Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF2743

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-01-2003
Datum publicatie
08-01-2003
Zaaknummer
AWB 01/1017
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit verdachte dieren
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Regeling aanwijzing besmettelijke dierziekten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/1017 7 januari 2003

11230

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

tegen

de Directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees, te Voorburg, verweerder,

gemachtigde: mr. E.J. Daalder, advocaat te Den Haag.

1. De procedure

Op 17 december 2001 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 15 november 2001 van verweerder. Bij dit besluit is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 mei 2001 van verweerder ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder, onder toepassing van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) en het Besluit verdachte dieren (hierna: Besluit), de evenhoevige dieren van appellant verdacht verklaard van mond- en klauwzeer (hierna: mkz) en heeft verweerder op grond van de Gwd een aantal maatregelen opgelegd respectievelijk aangezegd in verband met deze verdenking, waaronder doding van de evenhoevige dieren van appellant.

Op 18 februari 2002 heeft het College van verweerder een verweerschrift ontvangen.

Op 28 mei 2002 heeft het College op voorhand de pleitnota van appellant ontvangen.

Het College heeft het beroep behandeld ter zitting van 11 juni 2002, alwaar partijen hun standpunten nader hebben toegelicht. Ter zitting waren aanwezig appellant en de gemachtigde van verweerder. Aan de zijde van verweerder waren voorts aanwezig drs. A.M. Akkerman, mr. J.C.M. Oudshoorn en drs. S.N. Wiessenhahn, allen werkzaam op het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij te Den Haag, alsook drs. Ph.L. Eblé en E. van Rooij, beiden werkzaam bij het Centraal Instituut voor DierziektenControle te Lelystad, alsmede drs. P. van der Wal, werkzaam bij verweerder.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de preambule van Richtlijn 85/511/EEG van de Raad van 18 november 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen ter bestrijding van mond- en klauwzeer (Pb 1985, L315, blz. 11; hierna: Richtlijn 85/511/EEG) is onder meer het volgende overwogen:

" Overwegende dat één van de taken der Gemeenschap op veterinair gebied erin bestaat de gezondheidstoestand van de veestapel te verbeteren om tot een hogere rentabiliteit van de veehouderij te komen;

Overwegende dat mond- en klauwzeer zich bij het uitbreken meteen kan ontwikkelen tot een epizoötie die een zodanige sterfte en zulke verwikkelingen veroorzaakt, dat de rentabiliteit van de veehouderij in herkauwers en varkens ernstig in het gedrang kan komen;

Overwegende dat, zodra de aanwezigheid van de ziekte wordt vermoed, maatregelen moeten worden getroffen om de ziekte onmiddellijk doeltreffend te kunnen bestrijden nadat bevestiging van het vermoeden is verkregen (…)

Overwegende dat verbreiding van de ziekte van meet af aan moet worden voorkomen door een scherp toezicht op de verplaatsingen van de dieren en op het gebruik van mogelijk besmette stoffen, en eventueel door inenting;

(…)

Overwegende dat de bij deze richtlijn ingestelde regeling een experimenteel karakter heeft en aan de hand van de ontwikkeling van de situatie opnieuw moet worden bekeken,"

In de preambule van Richtlijn 90/423/EEG van de Raad van 26 juni 1990 tot wijziging van onder meer Richtlijn 85/511/EEG (Pb 1990, L224, blz. 13; hierna: Richtlijn 90/423/EEG), is onder meer het volgende overwogen:

" Overwegende dat, met het oog op de voltooiing van de interne markt per 1 januari 1993, de communautaire maatregelen die reeds zijn vastgesteld om mond- en klauwzeer in de Gemeenschap te bestrijden, moeten worden gewijzigd; dat het absoluut noodzakelijk is dat in de gehele Gemeenschap een eenvormig beleid wordt ingevoerd;

Overwegende dat uit een door de Commissie uitgevoerde studie inzake de bestrijding van mond- en klauwzeer is gebleken dat een niet-vaccinatiebeleid voor de Gemeenschap als geheel de voorkeur verdient boven een vaccinatiebeleid; (…)

Overwegende dat uit de studie van de Commissie over het toekomstige communautaire beleid inzake vaccinatie duidelijk is gebleken dat vanaf een bepaalde datum de vaccinatie tegen deze ziekte officieel moet worden stopgezet en dat die stopzetting vergezeld moet gaan van een beleid waarbij besmette dieren systematisch worden afgemaakt en afgevoerd voor destructie ("stamping out");

(…)

Overwegende dat het in extreme situaties waarin de epizoötie zich op grote schaal dreigt te verspreiden, noodzakelijk kan zijn noodvaccinaties uit te voeren; (…)"

De artikelen 1, 2, 4, 5 en 16 van Richtlijn 85/511/EEG, zoals deze zijn gewijzigd bij Richtlijn 90/423/EEG, luiden, voorzover hier van belang, als volgt:

" Artikel 1

In deze richtlijn worden de communautaire bestrijdingsmaatregelen vastgesteld die bij het uitbreken van mond- en klauwzeer, ongeacht de betrokken virussoort, moeten worden toegepast.

Artikel 2

Voor deze richtlijn (…) wordt verstaan onder:

(…)

c) besmet dier: alle voor de ziekte vatbare dieren waarop;

- klinische symptomen of na het slachten letsels werden vastgesteld die op mond- en klauwzeer kunnen duiden, of

- de aanwezigheid van mond- en klauwzeer officieel werd vastgesteld na laboratoriumonderzoek;

d) van besmetting verdacht dier: alle voor de ziekte vatbare dieren die klinische symptomen of na het slachten letsels vertonen, zodat met recht de aanwezigheid van mond- en klauwzeer mag worden vermoed;

e) van besmetting verdacht dier: alle voor de ziekte vatbare dieren die

- volgens de ingewonnen epizoötiologische inlichtingen - rechtstreeks of onrechtstreeks in contact kunnen zijn geweest met het mond- en klauwzeervirus.

Artikel 4

1. De Lid-Staten zien erop toe dat, wanneer er zich op een bedrijf een of meer van besmetting verdachte dieren bevinden, onverwijld een officieel onderzoek wordt ingesteld om na te gaan of deze ziekte al dan niet aanwezig is, en in het bijzonder dat de officiële dierenarts de passende monsters neemt of laat nemen voor laboratoriumonderzoek.

