Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AO7838

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-12-2002
Datum publicatie
20-04-2004
Zaaknummer
AWB 00/505 tot en met 508
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 15 juni 2000 heeft het College van appellanten een beroepschrift, blijkens poststempel verzonden op 13 juni 2000, ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen vier besluiten van verweerder van 2 mei 2000.

Bij deze besluiten heeft verweerder beslist op het bezwaar tegen de intrekking van de aan appellanten verleende S&O-verklaringen als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 00/505 tot en met 508 13 december 2002

27000 Kaderwet EZ-subsidies

Uitspraak in de zaak van:

Beheermaatschappij Appeltern B.V. en S.F. Beton B.V., te Appeltern, appellanten,

gemachtigde: mr. M.F.M. Giesbers, werkzaam bij Hezelburcht Consultancy B.V. te Nijmegen,

tegen

de Minister van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr. R.E. Groenewold en mr. I.A.M. van Nieuwkerk, werkzaam bij verweerders agentschap Senter.

1. De procedure

Op 15 juni 2000 heeft het College van appellanten een beroepschrift, blijkens poststempel verzonden op 13 juni 2000, ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen vier besluiten van verweerder van 2 mei 2000.

Bij deze besluiten heeft verweerder beslist op het bezwaar tegen de intrekking van de aan appellanten verleende S&O-verklaringen als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.

Het beroepschrift is nader gemotiveerd bij brief van 14 juli 2000.

Op 2 oktober 2000 heeft verweerder in de verschillende zaken een verweerschrift ingediend.

Het College heeft de beroepen gevoegd behandeld ter zitting van 7 juni 2002, waar partijen hun standpunt hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: de Wva) luidde ten tijde van belang onder meer als volgt:

"Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

m. speur- en ontwikkelingswerk: door een S&O-inhoudingsplichtige, dan wel een S&O-belastingplichtige, systematisch georganiseerde en in Nederland verrichte werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek of de ontwikkeling van voor de S&O-inhoudingsplichtige onderscheidenlijk de S&O-belastingplichtige technisch nieuwe:

1°. fysieke producten;

2°. onderdelen van fysieke producten;

3°. fysieke productieprocessen;

4°. onderdelen van fysieke productieprocessen;

5°. programmatuur of

6°. onderdelen van programmatuur,

alsmede daaraan voorafgaand in Nederland verricht haalbaarheidsonderzoek;

(…)

p. S&O-verklaring: de door Onze Minister van Economische Zaken op de voet van artikel 24 aan een S&O-inhoudingsplichtige of een S&O-belastingplichtige afgegeven verklaring betreffende speur- en ontwikkelingswerk.

Artikel 22

(…)

7. De inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven houdt een overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen regels ingerichte administratie bij met betrekking tot het verrichte speur- en ontwikkelingswerk, de daarbij betrokken werknemers en het door hen ter zake genoten loon.

Artikel 24

(…)

7. Een S&O-verklaring kan worden gewijzigd of ingetrokken indien blijkt dat te harer verkrijging verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend zouden zijn geweest. Onjuistheid of onvolledigheid van gegevens of bescheiden die Onze Minister van Economische Zaken bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond opleveren voor wijziging of intrekking van een verklaring.

Een S&O-verklaring kan tevens worden ingetrokken indien blijkt dat de in artikel 25 bedoelde administratie niet voldoet aan het bij of krachtens dat artikel bepaalde. De bevoegdheid tot het wijzigen of intrekken van een verklaring vervalt door verloop van vijf jaren na de dagtekening van de verklaring.

(…)

Artikel 25

De S&O-inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven houdt een overeenkomstig bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken vast te stellen regels ingerichte administratie bij met betrekking tot de aard en de inhoud van het verrichte speur- en ontwikkelingswerk en de uren welke de daarbij betrokken werknemers hebben besteed aan het speur- en ontwikkelingswerk. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de S&O-belastingplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven."

