Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AF2742

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-01-2003
Datum publicatie
08-01-2003
Zaaknummer
AWB 01/858
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit verdachte dieren
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Regeling aanwijzing besmettelijke dierziekten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/858 7 januari 2003

11230

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

tegen

de Directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees, te Voorburg, verweerder,

gemachtigde: mr. E.J. Daalder, advocaat te Den Haag.

1. De procedure

Op 23 oktober 2001 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 16 oktober 2001 van verweerder. Bij dit besluit is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 april 2001 van verweerder ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder, onder toepassing van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) en het Besluit verdachte dieren (hierna: Besluit), de evenhoevige dieren van appellant verdacht verklaard van mond- en klauwzeer (hierna: mkz) en heeft verweerder op grond van de Gwd een aantal maatregelen opgelegd respectievelijk aangezegd in verband met deze verdenking, waaronder vaccinatie en vervolgens doding van de evenhoevige dieren van appellant.

Op 27 december 2001 heeft het College van verweerder een verweerschrift ontvangen.

Bij brieven van 11 en 21 februari 2002 heeft verweerder een aantal op de zaak betrekking hebbende stukken nagezonden.

Het College heeft het beroep behandeld ter zitting van 11 juni 2002, alwaar partijen hun standpunten nader hebben toegelicht. Ter zitting waren aanwezig appellant en de gemachtigde van verweerder. Aan de zijde van verweerder waren voorts aanwezig drs. A.M. Akkerman, mr. J.C.M. Oudshoorn en drs. S.N. Wiessenhahn, allen werkzaam op het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij te Den Haag, alsook drs. Ph.L. Eblé en E. van Rooij, beiden werkzaam bij het Centraal Instituut voor DierziektenControle te Lelystad, alsmede drs. P. van der Wal, werkzaam bij verweerder.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In Richtlijn 85/511/EEG van de Raad van 18 november 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen ter bestrijding van mond- en klauwzeer (Pb 1985, L315, blz. 1), zoals gewijzigd bij (voorzover hier van belang) Richtlijn 90/423/EEG van de Raad van 26 juni 1990 (Pb 1990, L224, blz. 29), is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 2

Voor deze richtlijn (…) wordt verstaan onder:

(…)

e) van besmetting verdacht dier: alle voor de ziekte vatbare dieren die

- volgens de ingewonnen epizoötiologische inlichtingen - rechtstreeks of onrechtstreeks in contact kunnen zijn geweest met het mond- en klauwzeervirus.

Artikel 4

1. De Lid-Staten zien erop toe dat, wanneer er zich op een bedrijf een of meer van besmetting verdachte dieren bevinden, onverwijld een officieel onderzoek wordt ingesteld om na te gaan of deze ziekte al dan niet aanwezig is, en in het bijzonder dat de officiële dierenarts de passende monsters neemt of laat nemen voor laboratoriumonderzoek.

Zodra de bevoegde autoriteit van de verdenking in kennis gesteld is, laat zij het bedrijf onder officieel toezicht plaatsen en geeft zij met name opdracht:

- alle dieren van alle categorieën voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf te tellen en voor iedere categorie het aantal dieren aan te geven dat reeds gestorven is dan wel mogelijk besmet is; bij de telling moeten ook de dieren in aanmerking worden genomen die in de periode van verdenking geboren en gestorven zijn; de gegevens van deze telling moeten op verzoek worden overgelegd en kunnen bij elke inspectie worden gecontroleerd,

- alle voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf op stal te houden of onder te brengen op andere plaatsen waar zij geïsoleerd kunnen worden,

- te verbieden dat voor de ziekte vatbare dieren in of buiten het bedrijf worden gebracht,

- te verbieden dat andere soorten dieren in of buiten het bedrijf worden gebracht, tenzij de bevoegde autoriteit daartoe vergunning heeft verleend,

- te verbieden dat vlees of kadavers van voor de ziekte vatbare dieren alsmede diervoeders, gereedschap, voorwerpen of andere stoffen, zoals wol of afval, welke mond- en klauwzeer kunnen overbrengen, buiten het bedrijf worden gebracht, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit,

