gemiddelde dagproductie van het bedrijf circa 1.400 kilogram melk betreft, kan in elk geval duidelijk gemaakt worden dat op de ochtend maximaal één keer de weidetank kan worden gevuld. De rest van de die ochtend gemolken hoeveelheid wordt aan de fabriek geleverd, dan wel aan de kalveren vervoederd."

- Bij besluit van 2 februari 1999 heeft verweerder een beslissing genomen op het bezwaar van appellant.

- Appellant heeft op 15 maart 1999 beroep bij het College ingesteld tegen het besluit van 2 februari 1999. Het onderzoek ter zitting in deze zaak heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2000.

- Bij uitspraak van 4 april 2001 heeft het College het besluit van 2 februari 1999 vernietigd en bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar diende te beslissen.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de ambtshalve door hem vastgestelde, door appellant in de heffingsperiode 1995/1996 rechtstreeks voor consumptie geleverde hoeveelheid melk en andere zuivelproducten verlaagd tot 132.222 kg melkequivalent. Gelet op het gebruiksquotum van appellant van 112.895 kg leidt dit tot een overschrijding van 18.966 kg, waarvoor een bedrag van fl. 14.463,47 aan superheffing in rekening wordt gebracht. Hiertoe heeft verweerder op de aanvankelijk ambtshalve door hem vastgestelde hoeveelheid aftrekken toegepast in verband met vervoedering van melk op het eigen bedrijf, eigen consumptie door twee gezinnen en vernietigde penicillinemelk. Bij de door hem met betrekking tot deze posten toegepaste verminderingen heeft verweerder de door appellant terzake betrokken stellingen volledig gevolgd.

Het enige punt waarop het bezwaar van appellant tegen de omvang van de ambtshalve vaststelling niet is gehonoreerd betreft diens argument met betrekking tot de verwerkingscapaciteit. Hieromtrent is in het bestreden besluit het volgende overwogen:

" In de aanvulling op de bezwaarschriften, in brieven van 21 juli 1998, heeft u een uiteenzetting gegeven over de verwerkingscapaciteit van het bedrijf van uw cliënt. Aan de hand hiervan heeft u de maximale verwerkingscapaciteit voor 1995/96 (…) berekend. U stelt dat hieruit blijkt dat uw cliënt onmogelijk de door de COS aan de verschillende consumentenproducten toegerekende hoeveelheden kan hebben geproduceerd. Uit de berekening blijkt zelfs dat uw cliënt meer heeft opgegeven dan is verkocht.

Uw berekening gaat uit van een aantal aannames ten aanzien van de bedrijfs-voering waarvan onzerzijds niet kan worden aangetoond dat deze niet juist zijn. Dit sluit niet uit dat andere situaties denkbaar zijn.

Bijvoorbeeld: uitgaande van door u omschreven werkwijze waarin gebruik gemaakt wordt van een weidetank met de door u aangeven capaciteit is het wellicht mogelijk om deze 2x (gedeeltelijk) te vullen en te vervoeren naar de plaats waar de zuivelproducten geproduceerd worden. Ook komt het voor dat veehouders de avondmelk nog op dezelfde dag verwerken. Bovendien betekent de ambtshalve vaststelling van de leveringen van (het melkequivalent van) niet verantwoorde melk niet dat het productschap het standpunt inneemt dat het daarbij per se om be-/verwerkte melk gaat. Ook (onverwerkte) melk kan worden geleverd."

In het verweerschrift wordt voorts gesteld:

" Het productschap is (…) van oordeel dat (…) is uitgegaan van een alleszins redelijke en verantwoorde schatting van de door appellant in de betrokken heffingsperiodes geleverde hoeveelheden.

Daarbij komt dat de mate waarin de in de herziene beslissing vastgestelde hoeveelheid afwijkt van de door appellant berekende verwerkingscapaciteit gering is."

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep twee grieven aangevoerd. Ten aanzien van de eerste grief vermeldt het beroepschrift het volgende:

" Verweerder heeft (…) volstrekt nagelaten feitelijk onderzoek op het bedrijf van appellant te verrichten. Ook thans blijkt dat de door verweerder vastgestelde geleverde hoeveelheden over de heffingsperiode 1995/1996 de maximale verwerkingscapaciteit van appellant overschrijden. Daarbij is bovendien door verweerder op geen enkele wijze rekening gehouden met het feit, dat niet aannemelijk is dat de verwerkingscapaciteit ook inderdaad maximaal is benut. Verweerder heeft volledig nagelaten op welke wijze op het bedrijf van appellant wordt en werd geproduceerd. De stelling van verweerder dat ook onverwerkte melk kan worden geleverd, is ook overigens in het geheel niet onderbouwd."