Zodra de bevoegde autoriteit van de verdenking in kennis gesteld is, laat zij het bedrijf onder officieel toezicht plaatsen en geeft zij met name opdracht:

- alle dieren van alle categorieën voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf te tellen en voor iedere categorie het aantal dieren aan te geven dat reeds gestorven is dan wel mogelijk besmet is; bij de telling moeten ook de dieren in aanmerking worden genomen die in de periode van verdenking geboren en gestorven zijn; de gegevens van deze telling moeten op verzoek worden overgelegd en kunnen bij elke inspectie worden gecontroleerd,

- alle voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf op stal te houden of onder te brengen op andere plaatsen waar zij geïsoleerd kunnen worden,

- te verbieden dat voor de ziekte vatbare dieren in of buiten het bedrijf worden gebracht,

- te verbieden dat andere soorten dieren in of buiten het bedrijf worden gebracht, tenzij de bevoegde autoriteit daartoe vergunning heeft verleend,

- te verbieden dat vlees of kadavers van voor de ziekte vatbare dieren alsmede diervoeders, gereedschap, voorwerpen of andere stoffen, zoals wol of afval, welke mond- en klauwzeer kunnen overbrengen, buiten het bedrijf worden gebracht, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit,

- te verbieden dat melk buiten het bedrijf wordt gebracht (…),

- het verkeer van personen komende van of gaande naar het bedrijf afhankelijk te stellen van een vergunning van de bevoegde autoriteit,

- de toegang tot of het verlaten van het bedrijf van voertuigen afhankelijk te stellen van een vergunning van de bevoegde autoriteit, die de voorwaarden vaststelt om verspreiding van het mond- en klauwzeervirus te voorkomen,

- geëigende ontsmettingsmiddelen te gebruiken bij de in- en uitgangen van de stallen van de voor ziekte vatbare dieren en van het bedrijf,

- een epizoötiologisch onderzoek uit te voeren overeenkomstig de artikelen 7 en 8.

(…)

Artikel 5

Zodra is bevestigd dat zich in een bedrijf een of meer dieren als omschreven in artikel 2, onder c), bevinden, zien de Lid-Staten erop toe dat de bevoegde autoriteit de volgende maatregelen neemt:

1. de officiële dierenarts neemt de passende monsters of laat deze nemen met het oog op de onderzoeken door het in de bijlage vermelde laboratorium, wanneer deze monsternemingen en onderzoeken niet zijn verricht tijdens de periode van verdenking overeenkomstig artikel 4, lid 1, eerste alinea;

2. naast de in artikel 4, lid 1, genoemde maatregelen, worden onverwijld de volgende maatregelen getroffen:

- worden alle voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf onder officieel toezicht ter plaatse afgemaakt, op zodanige wijze dat alle gevaar voor verspreiding van het mond- en klauwzeervirus kan worden voorkomen,

- worden voornoemde dieren, na het afmaken, onder officieel toezicht vernietigd, op zodanige wijze dat alle gevaar voor verspreiding van het mond- en klauwzeervirus kan worden voorkomen,

(…)

3. de onder 1 bedoelde bepalingen kunnen buiten werking worden gesteld wanneer een secundaire besmettingshaard optreedt die epidemiologisch is verbonden met een primaire besmettingshaard waarvoor reeds monsters zijn genomen;

4. de bevoegde autoriteit kan de onder 1 bedoelde maatregelen uitbreiden tot de onmiddellijk aangrenzende bedrijven, wanneer in verband met de ligging hiervan, de plaatselijke situatie of de contacten met de dieren van het bedrijf waar de ziekte werd geconstateerd, voor een besmetting moet worden gevreesd.

Artikel 16

1. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure, leidt de Voorzitter van het (…) Permanent Veterinair Comité, hierna het "Comité" te noemen, deze procedure, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van een Lid-Staat, onverwijld in bij het Comité.

2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt binnen de twee dagen advies uit over dit ontwerp. Het Comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij stemming in het Comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De Voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

3. De Commissie stelt de maatregelen vast en legt deze onmiddellijk ten uitvoer wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité. Wanneer zij hiermee niet in overeenstemming zijn of wanneer het Comité geen advies heeft uitgebracht, doet de Commissie onverwijld een voorstel aan de Raad betreffende de te nemen maatregelen. De Raad stelt de maatregelen vast met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad binnen een termijn van 15 dagen na de indiening van het voorstel geen maatregelen heeft genomen, stelt de Commissie de voorgestelde maatregelen vast en legt zij deze onmiddellijk ten uitvoer, behalve wanneer de Raad zich met gewone meerderheid tegen deze maatregelen heeft uitgesproken."

Artikel 10 van Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en produkten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (Pb 1990, L224, blz. 29; hierna: Richtlijn 90/425/EEG) luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

" 1. Elke Lid-Staat stelt de andere Lid-Staten en de Commissie onmiddellijk in kennis, niet alleen van het uitbreken op zijn grondgebied van de in Richtlijn 82/894/EEG bedoelde ziektes, maar ook van het uitbreken van zoönoses, ziektes of andere aandoeningen die voor de veestapel of voor de gezondheid van de mens een ernstig gevaar kunnen opleveren.

De Lid-Staat van verzending legt onmiddellijk de door de communautaire voorschriften voorgeschreven bestrijdings- of preventiemaatregelen ten uitvoer, met name de afbakening van de daarin bedoelde beschermingszones, of stelt elke andere maatregel vast die hij passend acht.

(…)"

Zowel in de preambule van Beschikking 2001/246/EG van de Commissie van 27 maart 2001, houdende vaststelling van voorschriften voor de bestrijding en de uitroeiing van mond- en klauwzeer in Nederland op grond van artikel 13 van Richtlijn 85/511/EEG (Pb 2001, L88, blz. 21) als in de preambule van Beschikking 2001/279/EG van de Commissie van 5 april 2001 (Pb 2001, L96, blz. 19), waarbij eerstgenoemde beschikking is gewijzigd, is onder meer overwogen:

" Deze beschikking heeft ten doel vast te stellen onder welke voorwaarden Nederland noodvaccinatie mag toepassen"

In de Gwd is onder meer het volgende bepaald (tekst zoals luidend ten tijde hier van belang):

" Hoofdstuk II

(…)

Afdeling 3

Artikel 15

1. Deze afdeling is van toepassing op door Onze Minister aangewezen besmettelijke dierziekten bij:

a. vee;

(…)

4. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer dieren als verdachte dieren moeten worden aangemerkt.

(…)

Artikel 17

1. Onze Minister kan hetzij voor geheel Nederland, hetzij voor bepaalde gedeelten daarvan, bevelen dat dieren die door een besmettelijke dierziekte kunnen worden aangetast, daartegen op een door hem te bepalen wijze voorbehoedend worden behandeld, worden gemerkt, worden opgesloten of aangelijnd, dan wel voor die dieren andere maatregelen bevelen ter voorkoming van overbrenging van besmetting.