Artikel 2 van de Uitvoeringsregeling administratieve voorschriften S&O-vermindering (hierna: de Uitvoeringsregeling) luidt als volgt:

"De S&O-inhoudingsplichtige of S&O-belastingplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven dient een zodanige administratie bij te houden dat daaruit uiterlijk twee maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin werkzaamheden zijn verricht waarop de verklaring betrekking heeft op eenvoudige en duidelijke wijze zijn af te leiden:

a. de aard en de inhoud van het verrichte speur- en ontwikkelingswerk;

b. het aantal uren dat de betrokken werknemers, dan wel de betrokken S&O-belastingplichtige aan het verrichte speur- en ontwikkelingswerk per project hebben besteed."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluiten van 8 juli 1997 heeft verweerder aan elk van appellanten een S&O-verklaring afgegeven, dat de projecten "Verbeteren productieproces inclusief trilsystemen" en "Nieuwe generatie sierstenen Lindos" als speur- en ontwikkelingswerk zijn aan te merken. Deze S&O-verklaringen hebben betrekking op werkzaamheden te verrichten in de tweede helft van het kalenderjaar 1997.

- Op 1 oktober 1997 heeft verweerder een bedrijfscontrole bij eerstgenoemde appellante (hierna ook: Appeltern) verricht met betrekking tot een aan haar afgegeven S&O-verklaring voor werkzaamheden te verrichten in het kalenderjaar 1996. Naar aanleiding van deze bedrijfscontrole is een rapport is opgesteld, waarin onder meer het volgende staat vermeld:

" Projectadministratie:

S&O-onderzoek vindt veelal plaats door 'trial and error'. Hiervan worden schetsen, berekeningen en tekeningen (als er sprake is van product ontwikkeling). Het interne overleg wordt niet vastgelegd. Ook is er geen beschrijving van de project voortgang per kwartaal. Er is afgesproken dat er per 01-07-97 alsnog een volledige projectadministratie volgens de regeling wordt opgezet (een afschrift van regeling m.b.t. de projectadministratie heb ik afgegeven). In de toekomst zal middels een herhaalbezoek de nieuwe projectadministratie worden gecontroleerd."

- Bij besluiten van 28 oktober 1998 heeft verweerder aan elk van appellanten een S&O-verklaring afgegeven, dat het project "Klimaatkamers met traversewagens, transportsysteem en verpakking(slijnen)" als speur- en ontwikkelingswerk is aan te merken. Deze verklaringen hebben betrekking op werkzaamheden te verrichten in de tweede helft van het kalenderjaar 1998.

- Op 12 oktober 1998 heeft verweerder een bedrijfscontrole bij Appeltern verricht met betrekking tot aan haar op 8 juli 1997 en 28 oktober 1998 afgegeven S&O-verklaringen. Naar aanleiding van deze controle is een rapport is opgesteld, waarin onder meer het navolgende staat vermeld:

" Tijdens het bedrijfsbezoek op 10 oktober 1997 is geconstateerd dat de projectadministratie van de aanvragen 1996/1 onvoldoende is. Er zijn toen duidelijke afspraken voor de projectadministratie vanaf 01-07-1997 gemaakt (…).

Zowel voor de Beheermaatschappij Appeltern BV als voor S.F. Beton BV geldt dat gebruik wordt gemaakt van één en dezelfde projectadministratie.

(…)

Projectadministratie

Bij aanvang van het bezoek blijkt al snel dat de projectadministratie nog minder is dan het vorige bezoek. De heer Vlassak geeft aan dat de intermediair mogelijk stukken in zijn bezit heeft en belt de heer Giesbers (Hezelburcht) met het verzoek toch bij het gesprek aanwezig te zijn en alle S&O stukken mee te nemen.

(…)

Na aankomst van de heer Giesbers blijkt dat hij geen (aanvullende) projectadministratie onderdelen in zijn bezit heeft. Om misverstanden te voorkomen neem ik alle aanwezige stukken, die betrekking hebben op de projectadministratie, voor nadere bestudering en vastlegging mee (…) .

Ik concludeer dat de aangetroffen projectadministratie aanleiding geeft tot het intrekken van de S&O-verklaringen 1997/2 en 1998/2 van Beheermaatschappij Appeltern BV en SF Beton BV (het is niet uitgesloten dat de aanvrager daadwerkelijk S&O-werkzaamheden heeft uitgevoerd, echter dit is op geen enkele wijze schriftelijk vastgelegd).

