Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AF3251

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-12-2002
Datum publicatie
23-01-2003
Zaaknummer
AWB 02/838
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2002/1327
Module Horeca 2002/1900
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/838 23 december 2002

29010 Wet op de kansspelen

Aanwezigheidsvergunning

Uitspraak in de zaak van:

Multifunctioneel Centrum de Dobber B.V., te Kortenhoef, appellante,

gemachtigde: M. Tijhuis, werkzaam bij Administratiekantoor Tijhuis-Kraaypoel B.V. te Baarn,

tegen

de Burgemeester van Wijdemeren, verweerder,

gemachtigde: mr. M.H.R. Hassing, werkzaam bij de gemeente Wijdemeren.

1. De procedure

Op 24 mei 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 19 april 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 december 2001 van de burgemeester van de toenmalige gemeente 's-Graveland (die per 1 januari 2002 is opgegaan in de gemeente Wijdemeren) waarbij geweigerd werd een aanwezigheidsvergunning te verlenen voor twee kansspelautomaten in het Multifunctioneel Centrum de Dobber (hierna: de Dobber), ongegrond verklaard.

Verweerder heeft op 23 augustus 2002 een verweerschrift ingediend.

Op 30 oktober 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Aldaar hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader toegelicht. Voor appellante was voorts aanwezig A, bedrijfsleider van appellante.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet op de kansspelen (hierna: de Wet) luidt sinds 1 november 2000, voorzover hier van belang:

" Artikel 30

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

d. hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend:

1°. waar het café en het restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend en

2°. waarvan de activiteiten in belangrijke mate gericht zijn op personen van 18 jaar en ouder.

e. laagdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld is in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend, die geen hoogdrempelige inrichting is, of een inrichting waarin horeca-activiteiten worden verricht en waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is en ingeschreven is bij het Bedrijfschap Horeca.

(…)

Artikel 30b

1. Het is verboden, behoudens het in deze Titel bepaalde, zonder vergunning van de burgemeester een of meer speelautomaten aanwezig te hebben

(…)

b. op voor het publiek toegankelijke plaatsen;

(…).

Artikel 30c

1. De vergunning kan slechts worden verleend, indien zij betreft het aanwezig hebben van een of meer speelautomaten:

a. in een laagdrempelige inrichting;

b. in een hoogdrempelige inrichting;

(…)

2. Bij gemeentelijke verordening wordt het aantal speelautomaten vastgesteld waarvoor per inrichting, als bedoeld in het eerste lid, vergunning wordt verleend, met dien verstande dat:

a. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder a, geen vergunning kan worden verleend voor kansspelautomaten;

b. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder b, het aantal kansspelautomaten waarvoor vergunning kan worden verleend, op twee wordt bepaald.

3. (…)

4. Indien zich binnen een laagdrempelige inrichting een horecalokaliteit als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet bevindt, waarin rechtmatig alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt, dan wordt deze lokaliteit als hoogdrempelige inrichting aangemerkt voor de toepassing van deze titel, indien:

a. voldaan is aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 30, onder d, en

b. de overige ruimten in die inrichting door het publiek uitsluitend te bereiken zijn zonder eerst deze lokaliteit te betreden.

5. (…)."

Artikel 1 van de Drank- en Horecawet luidt, sinds 1 november 2000, voorzover hier van belang:

" 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

(…)

- horecabedrijf: de activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse;

(…)

- lokaliteit: een besloten ruimte, onderdeel uitmakend van een inrichting;

- horecalokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse;

(…)

- inrichting: de lokaliteiten waarin het slijtersbedrijf of het horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen voor zover die terrassen in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, welke lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een andere besloten ruimte;

(…)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante exploiteert op het adres Meenthof 46 te Kortenhoef horeca-inrichting de Dobber. Voor de inrichting op dit adres is op 2 november 2000 een vergunning verleend ex artikel 3 van de Drank- en Horecawet ten name van A te Kortenhoef. De vergunning is verleend voor de lokaliteiten foyer/bar (136 m²), kleine zaal (56m²) en grote zaal (215m²).