(…)

(…)

Artikel 21

1. Een door Onze Minister aangewezen ambtenaar deelt de burgemeester (…) zo spoedig mogelijk mede welke maatregelen tot bestrijding van de ziekte door hem nodig worden geacht.

(…)

3. In spoedeisende gevallen neemt de in het eerste lid bedoelde ambtenaar deze maatregelen zelf en stelt hij de burgemeester daarvan onmiddellijk in kennis.

Artikel 22

1. De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn:

(…)

f. het doden van zieke en verdachte dieren;

(…)

(…)

Artikel 24

1. Een door Onze Minister aangewezen ambtenaar stelt het tijdstip vast waarop de verdenking is ontstaan dat een dier lijdt aan een besmettelijke dierziekte alsmede het tijdstip waarop deze verdenking eindigt.

2. De in het eerste lid bedoelde tijdstippen worden schriftelijk ter kennis van de houder van het betreffende dier gebracht. (…)

(…)

Hoofdstuk IX

(…)

Artikel 109

Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven."

In artikel 2, aanhef en onder b, Regeling aanwijzing besmettelijke dierziekten (Staatscourant 1996, 61; ten tijde hier van belang laatstelijk gewijzigd als gepubliceerd in Staatscourant 1999, 187) is mkz aangewezen als besmettelijke dierziekte bij vee als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, Gwd.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder c, van het Besluit (Staatsblad 1994, 731; ten tijde hier van belang laatstelijk gewijzigd als gepubliceerd in Staatsblad 1998, 667) worden dieren als verdachte dieren aangemerkt, indien de aangewezen ambtenaar redenen heeft om aan te nemen dat de dieren in de gelegenheid zijn geweest om te worden besmet, en de diersoort voor de desbetreffende besmettelijke dierziekte vatbaar is. Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit blijven dieren die op grond van artikel 2, onderdeel c, van het Besluit als verdacht van mkz worden aangemerkt verdacht gedurende een periode van eenentwintig dagen.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Ten tijde van de mkz-epidemie 2001 hield appellant angorageiten te X.

- Bij besluit van 23 mei 2001 heeft verweerder appellant medegedeeld dat zijn evenhoevige dieren op grond van artikel 2, onderdeel c, van het Besluit met ingang van 23 mei 2001 als verdacht van mkz worden aangemerkt, omdat in de omgeving waar deze dieren zich bevinden verschillende gevallen van mkz zijn vastgesteld. Bij genoemd besluit van 23 mei 2001 heeft verweerder voorts, onder verwijzing naar artikel 21, derde lid, Gwd, een aantal maatregelen krachtens deze wet getroffen en heeft verweerder overwogen dat het noodzakelijk is dat de verdachte dieren met toepassing van artikel 22, eerste lid, aanhef en onder f, Gwd worden gedood.

- Op 23 mei 2001 zijn de angorageiten van appellant gedood.

- Bij brief van 12 juni 2001 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 mei 2001.

- Nadat appellant op 8 oktober 2001 was gehoord over zijn bezwaar van 12 juni 2001, heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het verweer

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, samengevat weergegeven, het volgende overwogen.

Dat de dieren van appellant niet bedrijfsmatig werden gehouden, doet niet af aan de rechtmatigheid van het besluit tot verdachtverklaring. Het ligt niet voor de hand bij de dierziektebestrijding onderscheid te maken tussen al dan niet bedrijfsmatig gehouden dieren. De toepasselijke regelgeving noopte verweerder daar ook niet toe.

Bij mkz gaat het om een zeer besmettelijk virus, dat zich razendsnel over een veestapel kan verspreiden. Om dit virus adequaat te bestrijden, zijn verregaande maatregelen noodzakelijk. In de regio Oene, waartoe X in dit verband is gerekend, bleek het aanvankelijk gevoerde beleid niet afdoende om het virus tot staan te brengen. Daarom is en kon worden besloten tot noodvaccinatie en doding van de evenhoevigen in deze regio. Aangezien het aanvankelijk gevoerde beleid - preventieve doding van de evenhoevigen binnen een straal van één, later twee kilometer rond een besmettingshaard - buiten de regio Oene wél afdoende bleek om verdere verspreiding van het virus te voorkomen, kan de situatie binnen de regio Oene niet worden vergeleken met de situatie elders en faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Ter nadere toelichting op de begrenzing van het gebied waarop de beslissingen van verweerder tot verdachtverklaring, (eventueel) noodvaccinatie en doding van evenhoevigen betrekking hadden (hierna ook: driehoek), is ter zitting van het College van de zijde van verweerder verklaard dat onvermijdelijk is dat een dergelijke begrenzing een tot op zekere hoogte arbitrair karakter heeft. Verweerder zag zich geplaatst voor de opgave enerzijds de grenzen van het gebied voldoende ruim te trekken om de verspreiding van het virus tot staan te brengen, terwijl anderzijds diende te worden voorkomen dat het gebied dermate groot zou worden dat dieren zonder veterinaire noodzaak zouden worden gedood. Hiervan uitgaande heeft verweerder, in aanmerking nemend het patroon van mkz-uitbraken in de regio Oene en de noodzaak een gebied met duidelijke grenzen aan te wijzen, na raadpleging van veterinaire deskundigen besloten de driehoek aan te wijzen. Verweerder is van mening dat hij juist heeft gehandeld en dat de door hem gevolgde handelwijze door het College slechts uiterst marginaal behoort te worden getoetst.

Ook na vaccinatie van de dieren in de omgeving van appellant was sprake van een veterinaire noodzaak tot doding van de dieren van appellant. Dieren die zijn gevaccineerd in een gebied waar mkz heerst, kunnen met het virus zijn besmet voordat vaccinatie heeft plaatsgevonden. Aangezien pas vanaf vijf dagen na besmetting antilichamen worden aangemaakt, blijkt een dergelijke besmetting niet uit de bij de vaccinatie genomen bloedmonsters. Voorts is mogelijk dat dieren in de eerste dagen na vaccinatie alsnog besmet raken, omdat een gevaccineerd dier pas na tien tot veertien dagen optimaal is beschermd tegen mkz. Met name in de periode van vijf dagen voor vaccinatie tot vijf dagen na vaccinatie kan een dier met mkz worden besmet. Een dergelijke besmetting is nadien niet aantoonbaar met behulp van bloedonderzoek. Daarmee kan slechts worden vastgesteld of antilichamen zijn aangemaakt, niet of deze aanmaak het gevolg is van de vaccinatie of van een besmetting.