(…)

De heer Vlassak geeft aan dat hij een techneut en geen schrijver is. Hij denkt dat er geen projectadministratie aanwezig is. Ook hij geeft aan dat mijn constatering voor 300% juist is."

- Bij brief van 14 oktober 1999 heeft de gemachtigde van appellanten verweerder het navolgende bericht:

" Refererend aan uw bedrijfsbezoek dinsdag 12 oktober jl. het volgende.

(…)

Uit het gesprek met de heer Vlassak is naar voren gekomen dat van de verrichte S&O-activiteiten geen of nauwelijks iets op papier staat (tekeningen, berekeningen, rapportages, verslagen etc.). Een en ander volgt uit de wijze van werken zoals te doen gebruikelijk in dit bedrijf (en branche). Veelal worden in de praktijk zaken uitgeprobeerd, zonder duidelijke verslaglegging. Het S&O-werk kan gekarakteriseerd worden als grotendeels trial-and-error. Ondanks toezeggingen aan de zijde van SF Beton om hierin verbetering te brengen (naar aanleiding van uw bedrijfsbezoek in 1996), is dit tot op heden nauwelijks geschiedt. De schuld hiervoor ligt in gelijke delen bij SF Beton en Hezelburcht. U heeft gelijk indien u stelt dat de taak van de adviseur mede omvat het monitoren van de projectverantwoording. "

- Bij laatstgenoemde brief hebben appellanten verweerder voorts twee beschrijvingen gestuurd van de projecten "Verbeteren productieproces inclusief trilsystemen" en "Nieuwe generatie sierstenen Lindos" en de te verrichten werkzaamheden, twee afsprakenverslagen, gedateerd 26 juni 1996 en 12 november 1996, en twee orderbevestigingen, gedateerd 28 juli en 18 september 1997.

- Bij besluiten van 15 november 1999 heeft verweerder de bovengenoemde S&O-verklaringen ingetrokken. Daaraan heeft hij - samengevat - ten grondslag gelegd dat hij uit de getoonde administratie niet eenvoudig en duidelijk heeft kunnen afleiden wat de aard en de inhoud van de door appellanten als S&O aangeduide werkzaamheden geweest is.

- Bij brief 15 december 1999 hebben appellanten hiertegen bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 28 januari 2000 hebben appellanten de gronden van het bezwaar ingediend, waarbij zij verweerder voorts de urenadministratie hebben doen toekomen met betrekking tot de projecten projecten "Verbeteren productieproces inclusief trilsystemen" en "Nieuwe generatie sierstenen Lindos". In deze brief staat onder meer het navolgende vermeld:

" De aard en inhoud van het verrichte speur- en ontwikkelingswerk van betrokken medewerkers is volgens Senter niet direct uit de administratie af te leiden. Dit is niet juist. De aard- en inhoud van de S&O-werkzaamheden sluit aan bij de gebruikelijke gang van zaken bij de aanvrager. Werkzaamheden en verslaglegging bij SF Beton geschiedt niet op academische of wetenschappelijke grondslagen. SF Beton kan daarentegen beter worden beschreven als een praktisch ingestelde onderneming. De betreffende S&O-projecten worden vooraf bepaald, gevolgd door werkzaamheden van keyfunctionarissen die op basis van een ieders expertise met het project aan de slag gaan. De aard- en inhoud van de verrichte S&O-werkzaamheden zijn derhalve af te leiden uit de functieomschrijving van de betrokken medewerkers; Technisch bedrijfsleider (product- en productietechniek), laborant, mallenmaker, persbaas, electrotechnicus, monteur etc. (…)"

- Op 9 maart 2000 hebben appellanten hun bezwaar mondeling toegelicht. Daarbij heeft verweerder hen in de gelegenheid gesteld extra informatie voor 18 maart 2000 aan te leveren.

- Bij brief van 22 maart 2000 hebben appellanten verweerder bedoelde informatie doen toekomen, en onder meer het volgende medegedeeld:

"Verbeteren triltafels (bijlage 1)

Onderhavig project is reeds in 1996 gestart en maakte dat jaar deel uit van het voor de Wbso opgevoerde project 'optimalisering productieproces'.

