Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AF2317

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-12-2002
Datum publicatie
20-12-2002
Zaaknummer
AWB 01/881 t/m 01/897
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Nrs. AWB 01/881 t/m 01/897 4 december 2002

4191 Heffing

Heffingsverordening verbruik aardgas

Uitspraak in de zaken van:

Maatschap A en A, te B, appellante in de zaak geregistreerd onder nummer Awb 01/881,

C, te D, appellante in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 01/882,

E, voorheen v.o.f. E, te B, appellante in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 01/883,

V.o.f. F, te B, appellante in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 01/884,

Maatschap G, te B, appellante in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 01/885,

H, te I, appellante in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 01/886,

K, te B, appellant in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 01/887,

V.o.f. L, te M, appellante in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 01/888,

Tuinbedrijf N, te B, appellante in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 01/889,

Kwekerij O, voorheen v.o.f. P, te D, appellante in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 01/890,

Q, te R, appellante in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 01/891,

S, te D, appellant in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 01/892,

Kwekerij T, te U, appellante in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 01/893,

Kwekerij V, te U, appellante in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 01/894,

Fa. W, te U, appellante in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 00/895

Handelskwekerij X, te Y, appellante in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 00/896,

Maatschap Z, te D, appellante in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 01/897,

(hierna gezamenlijk te noemen: appellanten),

gemachtigde voor alle appellanten: mr. L.J. van Pelt, werkzaam bij WLTO Advies te Haarlem,

tegen

de Sociaal-Economische Raad, te 's-Gravenhage, verweerder in alle zaken,

gemachtigde: mr. E.A. van Bonzel, werkzaam bij verweerder.

1. De procedures

Op 22 november 2001 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen besluiten van verweerder van 18 oktober 2001.

Bij deze besluiten is, nadat het College bij uitspraak van 9 augustus 2001 no. AWB 00/447 t/m 456, 00/458 t/m 00/464 het beroep tegen beslissingen op bezwaar tegen door het Landbouwschap aan appellanten opgelegde aanslagen op grond van de Heffingsverordening verbruik aardgas gegrond had verklaard en deze besluiten had vernietigd, opnieuw beslist op het bezwaar dat appellanten tegen deze aanslagen gemaakt hebben.

Het beroepschrift is nader toegelicht bij brief van 18 december 2001.

Verweerder heeft op 7 februari 2002 een verweerschrift ingediend.

Op 11 oktober 2002 heeft het onderzoek ter zitting in alle zaken plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten bij monde van hun gemachtigden nader hebben doen toelichten. Tevens zijn verschenen A, C, F, H, K, P, V en W.

2. De grondslag van de geschillen

2.1 In de Heffingsverordening verbruik aardgas, die op 3 februari 1993 door het bestuur van het Landbouwschap is vastgesteld, is onder andere het volgende bepaald:

" Artikel 2

Een ieder die een landbouwonderneming drijft en direct of indirect aardgas verbruikt ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwprodukten is, voor zover deze verordening daartoe strekt, aan het Landbouwschap een overeenkomstig de volgende bepalingen te berekenen heffing verschuldigd ten behoeve van de financiering van maatregelen gericht op verbetering van de energie-efficiency.

Artikel 3

De heffing wordt berekend naar de door het energiebedrijf gefactureerde hoeveelheid aardgas die gedurende een bepaalde periode is verbruikt ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwprodukten, afhankelijk van de wijze waarop het energiebedrijf het definitief toegerekende verbruik heeft gefactureerd:

(…)

Artikel 4

1. De heffing, te berekenen overeenkomstig artikel 3, bedraagt ten hoogste 0,75 cent per m3 aardgas.

2. Het bedrag van de heffing per m3 aardgas, alsmede de periode waarop de heffing betrekking heeft, wordt door het Dagelijks Bestuur bij besluit vastgesteld.

Artikel 5

1. Het opleggen van de krachtens deze verordening verschuldigde heffing, hetzij in definitieve, hetzij in voorlopige vorm, geschiedt door het Dagelijks Bestuur door middel van toezending of uitreiking aan de heffingsplichtige van een aanslagbiljet, waarvan het model door het Dagelijks Bestuur wordt vastgesteld.