- Via de entree en de 's zomers openstaande terrasdeuren betreden bezoekers het foyer/bar-gedeelte van de inrichting. Meestal gebruikt men de terrasdeuren, omdat dit handiger is. Dit gedeelte van de inrichting staat in open verbinding met de foyer/kleine zaal. Via het foyer/bar-gedeelte hebben bezoekers toegang tot de grote zaal. Bij voorstellingen in de grote zaal wordt in de pauze koffie en frisdrank geschonken in de kleine zaal. Wie een ander drankje of iets anders wil, kan dit aan de bar in het foyer-gedeelte halen. Aldaar kan men ook saté, biefstuk, bitterballen en maaltijden verkrijgen.

- De Dobber wordt door een twintigtal lokale non-profit-organisaties gebruikt voor vergaderingen, cursussen, tentoonstellingen en andere bijeenkomsten.

- Aan A is op 30 juli 2001een aanwezigheidsvergunning voor twee kansspel-automaten in de Dobber verleend met een geldigheidsduur tot 31 december 2001. Op 13 november 2001 heeft appellante een aanwezigheidsvergunning voor twee kansspelautomaten in het jaar 2002 aangevraagd. Verweerder heeft de gevraagde vergunning geweigerd, omdat de Dobber naar zijn mening als een laagdrempelige inrichting moet worden aangemerkt.

- Naar aanleiding van het hiertegen door appellante ingediende bezwaar is appellante in de gelegenheid gesteld haar bezwaar toe te lichten op 5 maart 2002 tijdens een hoorzitting.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in:

" Beoordeeld dient te worden of er sprake is van een hoogdrempelige, dan wel laagdrempelige inrichting. Om een inrichting als hoogdrempelig te kunnen kwalificeren, is de eerste voorwaarde het bezit van een Drank- en Horecawetvergunning. Hieraan is in dit geval voldaan.

De tweede voorwaarde is dat in de inrichting het bezoek aan deze inrichting op zichzelf staat en er geen andere activiteiten plaatsvinden waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend. Zelfstandige betekenis houdt in dat de activiteit een zelfstandige stroom van bezoekers trekt (voor bijvoorbeeld theatervoorstellingen of vergaderactiviteiten), en niet uitsluitend dient ter ondersteuning van het bezoek aan het café/bar gedeelte van de inrichting. Nu in de Dobber als multifunctioneel centrum wel deze andere zelfstandige activiteiten plaatsvinden is er geen sprake van een hoogdrempelige inrichting als bedoeld in artikel 30 van de Wet.

Vervolgens heb ik beoordeeld of voldaan is aan de uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 30c, lid 4 van de Wet. Als het café/bar gedeelte als een voldoende afgescheiden ruimte binnen de Dobber functioneert zou dit betreffende gedeelte alsnog als hoogdrempelig kunnen worden aangemerkt voor de toepassing van de Wet.

Voorwaarde hiertoe is dat de laagdrempelige ruimten uitsluitend te bereiken zijn zonder eerst de hoogdrempelige ruimte te kunnen betreden. Met andere woorden, indien men om de ruimten waar laagdrempelige activiteiten plaatsvinden te bereiken eerst door de hoogdrempelige ruimte kan of moet gaan, mogen in die hoogdrempelige ruimte geen kansspelautomaten worden opgesteld. Er moet dus sprake zijn van een situatie waarin men via de hoogdrempelige ruimte niet de laagdrempelige ruimte kan bereiken of omgekeerd. Gebleken, en door u niet bestreden, is dat er sprake is van een vrije doorgang tussen de respectievelijke ruimten. Er is zelfs geen sprake van een al dan niet gesloten deur. Dit betekent naar mijn oordeel dat de uitzonderingssituatie zich niet voordoet en De Dobber in zijn geheel als laagdrempelig moet worden aangemerkt.

Ook het feit dat de burgemeester van 's-Graveland eerder deze inrichting als hoogdrempelig heeft aangemerkt brengt hierin geen verandering. Gebleken is dat in een eerder stadium ten onrechte een positief advies door de politie is uitgebracht waarop de burgemeester zich destijds heeft gebaseerd. Na nadere beoordeling door mij van de relevante regelgeving en feiten kan ik niet anders concluderen dan dat de Dobber als laagdrempelig moet worden aangemerkt.