1a fax waarin wordt aangegeven dat Mason Europe diverse metingen zal verrichten

1b rapport versnellingsmetingen (3 juni 1996)

1c rapport versnellingsmetingen (4 september 1996)

1d rapport versnellingsmetingen (4 februari 1997)

1e rapport versnellingsmetingen (8 oktober 1998)

1f werkzaamheden i.s.m. Kuypers Metaalbewerking

Lindos (bijlage 2)

. Legverband

. Legvolgorde

Steenontwerp

. Malbakindeling

Hoewel het project voor een verbeterd droogsysteem, waarvoor SF Beton gebruik heeft gemaakt van de Tieb-regeling (Novem), geen onderwerp van discussie was hebben wij toch gemeend een chronologisch overzicht te moeten meezenden alsmede relevante achtergrondinformatie. Deze treft u aan in bijlage 3. "

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten en het nadere standpunt van verweerder

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de intrekkingen van de S&O-verklaringen gehandhaafd en daartoe - samengevat weergegeven - het volgende overwogen.

Om een adequate controle in het kader van de wet mogelijk te maken dient de S&O-inhoudingsplichtige en S&O-belastingplichtige voor de projecten waarvoor hij een S&O-verklaring heeft ontvangen over de uitvoering van deze projecten in zijn administratie zodanige gegevens bij te houden dat daarmee inzicht wordt verschaft in de voortgang van die projecten. Uit deze administratie dient op eenvoudige en duidelijke wijze afgeleid te kunnen worden welke speur- en ontwikkelingswerkzaamheden zijn verricht en de daaraan bestede tijd.

In beginsel wordt voor wat betreft het voeren van een projectadministratie aangesloten bij de bij de S&O-inhoudingsplichtige en S&O-belastingplichtige gebruikelijke gang van zaken. Dit kan betekenen dat de urenadministratie en projectadministratie fysiek gescheiden worden en/of dat de urenadministratie en projectadministratie worden gevoerd op een diepgaander niveau dan de aangemelde projecten en op verschillende plaatsen binnen het bedrijf worden bewaard.

Op basis van de door appellanten gevoerde administratie kan niet worden vastgesteld wat de activiteiten van appellanten in het kader van de onderhavige projecten hebben ingehouden en wanneer deze uitgevoerd zijn. Hierbij wordt opgemerkt dat appellanten ten tijde van een eerder bedrijfsbezoek op 1 oktober 1997 met betrekking tot een eerdere aanvraagperiode reeds zijn gewezen op de tekortkomingen in de door hen gevoerde projectadministratie, bij welke gelegenheid zij in het bezit zijn gesteld van een afschrift van de regeling met betrekking tot de projectadministratie en door de controlerend ambtenaar voorts een toelichting is gegeven op de administratieve eisen.

Voorzover het bedrijfsbezoek op 12 oktober 1999 slechts is aangekondigd bij appellante sub 1. is ten tijde van dit bedrijfsbezoek gebleken dat door appellanten één gezamenlijke projectadministratie werd gevoerd, hetwelk door appellanten werd erkend, zodat niet valt in te zien waarom de bevindingen van dit bedrijfsbezoek niet mede ten grondslag kunnen worden gelegd aan de besluitvorming ten aanzien van appelante sub 2. Bovendien is appellante sub 2. nadien in de gelegenheid gesteld om aanvullende informatie te verstrekken.

In het verweerschrift heeft verweerder onder meer nog het navolgende aangevoerd.

"De projectadministratie moet inzicht verschaffen over de voortgang van het project dat door appellante wordt uitgevoerd. Zij moet verder een administratie bevatten van de gewerkte uren met betrekking tot de werknemers die het project uitvoeren. Ik ben van mening dat uit de stukken die appellante ter beschikking heeft gesteld de voortgang van het project niet kan worden afgeleid. Uit de functieomschrijvingen van S&O-medewerkers kan ik de voortgang van het project niet afleiden en evenmin kan ik daaruit afleiden welke concrete werkzaamheden in het kader van speur- en ontwikkelingswerk zijn verricht door medewerkers van appellante zelf. (…)

(…) De aanvullende informatie die appellante heeft aangeleverd om aan te tonen dat ze wel degelijk speur- en ontwikkelingswerk heeft verricht leidt mij niet tot een andere conclusie. De informatie is namelijk niet van toepassing op de periode waarvoor de S&O-verklaring is afgegeven of de informatie voegt niets toe. Immers, afgezien van een enkel rapport met daarin metingen die op één tot hooguit enkele dagen zijn uitgevoerd, zijn er geen rapporten, verslagen, tekeningen of berekeningen gevoegd waaruit de voortgang en aard van de werkzaamheden van appellante zijn af te leiden."