(…)

Artikel 6

1. Het Dagelijks Bestuur kan op basis van het geschatte verbruik aan de heffingsplichtige een voorlopige aanslag opleggen, die wordt verrekend met de krachtens deze verordening verschuldigde heffing.

(…)

Artikel 9

1. Indien de heffingsplichtige de gegevens, welke hem krachtens de Verordening registratie en verstrekking van gegevens ten behoeve van de uitvoering van de onderhavige verordening zijn gevraagd, niet, niet tijdig of niet naar waarheid verstrekt, wordt de heffing berekend over de door het Dagelijks Bestuur geraamde omvang van het in m3 uitgedrukte aardgasverbruik van de heffingsplichtige in de periode waarop de heffing betrekking heeft."

In het Besluit vaststelling bedrag heffing en verstrekking van gegevens aardgasverbruik 1993 wordt in artikel 6 het volgende bepaald:

" Artikel 6.

1.Het bedrag van de heffing als bedoeld in artikel 4 lid 2 van de Heffingsverordening Verbruik Aardgas wordt vastgesteld op 0,7 cent per m3 aardgas.

2. De periode waarop de heffing betrekking heeft, als bedoeld in artikel 4, lid 2 van de Heffingsverordening verbruik aardgas betreft:

a. de periode 1 april tot en met 31 december 1993, ingeval van maandelijkse meterstandopname en maandelijkse facturering van het verbruik of

b. de periode van 12 maanden, voorafgaande aan enig moment gelegen in de periode van 1 april 1993 tot en met 31 maart 1994 ingeval van voorschotnota's en een definitieve facturering per 12 maanden van het verbruik.

3. Ingeval de heffing moet worden vastgesteld aan de hand van het over een periode van 12 maanden als bedoeld in lid 2 sub b gefactureerde verbruik, wordt als maatstaf voor de heffing genomen ¾ deel van het over die periode van 12 maanden gefactureerde verbruik.

4. Ingeval een heffingsplichtige een W/K-installatie in eigen beheer heeft en de daarmee opgewekte warmte wordt aangewend ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwprodukten, wordt op de op diens aardgasverbruik gebaseerde heffingsaanslag een korting verleend van 30%. De korting wordt slechts verleend op het verbruik, gemeten via de gasmeter, waarop de W/K-installatie is aangesloten."

Op 23 februari 1994 heeft het Dagelijks Bestuur van het Landbouwschap vastgesteld het Besluit houdende uitvoering Heffingsverordening verbruik aardgas, waarvan het enig artikel luidt:

" Bij landbouwondernemingen die een warmte/kracht-installatie in eigendom hebben wordt de heffing ingevolge de Heffingsverordening verbruik aardgas, berekend over 70 procent van de door het energiebedrijf gefactureerde hoeveelheid aardgas, verbruikt ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwprodukten."

De artikelen 6 en 12 van het Koninklijk Besluit van 28 september 2000, Stb. 2000, nr. 411 (Besluit opheffing Landbouwschap), dat op 1 juli 2001 in werking is getreden, luiden als volgt:

" Artikel 6

1. De opheffing van het Landbouwschap tast de rechtskracht van de door dat lichaam wettig opgelegde heffingen niet aan.

2. De Raad vordert bij verordening de medewerking van de besturen van de daarbij aan te wijzen productschappen ten behoeve van de invordering van de aan het Landbouwschap, krachtens artikel 126, eerste en tweede lid, van de wet, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit verschuldigde bedragen, voorzover hun grond vindende in heffingsverordeningen waarop de in het eerste lid bedoelde heffingen zijn gebaseerd, inclusief de rechtsvorderingen die samenhangen met de heffingen. Met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit zijn de bedragen verschuldigd aan de bedoelde productschappen. De in de eerste zin bedoelde medewerking kan tevens worden gevorderd indien in het kader van de vereffening van het vermogen toepassing wordt gegeven aan de verordening, genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel d.

3. Door of namens de voorzitter van het Landbouwschap uitgevaardigde dwangbevelen als bedoeld in artikel 127, eerste lid, van de wet behouden hun rechtskracht.