- te verbieden dat melk buiten het bedrijf wordt gebracht (…),

- het verkeer van personen komende van of gaande naar het bedrijf afhankelijk te stellen van een vergunning van de bevoegde autoriteit,

- de toegang tot of het verlaten van het bedrijf van voertuigen afhankelijk te stellen van een vergunning van de bevoegde autoriteit, die de voorwaarden vaststelt om verspreiding van het mond- en klauwzeervirus te voorkomen,

- geëigende ontsmettingsmiddelen te gebruiken bij de in- en uitgangen van de stallen van de voor ziekte vatbare dieren en van het bedrijf,

- een epizoötiologisch onderzoek uit te voeren overeenkomstig de artikelen 7 en 8.

(…)

Artikelen 13

1. De Lid-Staten zien erop toe dat:

- het gebruik van mond- en klauwzeervaccins verboden wordt,

(…)

3. Onverminderd het bepaalde in lid 1 met betrekking tot het gebruik van mond- en klauwzeervaccins, kan worden besloten een noodvaccinatie uit te voeren op een wijze die een volledige immuniteit van de dieren garandeert, wanneer de aanwezigheid van mond- en klauwzeer is bevestigd en de ziekte zich op grote schaal dreigt te verspreiden. De in dat geval te nemen maatregelen hebben met name betrekking op:

- de omvang van het geografisch gebied waar de noodvaccinatie moet worden uitgevoerd,

- soort en leeftijd van de te vaccineren dieren,

- de duur van de vaccinatiecampagne,

- een specifiek verbod op verplaatsing voor gevaccineerde dieren en de produkten daarvan,

- het specifieke merken en registreren van de gevaccineerde dieren,

- andere in verband met de noodsituatie vereiste maatregelen.

Het besluit om tot noodinenting over te gaan wordt genomen door de Commissie, in samenwerking met de betrokken Lid-Staat (…). Bij dit besluit wordt in het bijzonder rekening gehouden met de dichtheid van de veebezetting in sommige gebieden en de noodzaak speciale rassen te beschermen.

In afwijking van de eerste alinea mag het besluit om tot noodinenting rond de ziektehaard over te gaan evenwel worden genomen door de betrokken Lid-Staat na kennisgeving aan de Commissie, mits de wezenlijke belangen van de Gemeenschap niet in gevaar worden gebracht. (…)."

In de preambule van Beschikking 2001/246/EG van de Commissie van 27 maart 2001, houdende vaststelling van voorschriften voor de bestrijding en de uitroeiing van mond- en klauwzeer in Nederland op grond van artikel 13 van Richtlijn 85/511/EEG (Pb 2001, L88, blz. 21), is onder meer het volgende overwogen:

" (…)

(1) In artikel 13, lid 3, van Richtlijn 85/511/EEG zijn voorschriften vastgesteld met betrekking tot noodvaccinatie.

(…)

(11) Deze beschikking heeft ten doel vast te stellen onder welke voorwaarden Nederland noodvaccinatie mag toepassen.

(…)."

In Beschikking 2001/246/EG is onder meer bepaald:

" Artikel 1

Voor de toepassing van deze beschikking gelden de onderstaande definities:

1. Preventieve doding: het doden van gevoelige dieren op bedrijven in een gebied met een bepaalde straal rond een bedrijf waarvoor de in artikel 4 of 5 van Richtlijn 85/511/EEG vastgestelde beperkende maatregelen van toepassing zijn.

Deze doding heeft ten doel het aantal dieren van gevoelige soorten in een besmet gebied snel te doen dalen.

2. Suppressievaccinatie: noodvaccinatie van dieren van gevoelige soorten op geïdentificeerde bedrijven in een bepaald gebied, het vaccinatiegebied, die uitsluitend wordt uitgevoerd in combinatie met preventieve doding als omschreven in punt 1.