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter ondersteuning van hun beroep het volgende tegen de bestreden besluiten aangevoerd:

" 1. Senter richt zich in de beschikking op het bezwaarschrift primair op het vermeende verzuim van SF Beton omtrent de administratieve voorschriften.

SF Beton heeft bewijsstukken overlegd waarin overduidelijk de voortgang van het project blijkt. Een en ander is onderbouwd door middel van een mondelinge toelichting tijdens de hoorzitting en een schriftelijke toelichting middels de overlegde chronologische beschrijvingen. De urenverantwoording geschiedt bij SF Beton conform de voorschriften. Urenstaten zijn per werknemer én per project ingevuld. Senter heeft deze wijze van urenverantwoording tot nu toe aangemerkt als voldoende. Op het door ons aangevoerde argument dat exact dezelfde wijze van urenregistratie bij andere bedrijven door Senter wel wordt geaccepteerd, wordt in de beschikking niet ingegaan. Evenmin gaat Senter in op de stelling dat geen eenduidig beleid wordt gevoerd inzake de administratieve voorschriften. In de S&O-handleiding staat dat in beginsel de administratie moet aansluiten bij de gebruikelijke gang van zaken bij het bedrijf. Dit is voor velerlei uitleg vatbaar. Interpretatie van dit voorschrift is voor bedrijven niet duidelijk en geschiedt door Senter per individueel bedrijf anders. Senter onderkent dit.

2. De administratie dient inzicht te verschaffen in de voortgang van het project. Aan Senter is een viertal rapporten overlegd aangaande versnellingsmetingen. Deze rapportages hebben betrekking op het project 'triltafels'. De rapportages dateren van 3 juni en 4 september 1996 en 4 en 8 oktober 1997. Duidelijk blijkt dat SF Beton S&O-werkzaamheden heeft verricht met betrekking tot de triltafels. Na elke verbetering/innovatie zijn de versnellingsmetingen verricht.

3. Senter stelt dat inzake het project "Klimaatkamers met traversewagens, transportsystemen en verpakken", de aard van de werkzaamheden en de voortgang van het project niet kan worden opgemaakt. Tijdens het bedrijfsbezoek zijn omtrent dit project geen vraagtekens gesteld. Onderhavig project is uniek en mede daarom gesubsidieerd door Novem. In samenwerking met machinebouwers, installateurs en constructiebedrijven is een volstrekt nieuw concept bedacht voor het drogen van betonstraatstenen. Dit project is pas dit jaar afgerond en heeft geresulteerd in een compleet nieuwe fabriek.

4. Het bedrijfsbezoek van Senter had betrekking op ingediende aanvragen van Beheermaatschappij Appeltern B.V. De intrekkingsbeschikking van Senter heeft betrekking op zowel Beheersmaatschappij Appeltern B. V. alsook SF Beton B.V. Senter concludeert dat de projectadministratie voor beide bedrijven één en dezelfde is. Dit is juist. Onjuist is echter het bedrijfsbezoek en de daaruit vloeiende intrekkingsbeschikkingen eveneens van toepassing te laten zijn op SF Beton. Senter heeft dit niet gemeld bij de aankondiging van het bedrijfsbezoek noch tijdens het bedrijfsbezoek. Ons insziens zijn derhalve de intrekkingsbeschikkingen inzake SF Beton juridisch niet houdbaar.

5. Bij aanvang van de hoorzitting is ons door Senter de procedure duidelijk gemaakt. Juridisch medewerkers van Senter hebben uitgelegd dat zij als onafhankelijke commissie de zaak zouden aanhoren. Een en ander betekent ons inziens het horen van argumenten van Beheermaatschappij Appeltern en het stellen van vragen. De uitermate kritische en aanvallende houding van Senter tijdens de hoorzitting hebben ons gesterkt in de overtuiging dat vooraf een bepaalde positie is ingenomen. Van onafhankelijkheid is geen sprake geweest. Daarnaast is gebleken dat betrokken medewerkers van Senter volstrekt geen begrip tonen voor de dagelijkse praktijk in een industrieel bedrijf. Toelichting omtrent de voortgang van projecten stuitte op onbegrip en werden met louter (semi-)juridische en/of procedurele argumenten terzijde geschoven."