Dieren die kort voor of kort na vaccinatie besmet zijn geraakt, zijn zelf beschermd door de vaccinatie en vertonen geen klinische verschijnselen van mkz, maar kunnen wel drager van het virus zijn; een zogenaamd carrierdier. Het virus kan zich langere tijd, gedurende een aantal maanden, in een carrierdier bevinden. Gelet hierop bestond wel degelijk een risico dat de dieren van appellant reeds waren besmet door carrierdieren in de omgeving. Dat risico bestond op 23 mei 2001 nog steeds. Daarnaast bestond het risico van besmetting door niet gevaccineerde verdachte dieren in de regio Oene.

Het afwachten van bloedonderzoek was vanwege de daarmee gemoeide tijd, de besmettelijkheid en de snelheid van verspreiding van het virus, geen reële optie. Los daarvan kon niet worden uitgesloten, zo is van de zijde van verweerder ter zitting van het College nader aangevoerd, dat de dieren bijvoorbeeld drie dagen voor het nemen van de bloedmonsters alsnog besmet zouden raken. Ook indien de uitkomst van het bloedonderzoek negatief zou zijn geweest, had dit geen garantie betekend dat de dieren van appellant niet (alsnog) waren besmet.

Dat het besluit tot verdachtverklaring op 23 mei 2001 is genomen, kan niet los worden gezien van de omstandigheid dat verweerder pas op 10 mei 2001 bekend is geworden met het bestaan van de dieren van appellant, de datum waarop appellant deze dieren eigener beweging heeft aangemeld. Ter zitting van het College heeft verweerder hieraan toegevoegd dat appellant een formulier heeft overgelegd waaruit blijkt dat zijn dieren op 12 april 2001 zijn geregistreerd bij de Gezondheidsdienst voor Dieren. Op 12 april 2001 was de mkz-crisis in volle gang en in deze hectische periode heeft het kunnen gebeuren dat deze registratie verweerder niet heeft bereikt, in elk geval niet voordat appellant zijn dieren zelf bij verweerder aanmeldde.

Dat werd toegestaan gevaccineerde dieren in het slachthuis te doden, betekent niet dat kan worden afgezien van doding van deze dieren. Veertien dagen na vaccinatie is de opbouw van antilichamen optimaal, terwijl de hoeveelheid smetstof die kan worden uitgescheiden tot een minimum is gedaald. Mede in aanmerking genomen dat doding in slachthuizen de capaciteit sterk deed toenemen en minder emoties losmaakte bij veehouders en andere betrokkenen, heeft verweerder doding in slachthuizen acceptabel geacht. Dit laat het gevaar van besmetting door carrierdieren evenwel onverlet.

In het besluit tot verdachtverklaring van 23 mei 2001 is vermeld dat daartegen bezwaar kon worden gemaakt. Daarnaast kon appellant een verzoek om voorlopige voorziening indienen. Ter zitting van het College is hieraan toegevoegd dat appellant ook voorafgaand aan het besluit tot verdachtverklaring, dat voor hem niet als een verrassing kan zijn gekomen, voldoende tijd heeft gehad zich te oriënteren op de voor hem openstaande rechtsmiddelen. Dat de dieren op de dag van uitreiking van het besluit tot verdachtverklaring zijn gedood, betekent niet dat dit besluit onrechtmatig is.

Over de tegemoetkoming in de schade wordt - naar verweerder heeft gesteld - een afzonderlijk besluit genomen, waartegen rechtsmiddelen openstaan. Het schadeaspect vormt derhalve geen onderdeel van de onderhavige besluitvorming.

4. Het standpunt van appellant

In zijn beroepschrift heeft appellant, voorzover van belang, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Het College is in deze zaak niet competent, daar appellant zijn dieren niet bedrijfsmatig hield.

Aangezien in het besluit tot verdachtverklaring steeds over "bedrijf" wordt gesproken, is dit besluit niet rechtsgeldig.

Tussen het tijdstip van verdachtverklaring en het moment van doding was, mede gelet op de omstandigheid dat de dieren tussentijds zijn getaxeerd, zo weinig tijd gelegen dat appellant feitelijk geen mogelijkheid had tot het gebruik van rechtsmiddelen. Dat verweerder stelt dat met de grootst mogelijke voortvarendheid diende te worden opgetreden, valt niet te rijmen met (-) het tijdverloop tussen de aanmelding van de dieren van appellant en het besluit tot verdachtverklaring en (-) het feit dat zijn dieren nooit zijn gevaccineerd. Gelet hierop kan appellant zich niet aan de indruk onttrekken dat verweerder het besluit tot verdachtverklaring bewust zo kort mogelijk voor de doding heeft uitgereikt.

Ter zitting van het College heeft appellant aangevoerd dat hij zijn dieren op 12 april 2001 heeft aangemeld bij de Gezondheidsdienst voor Dieren. Op die datum, althans binnen een week daarna, had verweerder zijn dieren verdacht kunnen verklaren en preventieve maatregelen kunnen treffen. Op 23 mei 2001 waren meer dan eenentwintig dagen verstreken sinds de dieren verdacht hadden kunnen worden verklaard, zodat verweerder niet meer tot verdachtverklaring kon besluiten.

De in artikel 7:10 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde beslistermijnen zijn overschreden.

Dat het besluit op bezwaar zonder vooringenomenheid is voorbereid en genomen, acht appellant niet aannemelijk. Tijdens de hoorzitting waren een medewerker van verweerder en medewerkers van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (directie Juridische Zaken en directie Voedings- en Veterinaire Aangelegenheden) aanwezig. Niet aannemelijk is dat deze personen niet betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van het door verweerder gevoerde beleid. Hierbij komt dat het verslag van de hoorzitting zeer tendentieus, onjuist en onvolledig is. Om deze reden heeft appellant een aanvulling op het verslag aan verweerder gezonden, waarop geen enkele reactie is gevolgd.

Op 3 april 2001 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij besloten dat alle evenhoevigen in de regio Oene zouden worden gevaccineerd en gedood. Aldus stond al vast dat de dieren van appellant zouden worden gedood, voordat duidelijk was of deze dieren als verdacht in de zin van het Besluit konden worden aangemerkt. Het besluit tot verdachtverklaring dient slechts tot legitimatie van de op 3 april 2001 genomen beslissing. Immers, dat zes weken nadat op zes kilometer afstand van de dieren van appellant een besmetting met mkz was geconstateerd nog een veterinaire noodzaak tot doding van de dieren van appellant zou bestaan, ofschoon deze dieren geen ziekteverschijnselen vertoonden en niet waren gevaccineerd (en dus geen carrierdieren konden zijn), kan niet worden staande gehouden. Dat het besmettingsgevaar was geweken, blijkt tevens uit het feit dat de medewerkers van verweerder en de Algemene Inspectiedienst op 23 mei 2001 geen gebruik hebben gemaakt van de aanwezige ontsmettingsbak of douchewagen en evenmin hun overalls hebben weggegooid. Daarbij komt nog dat hobbydierhouders minder "menscontacten" hebben dan veehouders die bedrijfsmatig dieren houden.