De tweede grief is in het beroepschrift als volgt verwoord:

" Appellant blijft van mening, dat toepassing van de vereveningsruimte over het heffingsjaar 1995/1996 wel degelijk had moeten plaatsvinden. Het vereveningspercentage bedroeg in dat heffingsjaar 19%. Appellant verwijst daarvoor naar het door hem gestelde in het beroepschrift van 6 april 1999 (…).

Appellant merkt daarbij nog op, dat niet gebleken is dat door hem een aantoonbaar onjuiste opgave voor dat heffingsjaar is gedaan. Slechts het ontbreken van, in de ogen van het Productschap Zuivel, voldoende administratie, heeft ertoe geleid dat verweerder zelf bij wijze van ambtshalve vaststelling, welke bevoegdheid verweerder ook heeft, geleverde hoeveelheden heeft vastgesteld. In het geheel genomen gaat het echter om geringe overschrijdingen. Voor zover de berekeningsmethodiek van het Productschap Zuivel voor de vastgestelde leveringen over het heffingsjaar 1995/1996 al juist zouden zijn, betekent dit in elk geval dat deze hoeveelheden binnen de vereveningsruimte van 19% zouden vallen.

Een redelijke uitleg van verordening 536/93 brengt naar de mening van appellant dan ook met zich mee dat deze in casu moet worden toegepast."

In aanvulling op de tweede grief heeft appellant ter zitting gewezen op de achtergrond die artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 536/93 heeft blijkens de vijfde overweging van haar considerans, en op de verbalisering van appellant op grond van overtreding van de Regeling superheffing c.q. de Zuivelverordening.

Voorts heeft appellant in dit verband gevraagd een beslissing aan te houden totdat het Hof van Justitie heeft geantwoord op door het College gestelde vragen in de zaak met nummer AWB 00/392.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ten aanzien van de eerste grief overweeg het College als volgt.

Blijkens het AID-rapport van 4 april 1997 beschikte appellant niet over een verkoop-administratie van de hoeveelheden afgeleverde kaas. Reeds deze omstandigheid brengt mee dat appellant de op hem ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder f, van Verordening (EEG) nr. 536/93 rustende boekhoudverplichting niet heeft nageleefd. Het College blijft dan ook bij het in zijn uitspraak van 4 april 2001 neergelegde oordeel dat verweerder ingevolge artikel 31, tweede lid, van de Regeling superheffing 1993 bevoegd was om ambtshalve de afgeleverde hoeveelheid vast te stellen. Naar in bedoelde uitspraak is overwogen, kan een dergelijke vaststelling noodzakelijkerwijs niet anders zijn dan een schatting, maar deze schatting moet, met gebruikmaking van de wel bekende gegevens, hetgeen zich daadwerkelijk heeft voorgedaan zo dicht mogelijk benaderen.

Als uitgangspunt voor zijn schatting heeft verweerder de - niet door fabrieksleveringen gedekte - melkproductie genomen, zoals deze door hem op grond van de beschikbare NRS-gegevens voor de heffingsperiode 1995/1996 is berekend. Hierop zijn verminderingen toegepast in verband met vervoedering, eigen gebruik en penicillinemelk, alles volledig overeenkomstig door appellant terzake gedane beweringen. Uiteindelijk is verweerder gekomen tot de door hem berekende hoeveelheid van 132.222 kg.

Hiertegenover heeft de gemachtigde van appellant ter zitting op 18 oktober 2000 een berekening gegeven, waaruit volgens hem zou blijken dat de maximale verwerkingscapaciteit, uitgaande van de feitelijke situatie waarin slechts eenmaal per dag de weidetank werd gebruikt, 131.600 liter bedraagt. Bij deze berekening is uitgegaan van de in bezwaar door appellant betrokken stelling dat de tank een capaciteit heeft van 600 liter, maar - om morsen bij het transport te voorkomen - slechts voor 90% wordt gevuld.