Ter zitting hebben appellanten onder meer aangevoerd dat hun proefondervindelijke aanpak meebrengt dat niet alles uitdrukkelijk wordt geadministreerd, maar dat het door hen verrichte speur- en ontwikkelingswerk blijkt uit het eindproduct, hetgeen bij andere bedrijven wel als voldoende bewijs is aanvaard.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder op juiste gronden heeft geoordeeld dat uit de door appellanten gevoerde administratie niet op eenvoudige en duidelijke wijze de aard en de inhoud van het door hen verrichte speur- en ontwikkelingswerk zijn af te leiden.

Appellanten menen van niet en hebben daartoe ten eerste aangevoerd dat de urenadministratie geschiedt overeenkomstig de voorschriften en hetgeen Senter pleegt te aanvaarden.

Dit kan naar het oordeel van het College appellanten niet baten nu verweerder de intrekking van de S&O-verklaringen en het bestreden besluit heeft doen steunen op het ontbreken van een projectadministratie waaruit aard en inhoud van het verrichte speur- en ontwikkelingswerk zijn af te leiden. De urenadministratie heeft geen aanleiding voor verweerders standpunt gevormd, naar deze ter zitting desgevraagd heeft toegelicht.

5.2 Appellanten hebben betoogd dat de eisen die aan een administratie zijn te stellen, niet duidelijk zijn en dat hun administratie overeenkomstig verweerders S&O-handleiding aansluit bij de in hun bedrijf gebruikelijke gang van zaken.

Dienaangaande overweegt het College dat uit zowel artikel 25 Wva als artikel 2 Uitvoeringsregeling ondubbelzinnig volgt dat uit de administratie aard en inhoud van het verrichte speur- en ontwikkelingswerk moeten blijken. Aan deze inhoudelijke eis doet de verwijzing in de S&O-handleiding naar de in het bedrijf gebruikelijke gang van zaken niet af. Appellanten hebben voorts niet weersproken dat Senter hen bij het bedrijfbezoek op 1 oktober 1997 heeft gewezen op de noodzaak bepaalde verbeteringen in hun administratie aan te brengen. Het heeft op de weg van appellanten gelegen bij die gelegenheid of naar aanleiding daarvan Senter om opheldering te vragen over eventuele, bij hen bestaande onduidelijkheden over de te voeren administratie; gesteld noch gebleken is dat appellanten om zodanige opheldering hebben gevraagd.

In het licht van deze overwegingen kan het betoog van appellanten niet leiden tot het door hen beoogde doel.

5.3 Dat, naar appellanten hebben aangevoerd, hun administratie overeenkomstig verweerders S&O-handleiding aansluit bij de in hun bedrijf en voor hun praktische bedrijfsvoering gebruikelijke gang van zaken, maakt op zichzelf niet dat aard en inhoud van door hen verricht speur- en ontwikkelingswerk hieruit blijken. Deze zijn met name niet af te leiden uit de functieomschrijvingen van de betrokken medewerkers, omdat een functieomschrijving een aanduiding geeft van werkzaamheden die binnen die functie gedaan zouden kunnen of moeten worden, maar geen weergave bevat van het in een tijdvak daadwerkelijk verrichte werk.

5.4 Met betrekking tot het project "Verbeteren productieproces inclusief trilsystemen" hebben appellanten bij brief van 14 oktober 1999 aan verweerder twee uit 1996 daterende besprekingsverslagen gezonden. Deze verslagen betreffen niet het tijdvak waarvoor de S&O-verklaringen zijn is verleend, te weten de tweede helft van het kalenderjaar 1997, en kunnen reeds daarom geen inzicht bieden in aard en inhoud van speur- en ontwikkelingswerk, verricht in het relevante S&O-tijdvak.