Deze vaccinatie heeft ten doel de hoeveelheid circulerend virus en het risico van virusverspreiding buiten het omschreven gebied dringend te verminderen, zonder evenwel vertraging bij het preventief doden te veroorzaken.

Deze vaccinatie mag uitsluitend worden uitgevoerd wanneer het preventief doden van dieren van gevoelige soorten om een van de onderstaande redenen moet worden uitgesteld voor een periode die waarschijnlijk langer is dan de periode die nodig is om virusverspreiding effectief tegen te gaan door immunisatie:

- beperkingen inzake de capaciteit om dieren van gevoelige soorten te doden (…),

- beperkingen inzake de beschikbare capaciteit om de gedode dieren te vernietigen (…).

Artikel 2

1. Onverminderd Richtlijn 85/511/EEG, en met name de artikelen 4, 5 en 9, mag Nederland besluiten gebruik te maken van suppressievaccinatie onder de in de bijlage vastgestelde voorwaarden.

(…)."

In de bijlage van Beschikking 2001/246/EG is onder meer bepaald:

" Voorwaarden voor de toepassing van suppressievaccinatie bij de bestrijding en uitroeiing van mond- en klauwzeer op grond van artikel 13, lid 3, van Richtlijn 85/511/EEG

1. Omvang van het geografische gebied waar suppressievaccinatie wordt toegepast

Het vaccinatiegebied omvat een gebied met een straal van maximaal 2 km rond een bedrijf waarvoor de in

artikel 4 of artikel 5 van Richtlijn 85/511/EEG vastgestelde beperkende maatregelen worden toegepast.

(…)."

Beschikking 2001/246/EG is gewijzigd bij Beschikking 2001/279/EG van 5 april 2001 (Pb 2001, L96, blz. 19). Bij deze wijziging is de bijlage van Beschikking 2001/246/EG vervangen door een aantal bijlagen. In bijlage I is onder meer bepaald:

" Voorwaarden voor de toepassing van suppressievaccinatie bij de bestrijding en uitroeiing van mond- en klauwzeer op grond van artikel 13, lid 3, van Richtlijn 85/511/EEG

1. Omvang van het geografische gebied waar beschermende vaccinatie (het College leest:

suppressievaccinatie) wordt toegepast

Het vaccinatiegebied moet gelegen zijn in het in bijlage III, deel A, omschreven gebied.

(…)

(…)."

Het in bijlage III, deel A, van de gewijzigde Beschikking 2001/246/EG omschreven gebied voor suppressievaccinatie omvat delen van Gelderland, Overijssel, Noord-Brabant en Flevoland, als omschreven en gemeld overeenkomstig artikel 2, lid 2.

In de Gwd is onder meer het volgende bepaald (tekst zoals luidend ten tijde hier van belang):

" Hoofdstuk II

(…)

Afdeling 3

Artikel 15

1. Deze afdeling is van toepassing op door Onze Minister aangewezen besmettelijke dierziekten bij:

a. vee;

(…)

4. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer dieren als verdachte dieren moeten worden aangemerkt.

(…)

Artikel 17

1. Onze Minister kan hetzij voor geheel Nederland, hetzij voor bepaalde gedeelten daarvan, bevelen dat dieren die door een besmettelijke dierziekte kunnen worden aangetast, daartegen op een door hem te bepalen wijze voorbehoedend worden behandeld, worden gemerkt, worden opgesloten of aangelijnd, dan wel voor die dieren andere maatregelen bevelen ter

voorkoming van overbrenging van besmetting.

(…)

(…)

Artikel 21

1. Een door Onze Minister aangewezen ambtenaar deelt de burgemeester (…) zo spoedig mogelijk mede welke maatregelen tot bestrijding van de ziekte door hem nodig worden geacht.

(…)

3. In spoedeisende gevallen neemt de in het eerste lid bedoelde ambtenaar deze maatregelen zelf en stelt hij de burgemeester daarvan onmiddellijk in kennis.