4. De kosten van de invordering van de in het tweede lid bedoelde bedragen worden in rekening gebracht bij de Raad, die deze ten laste brengt van het vermogen van het Landbouwschap. Artikel 10, eerste, derde en vierde lid, is in dat geval van toepassing.

5.De in het tweede lid bedoelde bedragen worden na inning overgedragen aan de Raad en toegevoegd aan het vermogen van het Landbouwschap.

Artikel 12

1. De opheffing van het Landbouwschap heeft geen gevolg voor de ontvankelijkheid van beroepen ingevolge de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. In plaats van het Landbouwschap treedt de Raad als partij op.

2. Bezwaarschriften aangaande beslissingen van het bestuur van het Landbouwschap, met uitzondering van die betreffende de aanslagen bedoeld in artikel 6, worden na de inwerkingtreding van dit besluit gericht aan de Raad.

3. Gerechtelijke uitspraken, gedaan tegen het Landbouwschap of, op grond van het eerste lid, tegen de Raad, worden door de Raad uitgevoerd, voorzover nodig ten laste van het vermogen van het opgeheven Landbouwschap. Artikel 10, eerste tot en met vierde lid, is in dat geval van toepassing."

2.2 Voor wat betreft de in deze procedure als vaststaand aangenomen feiten en omstandigheden verwijst het College kortheidshalve naar hetgeen als zodanig vermeld is in zijn bovengenoemde uitspraak van 9 augustus 2001, die aan deze uitspraak gehecht wordt.

Daaraan zij toegevoegd, dat appellanten op 9 oktober 2001 hun bezwaren nader hebben doen toelichten op een door verweerder gehouden hoorzitting.

Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

In de bestreden besluiten worden de bezwaren, op grond van de volgende overwegingen, voor zover in ieder individueel geval van toepassing, ongegrond verklaard:

" Zoals hiervoor gesteld strekte de uitspraak van het CBb tot het verrichten van diverse handelingen door het Landbouwschap. Het Landbouwschap is echter opgeheven (…) en treedt vanaf 1 juli 2001 in plaats van het Landbouwschap de Sociaal-Economische Raad op als partij. (…)

Uw bezwaar richt zich tegen de heffing die u krachtens de Heffingsverordening verbruik aardgas (hierna: heffingsverordening) is opgelegd (…). Tijdens de hoorzitting zijn de al eerder naar voren gebrachte argumenten onderstreept. Tevens heeft uw gemachtigde gewezen op de gesprekken die zijn gevoerd (…) over de mogelijkheid tot een schikking te komen. (…) Gebleken is dat het Landbouwschap er bewust van heeft afgezien in te gaan op uw schikkingsvoorstel. (…). De raad ziet niet in welke gronden van zodanig gewicht zouden kunnen zijn dat alsnog op uw schikkingsvoorstel zou moeten worden ingegaan en wijst dat dan ook af.

De gronden van uw bezwaar zijn - kort en zakelijk samengevat - de volgende:

1. Ten tijde van het van kracht worden van de heffingsverordening had u al een W/K-installatie, zodat u niet ten volle heeft kunnen profiteren van de subsidieregeling die door de heffingsverordening wordt gefinancierd. In plaats van hiervoor een heffing te betalen, had u eigenlijk beloond moeten worden.

2. U bent van mening dat u geen aardgas afneemt middels uw W/K-installatie, maar restwarmte; een restproduct bij het opwekken van elektriciteit door een energiebedrijf waarop u geen invloed kunt uitoefenen.

3. De 70/30-norm wordt ook van toepassing verklaard op installaties die niet in eigendom zijn van heffingsplichtigen in geval er een bezwaarschrift is ingediend, waaruit een vorm van willekeur blijkt. Bovendien doet deze norm geen recht aan individuele gevallen. Het Landbouwschap heeft nimmer bekend gemaakt dat men deze norm zou kunnen aanvechten.

4. Er is geen rekening gehouden met verplichtingen die het energiebedrijf de tuinders heeft opgelegd voordat W/K-installaties mochten worden geplaatst. Zo was er de verplichting een buffertank te plaatsen. Die levert warmteverlies op, maar niettemin moet een heffing worden betaald over het hiervoor, en voor andere doeleinden, gebruikte aardgas.