De door appellanten bij deze brief eveneens toegezonden notitie biedt een globale beschrijving op één bladzijde van achtergrond en oogmerk van genoemd project, maar behelst geen weergave van werkzaamheden die vervolgens daadwerkelijk ter uitvoering van dit project in het tweede halfjaar van 1997 zijn verricht.

Vervolgens hebben appellanten bij brief van 22 maart 2000 een aantal meetrapporten van Mason Europe overgelegd waaruit blijkt dat op 3 juni 1996, 4 september 1996, 4 februari 1997 en 8 oktober 1997 metingen zijn verricht.

De eerste drie meetrapporten betreffen niet het tweede halfjaar van 1997 en kunnen reeds daarom geen inzicht bieden in aard en inhoud van het speur- en ontwikkelingswerk in het relevante S&O-tijdvak.

Uit het vierde meetrapport blijkt dat wijzigingen aan de triltafel, met name in de opstelling van de aandrijfmotoren, zijn aangebracht, maar niet of en zo ja welke werkzaamheden van werknemers van appellanten dit heeft gevergd en in welk tijdvak die werkzaamheden zijn verricht.

Daarover valt evenmin iets af te leiden uit de orderbevestigingen van Mason Europe, gedateerd 28 juli en 18 september 1997 betreffende een levering en een triltafelmeting.

Vier van de zes facturen van Kuypers Metaalbewerking betreffen leveringen in 1998 en bieden reeds daarom geen rechtens relevant inzicht. Uit de twee andere facturen, gedateerd 11 september en 5 december 1997, valt af te leiden dat door derden motoronderdelen zijn geleverd en motoraanpassingen zijn verricht, maar niet dat in verband daarmee ook bepaalde werkzaamheden zijn verricht door werknemers van appellanten zelf.

5.5 Met betrekking tot het project "Nieuwe generatie sierstenen Lindos" hebben appellanten verweerder een chronologisch overzicht met een globale beschrijving van achtergrond, oogmerk, organisatie en de verschillende projectfasen verstrekt. Ook dit overzicht behelst geen weergave van werkzaamheden die vervolgens daadwerkelijk ter uitvoering van genoemd project zijn verricht in het tweede halfjaar van 1997, het relevante S&O-tijdvak.

De orderbevestiging van Mason Europe, gedateerd 28 juli 1997 betreffende de levering van mallen, bevestigt dat ten behoeve van de productie van de beoogde sierstenen een installatie is gebouwd, maar biedt geen inzicht in het concrete speur- en ontwikkelingswerk dat werknemers van appellanten zelf hiertoe hebben verricht in het tweede halfjaar 1997.

Zodanig inzicht wordt evenmin geboden door het door appellanten verstrekte mengselrapport, reeds omdat dit rapport is gedateerd op 10 april 1998 en derhalve geen betrekking heeft op het relevante S&O-tijdvak.

Tenslotte kan in dit verband evenmin betekenis worden gehecht aan de door appellanten toegezonden gebruiksaanwijzing voor het leggen van de desbetreffende sierbestrating, nu dit stuk slechts getuigt van het bestaan van het uiteindelijke product, maar niet van speur- en ontwikkelingswerk dat werknemers van appellanten hiertoe hebben verricht in het relevante S&O-tijdvak.

5.6 Met betrekking tot het project "Klimaatkamers met traversewagens, transportsysteem en verpakking(slijnen)" hebben appellanten verweerder bij brief van 22 maart 2000 een documentatie gestuurd, waaronder een uitvoerig rapport over met name doelstelling, projectbeschrijving, technische aspecten en tijdplanning. Het rapport bevat een plan, geen verslag van daadwerkelijk verrichte werkzaamheden en strekt derhalve niet tot administratie van (aard en inhoud van) het speur- en ontwikkelingswerk dat is verricht in het tijdvak waarvoor de S&O-verklaringen zijn verleend.

Zodanige administratie heeft verweerder naar het oordeel van het College terecht ook niet gezien in de bij zijn bedrijfscontrole aangetroffen registratie van "vragen met betrekking tot het project". Deze registratie betreft vragen van constructieve, practische of technische aard die in de periode van 13 mei 1998 tot en met 29 september 1998 zijn gerezen, vermeldt de werknemers die verantwoordelijk waren voor hierop te nemen actie, en bevat een beknopte aanduiding van de gegeven antwoorden of gevonden oplossingen.