Artikel 22

1. De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn:

(…)

f. het doden van zieke en verdachte dieren;

(…)

j. het behandelen van dieren op een door Onze Minister aangegeven wijze.

(…)

(…)

Artikel 24

1. Een door Onze Minister aangewezen ambtenaar stelt het tijdstip vast waarop de verdenking is ontstaan dat een dier lijdt aan een besmettelijke dierziekte alsmede het tijdstip waarop deze verdenking eindigt.

2. De in het eerste lid bedoelde tijdstippen worden schriftelijk ter kennis van de houder van het betreffende dier gebracht. (…)

(…)

Artikel 31

Indien in het belang van de bestrijding van besmettelijke dierziekten naar het oordeel van Onze Minister een onverwijlde voorziening noodzakelijk is, kan hij bepalen dat door hem krachtens dit hoofdstuk vastgestelde regelingen onmiddellijk na hun bekendmaking in werking treden. In dat geval kan hij zodanige regeling, in afwijking van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de

Bekendmakingswet (Stb. 1988, 18), op andere dan de daar genoemde wijze bekend maken."

In artikel 2, aanhef en onder b, Regeling aanwijzing besmettelijke dierziekten (Staatscourant 1996, 61; ten tijde hier van belang laatstelijk gewijzigd Staatscourant 1999, 187) is mkz aangewezen als besmettelijke dierziekte bij vee als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, Gwd.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder c, van het Besluit (Staatsblad 1994, 731; ten tijde hier van belang laatstelijk gewijzigd Staatsblad 1998, 667) worden dieren als verdachte dieren aangemerkt, indien de aangewezen ambtenaar redenen heeft om aan te nemen dat de dieren in de gelegenheid zijn geweest om te worden besmet, en de diersoort voor de desbetreffende besmettelijke dierziekte vatbaar is.

De aanhef van de Regeling noodvaccinatie mond- en klauwzeer 2001 (Staatscourant 2001, 60; hierna: Regeling) luidde als volgt:

" De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

Gelet op artikel 13, derde lid, van Richtlijn 85/511/EEG (…)

Gelet op de artikelen 17, eerste lid, en 31 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

Besluit:"

Artikel 1 van de Regeling luidde, na de op 3 april 2001 om 20.00 uur in werking getreden wijziging (Staatscourant 2001, 67), als volgt:

" Voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren binnen een van de op grond van de artikelen 17 en 30 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren aangewezen toezichtsgebieden inzake mond- en klauwzeer, worden in een door de directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees te bepalen zone rond de ziektehaard, dan wel in het in de bijlage omschreven gebied, overeenkomstig de door hem gegeven aanwijzingen gevaccineerd tegen mond- en klauwzeer."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Ten tijde van de mkz-epidemie 2001 hield appellant geiten en lammeren. Deze dieren bevonden zich in het gebied, omschreven in de bijlage van Beschikking 2001/246/EG, welke bijlage nadien is gewijzigd bij Beschikking 2001/279/EG, en tevens in het gebied, omschreven in de Regeling, zoals deze regeling luidde na wijziging op 3 april 2001.

- Bij besluit van 4 april 2001 heeft verweerder appellant medegedeeld dat zijn evenhoevige dieren op grond van artikel 2, onderdeel c, van het Besluit met ingang van 4 april 2001 als verdacht van mkz worden aangemerkt, omdat in het gebied waar deze dieren zich bevinden verschillende gevallen van mkz zijn vastgesteld. Bij genoemd besluit van 4 april 2001 heeft verweerder voorts, onder verwijzing naar artikel 21, derde lid, Gwd, een aantal maatregelen getroffen. Onder verwijzing naar artikel 17, eerste lid, Gwd heeft hij besloten de evenhoevige dieren van appellant te vaccineren tegen mkz. Verder heeft verweerder in het besluit van 4 april 2001 overwogen dat het noodzakelijk is dat de gevaccineerde dieren met toepassing van artikel 22, eerste lid, aanhef en onder f, Gwd worden gedood.