Het vaccinatiegebied is willekeurig gekozen. Hoewel in de gemeente Apeldoorn geen enkele besmetting was geconstateerd, lag een groot gedeelte van deze gemeente in het vaccinatiegebied. De gemeente Olst, waar wel mkz is vastgesteld, lag niet binnen het vaccinatiegebied. Evenmin is duidelijk waarom het buurtschap Y, dat grenst aan X, niet in het vaccinatiegebied is opgenomen. Door de willekeurige keuze van het vaccinatiegebied heeft verweerder gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Bovendien zijn de dieren van appellant helemaal niet gevaccineerd en bestond derhalve geen risico op carrierschap.

Dat op grond van de minst ernstige vorm van verdenking (artikel 2, aanhef en onder c, van het Besluit) de meest vergaande maatregel is getroffen (doding op grond van de artikelen 21 en 22 Gwd), moet als buitenproportioneel worden aangemerkt.

Ter compensatie van het onrecht dat zijn dieren, zijn gezin en hemzelf is aangedaan, wenst appellant in staat te worden gesteld op kosten van verweerder in Noord-Amerika of Zuid-Afrika twee hoogwaardige angorageiten te kopen en in Nederland te importeren.

5. De beoordeling van het beroep

5.1 In dit geding staat centraal de vraag of verweerder terecht en op juiste gronden heeft besloten tot het (doen) treffen van de hiervoor weergegeven maatregelen, waarvan met name de doding van de dieren van appellant in geschil is. In dit verband dienen in beginsel in aanmerking te worden genomen de ten tijde van het primaire besluit geldende regelgeving en de feiten en omstandigheden die toentertijd bekend waren dan wel bekend hadden dienen te zijn.

5.2 Het College gaat eerst in op een aantal door appellant aan de orde gestelde (voor)vragen.

5.2.1 Verweerder heeft de bij besluit van 23 mei 2001 opgelegde maatregel tot doding van de dieren van appellant gebaseerd op artikel 21 juncto artikel 22, eerste lid, aanhef en onder f, Gwd. Derhalve is, gelet op artikel 109 Gwd, het College bevoegd te oordelen over het beroep van appellant.

5.2.2 Naar aanleiding van hetgeen appellant heeft aangevoerd over de tijdstippen van respectievelijk het ontstaan en eindigen van een op zijn dieren rustende verdenking van mkz, overweegt het College dat de in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit genoemde termijn van eenentwintig dagen ingevolge artikel 24, eerste lid, Gwd eerst een aanvang neemt op de in het besluit tot verdachtverklaring genoemde datum, in dit geval 23 mei 2001. Nu de dieren van appellant nog diezelfde dag zijn gedood, is geen sprake van overschrijding van de in het Besluit genoemde termijn van eenentwintig dagen.

Het betoog van appellant dat verweerder eerder tot verdachtverklaring had dienen te besluiten, faalt in verband met de omstandigheid dat appellant zijn dieren niet vóór 10 mei 2001 heeft aangemeld bij verweerder. Dat registratie van deze dieren op 12 april 2001 heeft plaatsgevonden bij de, niet tot verweerders dienst behorende, Gezondheidsdienst voor Dieren, betekent niet dat verweerder enigerlei wetenschap omtrent het bestaan van bedoelde dieren kan worden toegerekend.

5.2.3 De omstandigheid dat in het besluit van 23 mei 2001 over "bedrijf" wordt gesproken, doet naar het oordeel van het College niet af aan de rechtmatigheid van dit besluit. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat de inhoud en strekking van het besluit, niettegenstaande het onjuiste gebruik van het woord "bedrijf", volstrekt duidelijk zijn. Voorts is van belang dat de in geding zijnde maatregel tot doding ingevolge artikel 21 juncto artikel 22, eerste lid, aanhef en onder f, Gwd kan worden toegepast op zieke en verdachte dieren, zonder dat daarbij van belang is of deze dieren al dan niet bedrijfsmatig worden gehouden.

5.2.4 De geringe tijdspanne tussen de uitreiking van het besluit van 23 mei 2001 en de uitvoering van de bij dit besluit opgelegde maatregel tot doding, is naar het oordeel van het College niet van belang voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit van 23 mei 2001. Ter beoordeling staat het besluit zelf, niet de wijze en het tijdstip waarop de in dit besluit genoemde maatregelen zijn uitgevoerd.

5.2.5 Dat verweerder niet binnen de in artikel 7:10 Awb neergelegde termijnen op het bezwaar van appellant heeft beslist, betekent niet dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Ook na ommekomst van de beslistermijn bleef verweerder bevoegd (en verplicht) op het bezwaar van appellant te beslissen.

Het College stelt vast dat appellant ervoor heeft gekozen het besluit op bezwaar af te wachten en geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid op de voet van artikel 6:2, aanhef en onder b, Awb beroep in te stellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

5.2.6 Met betrekking tot de door appellant gestelde vooringenomenheid bij de voorbereiding en totstandkoming van het bestreden besluit overweegt het College het volgende.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het advies van de onafhankelijke Commissie voor de bezwaarschriften integraal overgenomen. Van vooringenomenheid van (de behandeld voorzitter van) de Commissie voor de bezwaarschriften is niet gebleken.

De stelling dat het verslag van de hoorzitting van genoemde commissie ondeugdelijk is, vormt evenmin grond voor het oordeel dat sprake is geweest van vooringenomenheid. Het College ziet geen aanleiding aan de door appellant bij brief van 13 oktober 2001 kenbaar gemaakte opvatting over het verhandelde tijdens deze hoorzitting meer betekenis te hechten dan aan het onder verantwoordelijkheid van de Commissie voor de bezwaarschriften opgestelde zakelijk verslag van de hoorzitting. Dat de Commissie voor de bezwaarschriften niet met appellant in discussie is getreden over het verslag van de hoorzitting, getuigt niet van vooringenomenheid.

Het College overweegt in dit verband voorts dat de stelling van appellant, inhoudende dat niet aannemelijk is dat de op de hoorzitting van de zijde van verweerder aanwezige personen niet betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van het gevoerde beleid, op generlei wijze kan leiden tot het oordeel dat afbreuk wordt gedaan aan de onafhankelijkheid van de Commissie of aan de zorgvuldigheid van de besluitvorming door verweerder.