De door u in beroep aangevoerde argumenten zijn inmiddels grotendeels door het CBb getoetst en blijven hier verder buiten behandeling. (…)

Dat het Landbouwschap inmiddels is opgeheven, betekent niet dat de heffingen daarom de benodigde rechtsgrond ontberen. Anderzijds is het niet zo dat de raad thans geacht moet worden de heffingen te hebben opgelegd. Die bevoegdheid heeft de raad in de Wet op de bedrijfsorganisatie niet gekregen. De raad treedt thans op grond van de eerder genoemde KB's op als partij in de lopende (beroeps- )procedures.

Inhoudelijk ingaand op uw bezwaar merkt de raad op dat de heffingsverordening van het Landbouwschap in de uitspraak van 9 augustus 2001 door het CBb verbindend is geacht. (…) Tevens heeft het CBb geoordeeld dat het Landbouwschap in redelijkheid gebruik kon maken van de argumenten die hebben geleid tot toepassing van de 70-30-regel. (…)

Omtrent het eerste door u aangevoerde bezwaar merkt de raad op dat de heffingen werden opgelegd aan alle ondernemers die aan bepaalde objectieve criteria voldeden en waarbij collectieve inbreng en collectieve belangen voorop stonden. Het individuele belang werd daaraan ondergeschikt gemaakt. Om die reden heeft het Landbouwschap ervan af gezien een speciale regeling te creëren ten behoeve van hen die al een W/K- installatie hadden aangelegd of laten aanleggen. Daarbij komt dat niet de gehele opbrengst van de heffing bedoeld was voor de subsidieregeling W/K, maar ook een deel werd aangewend voor onderzoek, voorlichting, doorlichting van bedrijven etc. waarvan u wel profiteert.

Omtrent uw tweede argument merkt de raad op dat dit niet in overeenstemming is met het bepaalde in de heffingsverordening, artikel 2. Daarin wordt uitsluitend het directe of indirecte aardgasverbruik als norm aangewend voor het beantwoorden van de vraag of de betreffende tuinder onder de werking van de heffings-verordening valt. Vast staat dat u door het energiebedrijf geleverd aardgas in rekening wordt gebracht, zodat de definitie van direct gasverbruik voor u van toepassing is. Indien dit al niet zo was, staat voorts vast dat u, door de afname van warmte, valt onder de definitie van indirect gasverbruik.

Uw derde argument kan evenmin leiden tot het oordeel dat aan u de heffing niet zou moeten zijn opgelegd. Zoals hiervoor al gesteld is uw argument van willekeur reeds door het CBb in zijn uitspraak terzijde geschoven. Terzake van uw argument dat u niet wist dat het hier ging om een forfaitair percentage dat bestreden kon worden, wijst de raad er op dat de desbetreffende bepalingen (…), alsmede de daarbij behorende toelichtingen zijn gepubliceerd in (…) het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie (…) In ieder geval kunt u zich er niet met recht op beroepen dat aan de forfaitaire normstelling geen aandacht is besteed, in die zin dat u daarvan niet heeft kunnen weten. Daarbij merkt de raad ten overvloede op dat u -ondanks de gevorderde staat waarin het geschil zich thans bevindt- geen bewijzen overlegde, waaruit blijkt dat in uw geval de toepassing van die norm tot onrechtvaardigheid leidde.

Uw bij punt 4. omschreven gronden van bezwaar geven aanleiding tot het maken van de opmerking dat deze omstandigheid voortvloeit uit verplichtingen die u vrijwillig bent aangegaan om uiteindelijk het installeren van de W/K-installatie, die u voor uw bedrijf wenste, gerealiseerd te zien.(…)

Rest de raad nog de beoordeling van de aspecten die als vraagtekens door het CBb in zijn uitspraak werden gezet bij de redelijkheid van de beslissing om diegenen die het Landbouwschap wel toegang hebben verstrekt tot informatie bij het energiebedrijf, over meer dan 70% van hun totale gasverbruik een heffing te laten betalen. Hierover merkt de raad het volgende op.