- De geiten en lammeren van appellant zijn op 10 april 2001 gevaccineerd tegen mkz.

- Bij brief van 19 april 2001 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de in het besluit van 4 april 2001 vervatte maatregel tot doding.

- Op 23 mei 2001 zijn de twee geiten en vijf lammeren van appellant gedood.

- Nadat appellant te kennen had gegeven af te zien van het recht te worden gehoord over zijn bezwaar van 19 april 2001, heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het verweer

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, samengevat weergegeven, het volgende overwogen.

Ook na vaccinatie van de dieren van appellant was sprake van een veterinaire noodzaak tot doding van deze dieren. Dieren die zijn gevaccineerd in een gebied waar mkz heerst, kunnen met het virus zijn besmet voordat vaccinatie heeft plaatsgevonden. Aangezien pas vanaf vijf dagen na besmetting antilichamen in het lichaam van een besmet dier worden aangemaakt, blijkt deze besmetting niet uit de bij de vaccinatie genomen bloedmonsters. Voorts is mogelijk dat dieren in de eerste dagen na vaccinatie alsnog besmet raken, omdat een gevaccineerd dier pas na tien tot veertien dagen optimaal is beschermd tegen mkz. Met name in de periode van vijf dagen voor vaccinatie tot vijf dagen na vaccinatie kan een dier met mkz worden besmet. Deze besmetting is nadien niet aantoonbaar met behulp van bloedonderzoek: daarmee kan slechts worden vastgesteld of antilichamen zijn aangemaakt, niet of deze aanmaak het gevolg is van de vaccinatie of (ook) van een besmetting.

Dieren die kort voor of kort na vaccinatie besmet zijn geraakt, zijn zelf beschermd door de vaccinatie en vertonen geen klinische verschijnselen van mkz, maar kunnen wel drager van het virus zijn, een zogenaamd carrierdier. Het virus kan zich langere tijd - maanden - in een carrierdier bevinden. Wanneer dieren in het vaccinatiegebied nakomelingen krijgen, worden deze enige tijd beschermd door de moedermelk, maar daarna worden zij vatbaar voor het virus en kunnen zij derhalve worden besmet door een carrierdier.

Dat werd toegestaan gevaccineerde dieren in het slachthuis te doden, betekent niet dat kan worden afgezien van doding van deze dieren. Veertien dagen na vaccinatie is de opbouw van antilichamen optimaal, terwijl de hoeveelheid smetstof die kan worden uitgescheiden tot een minimum is gedaald. Mede in aanmerking genomen dat doding in slachthuizen de dodingscapaciteit sterk deed toenemen en minder emoties losmaakte bij veehouders en andere betrokkenen, heeft verweerder doding in slachthuizen acceptabel geacht. Dit neemt het gevaar van besmetting door carrierdieren evenwel niet weg.

De Gwd verleent de bevoegdheid tot het doden van dieren, indien hiertoe een veterinaire noodzaak bestaat. De veterinaire noodzaak tot doding was in dit geval gelegen in het gevaar van de aanwezigheid van carrierdieren. Het beleid van verweerder was erop gericht het mkz-virus adequaat te bestrijden en in te dammen, waarbij alle betrokken belangen, ook handelsbelangen, zijn meegewogen. Het belang van een doeltreffende dierziektebestrijding stond voorop.

Ter zitting van het College heeft de gemachtigde van verweerder onder meer aangevoerd dat zowel de Food and Agriculture Organization als de Chief Scientific Advisor van het Verenigd Koninkrijk van oordeel is dat carrierdieren een veterinair risico vormen en dat de Europese Commissie, zo blijkt uit antwoorden van commissaris Byrne op vragen van het Europees Parlement, eenzelfde standpunt inneemt.