De aldus door appellant berekende hoeveelheid, omgerekend naar kilogrammen, is niet kleiner dan, en wijkt in elk geval niet relevant af van, de door verweerder geschatte hoeveelheid. Derhalve vormt de door appellant gestelde maximale verwerkingscapaciteit geen grondslag voor een lagere schatting dan die van verweerder.

Nu verweerders schatting verenigbaar is met de benadering van appellant die uitgaat van het eenmaal per dag benutten van de weidetank, valt niet in te zien welke zin het zou hebben door middel van een bedrijfsbezoek vast te stellen of de tank inderdaad maar eenmaal per dag wordt gebruikt. Ten onrechte verwijt appellant verweerder dan ook op dit punt nalatig te zijn gebleven.

De ter zitting op 9 oktober 2002 door appellant betrokken stelling dat zijn tank van 600 liter niet altijd tot 560 liter wordt gevuld, leidt het College niet tot een ander oordeel, nu het gerechtvaardigd is te verlangen dat voor een meer genuanceerde berekening van de zijde van de opgaveplichtige bewijs wordt aangedragen, welk bewijs niet voorhanden is. Het College laat daar of het in dit late stadium betrekken van een geheel nieuwe stelling zich verdraagt met een behoorlijke procesorde.

Gelet op het vorenoverwogene faalt de eerste grief.

5.2 Ten aanzien van de tweede grief overweegt het College als volgt.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 536/93 is de producent die de termijn welke geldt voor toezending van de verklaring, bedoeld in artikel 4, eerste lid, niet inachtneemt, heffing verschuldigd over de gehele overschrijding van zijn consumenten-quotum.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 536/93 bevat bedoelde verklaring, gespecificeerd naar product, een recapitulatie van de hoeveelheid verkochte zuivelproducten.

Nu de eerste grief van appellant faalt, komt het besluit tot ambtshalve vaststelling rechtens vast te staan en dient ervan te worden uitgegaan dat appellant de hierin vastgestelde hoeveelheid melkequivalent van 132.222 kg rechtstreeks voor consumptie heeft verkocht. Aangezien de op 15 mei 1996 door appellant gedane opgave van door hem rechtstreeks voor consumptie geleverde producten een aanzienlijk geringere hoeveelheid melk-equivalent vertegenwoordigt, kan deze opgave niet worden aangemerkt als verklaring waarin de hoeveelheid verkochte zuivelproducten wordt gerecapituleerd als vereist door artikel 4, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 536/93. Verweerder is daarom terecht tot toepassing van artikel 4, tweede lid, van deze verordening overgegaan.

De omstandigheid dat de overschrijding door appellant van zijn gebruiksquotum - welke overschrijding circa 17% bedroeg - achteraf bezien volledig binnen de voor de heffingsperiode 1995/1996 beschikbare vereveningsruimte had kunnen vallen, zodat alsdan geen heffing zou zijn verschuldigd, doet aan het vorenstaande niet af. Verordening (EEG) nr. 536/93 bevat geen bijzondere voorziening voor deze situatie.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet het College geen aanleiding te twijfelen omtrent de betekenis die toekomt aan het begrip "verklaring waarin de hoeveelheid van de rechtstreeks aan de consument verkochte melk wordt gerecapituleerd". Evenmin ziet het College hierin reden aan de geldigheid van de verordening te twijfelen op grond van het hierin ontbreken van een bijzondere voorziening als bedoeld in de voorgaande alinea van deze uitspraak.

Het College ziet evenmin aanleiding zijn oordeel over de onderhavige grief op te schorten totdat de in zaak AWB 00/392 gestelde prejudiciële vraag is beantwoord. Hiertoe overweegt het College dat de desbetreffende vraag ertoe strekt te vernemen hoever de administratieverplichting, voortvloeiend uit artikel 7, eerste lid, aanhef en onder f, van Verordening (EEG) nr. 536/93 reikt. Het antwoord op deze vraag is evenwel niet bepalend voor het antwoord op de vraag of appellant tijdig een verklaring als vereist door artikel 4, eerste lid, van deze verordening heeft ingediend.

De tweede grief van appellant faalt dus eveneens.

5.3 Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. M.J. Kuiper en mr. C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr. W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2003.

w.g. D. Roemers w.g. W.F. Claessens