5.3 Vervolgens komt het College toe aan de beantwoording van de vraag of verweerder op 23 mei 2001 terecht en op juiste gronden heeft besloten tot doding van de dieren van appellant.

5.3.1 Aangezien ingevolge artikel 22, eerste lid, aanhef en onder f, Gwd alleen zieke en verdachte dieren mogen worden gedood, dient allereerst te worden beoordeeld of het besluit van verweerder, de dieren van appellant met ingang van 23 mei 2001 als verdacht van besmetting met mkz aan te merken, rechtmatig is te achten.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder c, van het Besluit is het de taak van verweerder te beoordelen of er redenen zijn om aan te nemen dat een dier in de gelegenheid is geweest om te worden besmet (en daarmee tot verdacht dier wordt bestempeld). Gezien de bewoordingen van deze bepaling, is bij de rechterlijke toetsing van een beoordeling in evenbedoelde zin, aan de orde of verweerder in redelijkheid tot het desbetreffend oordeel heeft kunnen komen.

Het College is, in aanmerking genomen dat het tot 3 april 2001 door verweerder gevoerde beleid ter voorkoming van (verdere) verspreiding van het mkz-virus, bestaande uit doding van alle evenhoevigen binnen een straal van één, later twee kilometer rond een besmettingshaard, niet heeft kunnen voorkomen dat zich in de regio Oene uitbraken van mkz zijn blijven voordoen, alsmede gelet op de hoge veedichtheid in deze regio, van oordeel dat verweerder zich, vanuit veterinair oogpunt bezien, redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich mogelijk ook buiten de twee kilometer-zones rond besmettingshaarden in de regio Oene evenhoevigen bevonden die drager van smetstof waren. Het College neemt hierbij in aanmerking dat het mkz-virus uiterst besmettelijk is, dat het virus zich snel en op verschillende manieren kan verspreiden en dat verweerder zich ten aanzien van de te nemen maatregelen heeft laten adviseren door veterinaire deskundigen.

Het College ziet in hetgeen appellant in dit verband heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder zich op het standpunt had dienen te stellen dat de dieren van appellant zich ten opzichte van andere evenhoevigen in de regio Oene in een zodanig bijzondere situatie bevonden dat de dieren van appellant op 23 mei 2001 niet (meer) als verdacht van mkz konden worden aangemerkt.

Wat betreft het bepalen van de grenzen van de driehoek is de rechterlijke toetsing beperkt tot de beantwoording van de vraag of verweerder, gelet op alle terzake dienende feiten en omstandigheden, in redelijkheid tot de door hem gekozen begrenzing heeft kunnen komen. De enkele omstandigheid dat, zoals appellant heeft betoogd en verweerder niet heeft ontkend, een (enigszins) andere afbakening denkbaar was geweest, vormt geen grond voor een ontkennende beantwoording van evenvermelde vraag.

Het College volgt appellant niet in zijn opvatting dat ieder besmettingsrisico op 23 mei 2001 was geweken. In dit verband is van belang dat verweerder ter zitting van het College, door appellant niet gemotiveerd weersproken, heeft gesteld dat tot 23 mei 2001 nog steeds evenhoevigen in de driehoek werden gedood, ook in de nabijheid van de dieren van appellant. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van het College in redelijkheid kunnen oordelen dat niet viel uit te sluiten dat de dieren van appellant, wellicht kort voor 23 mei 2001, (alsnog) waren besmet met het virus, waarmee is voldaan aan het in artikel 2, aanhef en onder c, van het Besluit genoemde criterium voor het verdachtverklaren van deze dieren.

De door appellant gestelde wijze van optreden van onder verantwoordelijkheid van verweerder werkzame ambtenaren op 23 mei 2001 kan, wat daarvan ook zij, op zichzelf niet afdoen aan de rechtmatigheid van het op die datum genomen besluit.

Het vorenstaande leidt het College tot een bevestigende beantwoording van de vraag of verweerder op 23 mei 2001 terecht heeft besloten tot verdachtverklaring van de dieren van appellant.

5.3.2 Naar aanleiding van de stelling van appellant, inhoudende dat, voorzover al zou kunnen worden geoordeeld dat verweerder de dieren van appellant terecht verdacht heeft verklaard, het besluit tot doding disproportioneel is, stelt het College voorop dat het beoordelen van veterinaire risico's behoort tot de taken en bevoegdheden van verweerder. Het College dient bij de beantwoording van de vraag of verweerder deze risico's, gezien de van belang zijnde feiten en omstandigheden en gelet op de in acht te nemen beoordelingscriteria, juist heeft gewaardeerd en afgewogen, de in dit verband aan verweerder toekomende beoordelingsruimte in acht te nemen.

Het College ziet, in verband met het geheel van terzake dienende feiten en omstandigheden, geen grond voor het oordeel dat verweerder met betrekking tot het onderhavige geval een - gezien evenvermeld criterium - onjuiste waardering en afweging heeft toegepast. Naar het oordeel van het College kan niet worden staande gehouden dat de voor appellant uit het besluit tot doding van zijn dieren voortvloeiende nadelige gevolgen onevenredig zijn in verhouding tot de met dit besluit te dienen doelen. Het College overweegt in dit verband voorts dat hetgeen appellant heeft gesteld, miskent dat uit het betoog van verweerder volgt dat in beginsel ieder verdacht dier dat in de regio Oene in leven werd gelaten een risico vormde voor de bestrijding van de mkz-epidemie. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake was van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had dienen te oordelen dat zijn verdachte dieren geen relevant veterinair risico vormden.

5.3.3 Op grond van het vorenoverwogene komt het College tot de slotsom dat de door appellant tegen het bestreden besluit aangedragen grieven geen doel treffen en dat de nationale voorschriften verweerder een toereikende grondslag verschaften op 23 mei 2001 te besluiten tot het laten doden van de dieren van appellant.

5.4 In aanmerking genomen dat verweerder krachtens de Gwd bevoegd is te besluiten tot doding van de dieren van appellant, is aan de orde of de uitoefening van deze bevoegdheid verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Hierbij stelt het College voorop dat, ofschoon deze dieren zich bevonden in het gebied dat is aangewezen in bijlage III, onderdeel A, van Beschikking 2001/279/EG, in dit geval evengenoemde beschikking noch Beschikking 2001/246/EG van toepassing is, nu de dieren van appellant niet zijn gevaccineerd voordat zij zijn gedood. In dit verband is het College gesteld voor de beantwoording van de tweeledige vraag, onderscheidenlijk inhoudende (a) of aan het gemeenschapsrecht de bevoegdheid kan worden ontleend te besluiten tot doding van dieren die zijn verdacht van besmetting met het mkz-virus, en (b) of het gemeenschapsrecht zich verzet tegen nationale maatregelen strekkende tot doding van verdachte dieren, in aanvulling op het communautaire regime ter bestrijding van de besmetting met het mkz-virus.