Welke werkzaamheden waren gemoeid met deze antwoorden of oplossingen valt uit de registratie niet steeds af te leiden, en derhalve ook niet of deze werkzaamheden speur- en ontwikkelingswerk waarop de ingetrokken S&O-verklaringen betrekking hebben, inhielden.

Of deze werkzaamheden door medewerkers van appellanten zijn verricht, valt evenmin af te leiden uit genoemde registratie, waarin veelal is volstaan de afhandeling van een vraag als actie van een bepaalde medewerker te benoemen. Dat daaruit geenszins volgt dat die medewerker vervolgens zelf de noodzakelijke werkzaamheden heeft verricht, blijkt ook uit het hiervoor genoemde rapport, dat in paragraaf 5.4.2 vermeldt dat de werkzaamheden van appellante SF Beton zich grotendeels beperken "tot ondersteuning van de leveranciers van de installaties en apparatuur".

Dit laatste wordt geïllustreerd door de overige stukken die appellanten over genoemd project hebben overgelegd, en die offertes, productspecificaties, orderbevestigingen en metingen van genoemde leveranciers betreffen. Ook deze stukken verschaffen geen inzicht in aard en omvang van speur-en ontwikkelingswerk van appellanten zelf, maar vormen veeleer aanwijzing dat een groot deel van de werkzaamheden door derden is verricht.

5.7 Ten algemene overweegt het College voorts dat uit de omstandigheid dat een in een S&O-aanvraag beoogd technisch nieuw fysiek product of productieproces is gerealiseerd, niet zonder meer kan worden afgeleid dat het daarop gerichte speur- en ontwikkelingswerk is verricht door de werknemers van de S&O-inhoudingsplichtige zelf en niet (mede) door derden. Het beroep dat appellanten op zodanige omstandigheid hebben gedaan, kan hen derhalve niet baten.

5.8 Uit voorgaande overwegingen volgt dat hetgeen door appellanten is overgelegd aan aanvullende informatie en is aangevoerd, geen grond vormt voor het oordeel dat verweerder ten onrechte bij zijn beslissing is gebleven dat appellanten niet hebben voldaan aan de verplichting om een zodanige administratie bij te houden dat daaruit de aard en inhoud van het verrichte speur- en ontwikkelingswerk op eenvoudige en duidelijke wijze zijn af te leiden.

Ingevolge artikel 25 Wva was verweerder derhalve bevoegd tot intrekking van de S&O-verklaringen over te gaan.

Het College is voorts van oordeel dat verweerder, die appellanten eerder bij het bedrijfsbezoek op 1 oktober 1997 heeft gewezen op de tekortkomingen in de administratie van appellanten, in deze gevallen in redelijkheid heeft kunnen besluiten van die bevoegdheid gebruik te maken.

5.9 Het College kan appellanten niet volgen in hun betoog dat verweerder niet gerechtigd is tot intrekking van de S&O-verklaringen aan appellante S.F. Beton omdat het bedrijfsbezoek op 12 oktober 1999 slechts is aangekondigd bij Appeltern. Immers, naar appellanten hebben verklaard voeren zij een gemeenschappelijke projectadministratie. Ook S.F. Beton diende ten tijde van het bedrijfsbezoek een voorgeschreven projectadministratie over de betrokken S&O-tijdvakken gereed te hebben. Niet weersproken is dat S.F. Beton vervolgens voldoende gelegenheid is geboden eventueel beschikbare aanvullende administratie alsnog over te leggen. Ook overigens ziet het College geen beletselen rechtens voor verweerder om ook de S&O-verklaringen aan S.F. Beton in te trekken op grond van zijn bevindingen.

5.9 Niet valt in te zien, en appellanten hebben desgevraagd ter zitting ook ontkend, dat in de door hen gestelde onheuse bejegening door de bezwaarschriftencommissie een grond voor onrechtmatigheid van de bestreden besluiten zou zijn gelegen.

5.10 De slotsom is dat de beroepen ongegrond zijn.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. R.P.H Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 december 2002.

w.g. M.J. Kuiper w.g. R.P.H. Rozenbrand