4. Het standpunt van appellant

In zijn beroepschrift heeft appellant, zakelijk weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Carrierdieren vormen slechts een theoretisch besmettingsrisico, hetgeen blijkt uit het feit dat geen concrete gevallen worden aangedragen waarin zich daadwerkelijk besmetting door een carrierdier heeft voorgedaan. Gelet hierop heeft verweerder niet aangetoond dat het gestelde risico van gevaccineerde dieren toepassing van artikel 22, eerste lid, aanhef en onder f, Gwd rechtvaardigt. Ter zitting van het College heeft appellant in dit verband nader aangevoerd dat niet duidelijk is of de studies die naar carrierdieren zijn gedaan, hebben plaatsgevonden onder dezelfde omstandigheden als die waarin zijn dieren zich bevonden.

De toepasselijke Nederlandse regelgeving verplicht niet tot het toepassen van de combinatie vaccinatie en doding.

Verweerder toont niet aan dat hij daadwerkelijk belangen heeft afgewogen. De door hem genoemde handelsbelangen spelen slechts een rol ten aanzien van een beperkt gedeelte van de veehouders. Verweerder heeft niet overlegd met appellant of met iemand die appellant vertegenwoordigt, terwijl hij de door hem genoemde afweging ook niet aan het parlement heeft voorgelegd. Ter zitting van het College heeft appellant in dit verband nog opgemerkt dat hij zich afvraagt waarom verweerder refereert aan een belangenafweging, indien op grond van de Europese regelgeving al duidelijk was dat het in leven laten van gevaccineerde dieren slechts in een zeer beperkt aantal gevallen zou worden toegestaan. Appellant neemt aan dat verweerder, ter completering van het dossier, het verslag van het moment waarop hij de belangen heeft afgewogen aan het College ter beschikking zal stellen.

5. De beoordeling van het beroep

Het College stelt voorop dat het in zijn uitspraken van heden in de zaken AWB 01/1017 en AWB 02/242 (te raadplegen op www.rechtspraak.nl) heeft geoordeeld dat verweerder de betreffende evenhoevigen, die zich, evenals de dieren van appellant, ten tijde van de mkz-epidemie in de regio Oene bevonden, terecht als verdacht van mkz heeft aangemerkt. Appellant heeft het besluit van verweerder tot verdachtverklaring van zijn dieren terecht niet in rechte aangevochten.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, aanhef en onder f, Gwd mogen verdachte dieren worden gedood. Met betrekking tot het gebruik dat verweerder van deze in het onderhavige geval bestaande bevoegdheid heeft gemaakt, overweegt het College het volgende.

Ingevolge Beschikking 2001/246/EG, welke beschikking Nederland machtigt tot noodvaccinatie van dieren van gevoelige soorten, mag zodanige vaccinatie uitsluitend worden uitgevoerd in combinatie met doding van de betreffende dieren. In zijn arrest van 12 juli 2001 (C-189/01, Jur. 2001, blz. I-5689; AB 2001, 269; www.curia.eu.int) heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen geoordeeld dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden die de geldigheid van Beschikking 2001/246/EG kunnen aantasten en dat deze beschikking, voorzover daarbij is bepaald dat dieren ondanks vaccinatie moeten worden gedood, een toereikende rechtsgrondslag heeft.

Appellant heeft in dit verband geen nieuwe argumenten naar voren gebracht.

Verweerder was, gezien het voorafgaande, ingevolge het gemeenschapsrecht gehouden toepassing te geven aan voormelde bevoegdheid tot doding van de dieren van appellant, die overeenkomstig het voorafgaande waren gevaccineerd.

Het College overweegt voorts dat, in verband met de gehoudenheid van verweerder over te gaan tot doding van de dieren van appellant, de grieven betreffende (-) het afwegen van belangen en het geven van een daarop toegespitste motivering en (-) het plegen van overleg over de uitvoering van het bestrijdingsbeleid geen doel kunnen treffen.

In verband met het vorenoverwogene komt het College tot de slotsom dat verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar van appellant tegen de in het besluit van 4 april 2001 vervatte maatregel tot doding terecht ongegrond heeft verklaard.

Het beroep van appellant dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. J.A. Hagen en mr. M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van

mr. B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2003.

w.g. H.C. Cusell w.g. B. van Velzen