Naar aanleiding van de hiervoor onder (a) geformuleerde vraag stelt het College vast dat Richtlijn 85/511/EEG slechts voorziet in het afmaken van alle voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf ten aanzien waarvan is bevestigd dat zich aldaar een of meer dieren als omschreven in artikel 2, onder c), van Richtlijn 85/511/EEG bevinden (artikel 5 van Richtlijn 85/511/EEG). Evenwel, met name artikel 10 van Richtlijn 90/425/EEG draagt lidstaten van verzending op, naast de in de communautaire voorschriften uitdrukkelijk voorgeschreven bestrijdings- of preventiemaatregelen, elke andere maatregel vast te stellen die passend wordt geacht. Hoewel aan deze bepaling de bevoegdheid lijkt te kunnen worden ontleend tot doding van dieren verdacht van besmetting met het mkz-virus, zou de opvatting dat Richtlijn 85/511/EEG als lex specialis het volledige communautaire regime bevat ter bestrijding van het mkz-virus overweging kunnen zijn deze bepaling niet aldus te interpreteren. Omdat over de verhouding van Richtlijn 85/511/EEG tot Richtlijn 90/425/EEG geen volledige zekerheid bestaat, is het noodzakelijk dat het Hof van Justitie zich bij wege van prejudiciële beslissing uitspreekt over de volgende vraag:

1) Kan een lidstaat aan het gemeenschapsrecht de bevoegdheid ontlenen te besluiten tot doding van dieren die verdacht zijn van besmetting met het mkz-virus?

Indien aan het gemeenschapsrecht geen bevoegdheid kan worden ontleend te besluiten tot doding van verdachte dieren, komt aan de orde of het gemeenschapsrecht zich verzet tegen nationale maatregelen strekkend tot doding van zodanige dieren, in aanvulling op het communautaire regime ter bestrijding van besmetting met het mkz-virus. Wanneer zou moeten worden geoordeeld dat het gemeenschapsrecht niet voorziet in voormelde bevoegdheid inzake doding van verdachte dieren, alsmede dat het gemeenschapsrecht meebrengt dat een lidstaat niet de bevoegdheid heeft maatregelen vast te stellen in aanvulling op het communautaire regime, behoort te worden geconcludeerd dat het bestreden besluit onrechtmatig, want in strijd met het gemeenschapsrecht, is.

Voor de beantwoording van deze vraag is van belang dat Richtlijn 85/511/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 90/423/EEG, ten aanzien van een bedrijf waarop zich één of meer van besmetting verdachte dieren bevinden, als bedoeld in artikel 2, onder d), en e), niet uitdrukkelijk bepaalt dat de bevoegde autoriteit opdracht kan geven de betreffende dieren te doden. Dit is anders indien het gaat om een dier, ten aanzien waarvan een vaststelling inzake besmetting heeft plaatsgevonden, als bedoeld in artikel 2, onder c), van Richtlijn 85/511/EEG. In laatstgenoemd geval schrijft artikel 5, tweede lid, van Richtlijn 85/511/EEG de doding van alle voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf dwingend voor.

Aldus komt aan de orde of Richtlijn 85/511/EEG een uitputtende opsomming bevat van maatregelen die de lidstaten ten dienste staan een uitbraak van het mkz-virus te bestrijden, dan wel in beginsel toestaat dat andere maatregelen, ontleend aan het nationale recht, worden gehanteerd.

De preambule van Richtlijn 90/423/EEG bevat een aanwijzing dat tenminste sinds de wijzigingen die door deze richtlijn zijn aangebracht in Richtlijn 85/511/EEG, sprake is van een uitputtend communautair regime ter bestrijding van mkz. In de tweede overweging van de preambule van Richtlijn 90/423/EEG is immers gesteld dat het "absoluut noodzakelijk is dat in de gehele gemeenschap een uniform beleid wordt ingevoerd". Voorts is van belang dat in het door Richtlijn 90/423/EEG gewijzigde artikel 1 van Richtlijn 85/511/EEG is gesteld dat in deze Richtlijn "de communautaire bestrijdingsmaatregelen" worden vastgesteld. Vóór de wijziging aangebracht bij Richtlijn 90/423/EEG, preciseerde artikel 1 van Richtlijn 85/511/EEG dat het "de minimale communautaire maatregelen" betrof.

Een argument voor het uitputtend karakter van Richtlijn 85/511/EEG zou ook kunnen worden gevonden in artikel 16 van deze Richtlijn, in die zin dat uit deze bepaling zou kunnen worden afgeleid dat indien aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn, deze niet mogen worden toegepast dan op basis van een beschikking van de Commissie, en dat derhalve unilaterale maatregelen welke niet op een beschikking van de Commissie kunnen worden gebaseerd, niet zijn toegestaan.

Een argument voor het standpunt dat het regime van Richtlijn 85/511/EEG uitputtend is in die zin dat geen andere nationale maatregelen ter bestrijding van mkz mogen worden toegepast, kan tevens worden ontleend aan artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 85/511/EEG en artikel 5, vierde lid, van Richtlijn 85/511/EEG. Deze bepalingen, die voorzien in de bevoegdheid van lidstaten de getroffen maatregelen uit te breiden tot onmiddellijk aangrenzende bedrijven, zijn immers overbodig indien het lidstaten vrij zou staan andere maatregelen te treffen dan die welke in Richtlijn 85/511/EEG zijn voorzien.

Tegen de veronderstelling dat sprake is van een uitputtend communautair regime, kan worden ingebracht dat de wijzigingen die bij Richtlijn 90/423/EEG zijn aangebracht, moeten worden bezien in de context van deze richtlijn en derhalve slechts betrekking hebben op het met deze richtlijn geformuleerde communautaire (niet-)vaccinatiebeleid.