Zoals ook in de aanvullende toelichting van het Landbouwschap aan het CBb van 30 maart 2001 is uiteengezet, is de 70/30 norm tot stand gebracht om tuinders die een W/K-installatie in eigendom hebben tegemoet te komen. Aangenomen wordt dat 70 % van dat aardgas wordt gebruikt voor de verwarming ter bevordcring van het groeiproces van tuinbouwprodukten. Deze grondslag vindt zijn oorsprong in de gedachte dat niet al het verbruikte gas voor dit doeleinde wordt gebruikt en er geen waterdichte methode is om een verdeling te maken. Na onderzoek is gekomen tot een voor dc betrokkenen redelijke norm van 70/30. Voorts is er in de situatie waarbij de heffing wordt vastgesteld voor tuinders die een W/K-installatie gcbruiken die eigendom is van het energiebedrijf, sprake van twee afzonderlijke mogelijkheden.

A. Er wordt een opgave gedaan van de totale hoeveelheid geleverd gas.

B. Er wordt ecn opgave gedaan van de hoeveelheid aardgas die aan betrokkene is geleverd voor de verwarming ter bevordering van het groeiproces.

Vast staat dat het uitgangspunt van de heffingsverordening is, dat een heffing wordt betaald voor het gebruik van aardgas voor het bevorderen van het groeiproces. Dat vloeit voort uit het bepaalde in artikel 2 van de heffingsverordening.

In geval A. zal 30% korting worden berekend over het totaal, om aldus te komen tot een scheiding van aardgas dat werd gebruikt voor de verwarming ter bcvordering van het groeiproces (waarvoor de heffingsplicht geldt) en aardgas dat werd gebruikt voor (…) andere doeleinden (waarvoor de heffingsplicht niet geldt).

In geval B. wordt expliciet opgave gedaan van de kubieke meters aardgas die zijn gebruikt voor de verwarming ter bevordering van het groeiproces. Het is juist specifiek en uitsluitend dit gebruik dat de heffingsverordcning heeft beoogd te belasten. Hieruit vloeit voort dat in dat geval het reële verbruik wordt belast (…) ook indien dit leidt tot een groter percentage van het aardgasgebruik dan 70%. Naar de mcning van de raad kan dan ook niet worden beweerd dat de op deze wijze berekende grondslag niet in overeenstemming is met doel en strekking van de heffingsverordening, dan wel als onredelijk of onbillijk moet worden gekenschetst.

Over het argument van v.o.f. Van der Kaay dat ten onrechte driekwart jaar als basis is genomen als grondslag voor de heffing van 1993 en er geen rekening mee is gehouden dat in het eerste kwartaal verhoudingsgewijs meer wordt gestookt dan in de andere drie kwartalen merkt de raad het volgende op. In het artikel 6, vierde lid, van het Besluit vaststelling bedrag heffing en verstrekking van gegevens aardgasverbruik 1993 is imperatief voorgeschreven welke grondslag moet worden gehanteerd voor de berekening van het aardgasverbruik over het jaar 1993. Dit hield verband met de datum van inwerkingtreding van de heffingsverordening en als gevolg daarvan het ingaan van de heffingsplicht per 1 april 1993. (…) Onder deze omstandigheden acht de raad uw bezwaar ongegrond en worden de beschikking tot oplegging van de heffing onverkort gehandhaafd."

4. Het standpunt van appellanten

In het namens alle appellanten ingediende beroepschrift wordt er allereerst over geklaagd, dat verweerder geen individuele beoordeling heeft gemaakt van de opgelegde aanslagen. Niet in alle gevallen is rekening gehouden met de 70/30 norm.

In het aanvullend beroepschrift is dit argument nader uitgewerkt en is aangegeven, dat op de aanslagen van de appellanten Handelskwekerij X, V.o.f. E, Fa. W, Kwekerij V, Kwekerij T, V.o.f. F, maatschap A en AA en Kwekerij C over het jaar 1995 geen korting is aangegeven en op de aanslag van het Tuinbedrijf N over het jaar 1994 evenmin. Voorts is onder andere het volgende aangevoerd:

" Verweerder heeft meerdere malen aangegeven dat zij ter zake de genomen beslissingen vergissingen heeft gemaakt.