Het feit dat exploitatie van de kansspelautomaten een belangrijke inkomstenbron vormt kan mij niet tot een ander oordeel brengen. Nog afgezien van het feit dat U deze stelling niet met gegevens onderbouwt, vormt dit volgens vaste rechtspraak geen toetsingskader voor het al dan niet verlenen van de gewenste vergunning.

Uw opmerking dat vergelijkbare gelegenheden binnen 's-Graveland wel kansspelautomaten hebben opgesteld ondersteunt u evenmin met namen of gegevens, zodat ik niet kan beoordelen of dit daadwerkelijk het geval is en of dergelijke automaten al dan niet terecht staan opgesteld.

Op grond van het vorenstaande zie ik geen aanleiding het bestreden besluit te herzien."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd:

" De activiteiten van de betreffende onderneming bestaan uit verscheidene horeca-activiteiten. De overige activiteiten kunnen nauwelijks tot geen zelfstandige betekenis worden toegekend. Op basis hiervan heeft de politie Gooi- en Eemland eerder een positief advies afgegeven voor het verlenen van een vergunning tot het houden van kansspelautomaten. Sinds het afgeven van dit advies en verlopen van de vorige vergunning is er geen enkele wijziging geweest in omstandigheden. Daarnaast zijn wij van mening dat er, gezien de bereikbaarheid van de locatie waar voorheen de kansspeelautomaten stonden, voldoende afscheiding bestaat tussen het horeca-gedeelte en de overige ruimtes binnen het pand."

5. De beoordeling van het geschil

Vaststaat dat de drank- en horecavergunning werd verleend voor de drie gedeelten waaruit de Dobber bestaat. Daarmee omvat de inrichting de Dobber de drie gedeelten gezamenlijk. Allereerst dient bezien te worden of deze inrichting als laag- of hoogdrempelig moet worden aangemerkt.

Het College is van oordeel dat in ieder geval de toneel-, vergader-, en cursusactiviteiten, die in de inrichting plaatsvinden niet strekken tot ondersteuning van de activiteiten in het bar/foyer-gedeelte. Zij trekken een zelfstandige stroom van bezoekers die niet in de eerste plaats voor het gebruiken van alcoholische drank naar de Dobber komen. Bijgevolg is de inrichting in haar geheel als laagdrempelig aan te merken.

Vervolgens dient nagegaan te worden of zich binnen de laagdrempelige inrichting de Dobber een lokaliteit bevindt als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt. Een dergelijke lokaliteit dient immers ingevolge artikel 30c, vierde lid, als hoogdrempelig te worden beschouwd als voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet en als de overige ruimten in die inrichting door het publiek uitsluitend zijn te bereiken zonder eerst deze lokaliteit te betreden.

Deze situatie doet zich niet voor in de Dobber. Immers, nog daargelaten of de foyer/bar als "besloten" ruimte ten opzichte van de beide zalen valt te beschouwen, doet zich de situatie voor dat van buitenaf het publiek via het foyer/bar-gedeelte de kleine zaal en de grote zaal kan bereiken. Dientengevolge is er geen sprake van een lokaliteit die ingevolge artikel 30c, vierde lid, van de Wet als hoogdrempelige inrichting kan worden aangemerkt.

Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

Het College wijst partijen nog op het volgende.

De vergunning ex artikel 3 van de Drank- en Horecawet staat op naam staat van A en de aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten werd aangevraagd door appellante.

Zoals het College reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 9 oktober 2002 (AWB 01/963), te raadplegen op www.rechtspraak.nl onder nummer LJN AF 0354, dient uit de bepalingen van Titel VA van de Wet, in onderlinge samenhang gelezen, te worden afgeleid dat een vergunning tot het aanwezig hebben van speelautomaten slechts kan worden verleend aan de natuurlijke of rechtspersoon, die houder is van een vergunning ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet, dan wel inschrijfplichtig en ingeschreven is bij het Bedrijfschap Horeca en Catering. Een andere opvatting zou leiden tot het onaanvaardbare resultaat dat degene die de speelautomaten houdt, geen verantwoordelijkheid kan dragen voor het gebruik van die automaten conform de wettelijke bepalingen.

Ook om deze reden kon verweerder de gevraagde vergunning niet verlenen.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. C.J. Borman en mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 december 2002.

w.g. D. Roemers w.g. F.W. du Marchie Sarvaas