Voorts kan uit artikel 4, eerste lid, tweede alinea, van Richtlijn 85/511/EEG worden afgeleid dat met deze richtlijn niet is bedoeld een uitputtend communautair regime te creëren ter bestrijding van mkz in aanvulling waarop lidstaten niet unilateraal op basis van het nationale recht maatregelen mogen treffen. Evenvermeld voorschrift preciseert dat lidstaten met name de genoemde maatregelen treffen in geval zich op een bedrijf één of meer van besmetting verdachte dieren bevinden. De woorden "met name" kunnen de strekking hebben aan te geven welke maatregelen in ieder geval dienen te worden getroffen zonder dat daarmee andere niet genoemde maatregelen worden uitgesloten. In dit verband heeft het College vastgesteld dat Beschikking 2001/246/EG in preventieve doding voorziet van gevoelige dieren op bedrijven in een gebied met een bepaalde straal rond een bedrijf waar, voorzover in deze zaak van belang, de in artikel 4 van Richtlijn 85/511/EEG vastgestelde maatregelen van toepassing zijn. Het gestelde in deze beschikking wekt de indruk dat lidstaten ook bevoegd zijn tot preventieve doding van dieren die verdacht zijn van besmetting met het mkz virus zonder dat besmetting op het betreffende bedrijf is vastgesteld.

Voorts kan de bevoegdheid nationale maatregelen ter bestrijding van mkz te treffen in aanvulling op het communautaire regime, niet zonder meer worden afgeleid uit artikel 10, eerste lid, tweede alinea, van Richtlijn 90/425/EEG. Evenzeer kan immers worden betoogd dat de nationale bevoegdheid aanvullende maatregelen vast te stellen slechts bestaat voorzover deze maatregelen niet in strijd zijn met communautaire bestrijdingsmaatregelen, zodat de vraag weer aan de orde is in hoeverre Richtlijn 85/511/EEG in een uitputtend regime ter bestrijding van mkz voorziet.

Ook de opvatting van verweerder dat de doelstelling van Richtlijn 85/511/EEG, te weten: het verbeteren van de gezondheidstoestand van de Europese veestapel, de rentabiliteit van de veehouderij en een onmiddellijke en doeltreffende bestrijding van besmetting met mkz, meebrengt dat ook andere maatregelen dan uitdrukkelijk voorzien in Richtlijn 85/511/EEG, kunnen worden getroffen, impliceert naar het oordeel van het College niet zonder meer dat Richtlijn 85/511/EEG geen limitatieve opsomming van maatregelen bevat. Immers, op grond van deze communautaire doelstelling kan evengoed worden betoogd dat alle bestrijdingsmaatregelen die noodzakelijk kunnen zijn ter bereiking van de doelstelling, in deze richtlijn zijn voorzien, te meer daar Richtlijn 85/511/EEG specifiek betrekking heeft op de bestrijding van mkz.

De vraag waarvoor het College zich gesteld ziet, is - voorzover het College bekend - nog niet in de rechtspraak van het Hof beantwoord. Met name het arrest van 12 juli 2001 (C-189/01, Jur. blz. I-5689; AB 2001, 269; www.curia.eu.int) beantwoordt deze vraag niet, aangezien in dit arrest, voorzover hier van belang, slechts aan de orde is of de Commissie bevoegd is de voorwaarde te stellen dat dieren die worden onderworpen aan een noodinenting (suppressievaccinatie), worden gedood. Hierbij gaat het om de omvang van de bevoegdheid van een instelling van de Gemeenschap en niet om een (aanvullende) nationale bevoegdheid. Naar het oordeel van het College is het daarom noodzakelijk dat het Hof zich bij wege van prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 234 EG uitspreekt over de volgende vraag:

2) Biedt Richtlijn 85/511/EEG, zoals gewijzigd door Richtlijn 90/423/EEG, lidstaten ruimte voor het (doen) treffen van aanvullende nationale maatregelen ter bestrijding van mkz?

Indien uit het antwoord van het Hof op deze prejudiciële vraag zou voortvloeien dat een lidstaat bevoegd is ter bestrijding van mkz tevens andere maatregelen te treffen dan die welke uitdrukkelijk zijn voorzien in Richtlijn 85/511/EEG, komt aan de orde welke grenzen het gemeenschapsrecht stelt aan de uitoefening van deze bevoegdheid.

Hierbij merkt het College op dat het doden van dieren een vergaande maatregel is. Deze maatregel is weliswaar voorzien in artikel 5 van Richtlijn 85/511/EEG, doch slechts indien het een bedrijf betreft, waarvan is vastgesteld dat aldaar een besmet dier aanwezig is, terwijl het in de onderhavige zaak gaat om dieren die verdacht worden van besmetting en zich bevinden op een bedrijf waar geen besmetting is geconstateerd. De maatregelen waarin Richtlijn 85/511/EEG voorziet in geval van een verdenking van besmetting, zijn tijdelijk van aard. Ingevolge artikel 4, derde lid, van Richtlijn 85/511/EEG worden dergelijke maatregelen opgeheven wanneer officieel is vastgesteld dat het vermoeden van mkz niet langer bestaat. De doding van dieren is evenwel definitief en onomkeerbaar. In dit verband is betekenisvol dat artikel 5 van Richtlijn 85/511/EEG, welke bepaling betrekking heeft op maatregelen die moeten worden genomen zodra is bevestigd dat zich op een bedrijf een of meer dieren als omschreven in artikel 2, onder c), van Richtlijn 85/511/EEG bevinden, bepaalt dat de in artikel 5, onder 1, van Richtlijn 85/511/EEG bedoelde maatregelen kunnen worden uitgebreid tot onmiddellijk aangrenzende bedrijven. De bevoegdheid maatregelen uit te breiden tot onmiddellijk aangrenzende bedrijven betreft derhalve niet de maatregel alle voor de ziekte vatbare dieren af te maken, aangezien deze maatregel is voorzien in artikel 5, onder 2, eerste tiret, van Richtlijn 85/511/EEG.

Indien de tweede prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord, is het naar het oordeel van het College noodzakelijk dat het Hof zich bij wege van prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 234 EG uitspreekt over de volgende vraag:

3) Welke grenzen stelt het gemeenschapsrecht aan een lidstaat ten aanzien van het treffen van aanvullende nationale maatregelen, anders dan die welke zijn voorzien in Richtlijn 85/511/EEG, zoals gewijzigd door Richtlijn 90/423/EEG?

5.5 Gelet op hetgeen hiervoor in § 5.4 is overwogen, zal de zaak worden verwezen naar het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen om bij prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de in die paragraaf geformuleerde vragen. In afwachting van de uitspraak van het Hof zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

6. De beslissing

Het College:

- heropent het onderzoek;

- verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over

de in § 5.4 van deze uitspraak geformuleerde vragen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. J.A. Hagen en mr. M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van

mr. B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2003.

w.g. H.C. Cusell w.g. B. van Velzen