Zij zou slechts beoogd hebben een beslissing te geven op daadwerkelijk door appellanten ingediende bezwaarschriften. Uw uitspraak van 5 september 2001 zou slechts betrekking hebben op die beslissingen.

Voor appellanten ontstaat hiermede onduidelijkheid. Dit betekent immers dat bepaalde onjuiste aanslagen in stand blijven terwijl verweerder tijdens de zitting van 30 mei 2001 nog heeft aangegeven op welke wijze de 70-30 % regeling wordt toegepast. De regeling wordt toegepast op degenen die een installatie in eigen beheer hebben en op degenen die - voor zover de installatie in beheer is bij het energiebedrijf- geen gegevens hebben willen of kunnen overleggen.

Het is duidelijk dat verweerder met betrekking tot het opleggen van aanslagen onzorgvuldig te werk is gegaan. Tijdens de voornoemde zitting is door verweerder immers aangegeven "dat zij op een gegeven moment door de bomen het bos niet meer zag".

In de beslissingen op bezwaar wordt aangegeven tegen welke aanslagen bezwaarschriften zijn ingediend.

Vervolgens wordt in het verweerschrift aangegeven dat niet in alle gevallen bezwaarschriften zijn ingediend.

Voor appellanten wordt het een en ander niet helderder.

Van belang hierbij is tevens dat in de beginjaren van de aanslagen nog een discussie werd .gevoerd over de juridische status van de voorlopige aanslagen.

Appellanten hebben reeds diverse keren aan verweerder verzocht om in minnelijk overleg tot een afhandeling te komen van alle aanslagen over de verschillende jaren. Het is naar de mening van appellanten nog steeds de meest acceptabele oplossing. Hierbij speelt een rol dat appellanten pas in het jaar 2000 geconfronteerd werden met aanslagen over de ontbrekende jaren. Genoemde aanslagen zijn vaak niet voorzien van het kortingspercentage. Tegen de aanslagen zijn bezwaarschriften ingediend.

Inmiddels is bekend geworden dat het Landbouwschap in het kader van de Meerjarenafspraak Energie jarenlang heffingen heeft opgelegd zonder dat de ter zake binnengekomen gelden volledig benut zijn geworden. Inmiddels is hiermede een kapitaal van veertig miljoen gulden opgebouwd. Genoemd overschot zou inmiddels naar het Produktschap Tuinbouw zijn overgeheveld."

5. De beoordeling van de geschillen

Het College stelt allereerst vast, dat de aan de orde zijnde geschillen betrekking hebben op verweerders beslissingen op die bezwaarschriften, waarop ook de aan deze uitspraak gehechte uitspraak van het College van 9 augustus 2001 betrekking heeft. In dit geding gaat het derhalve om de volgende aanslagen:

Maatschap A en AA over 1993 en 1995;

Kwekerij C over 1995:

E over 1995;

V.o.f. F over 1995;

Maatschap G over 1993 en 1995;

H over 1993;

K over 1993:

V.o.f. L over 1993;

Tuinbedrijf N over 1994 en 1995;

Kwekerij O over 1994;

Q over 1994;

S over 1993;

Kwekerij T over 1993 en 1995;

Kwekerij V over 1993 en 1995;

Fa. W over 1993, 1994 en 1995;

Handelskwekerij X over 1995;

Maatschap Z over 1993.

Het is het College bekend, dat het Landbouwschap de beslissing op bezwaarschriften in andere zaken heeft aangehouden totdat in de onderhavige zaken duidelijkheid zou zijn ontstaan. Het College is niet bevoegd nu over die zaken uitspraak te doen.

Het College overweegt vervolgens, dat bij bovengenoemde uitspraak het College het Landbouwschap opdracht heeft gegeven opnieuw op de bezwaarschriften te beslissen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.

In die uitspraak is op een aantal door appellanten aangevoerde argumenten een definitieve beslissing genomen. De nieuwe beslissingen op bezwaar die het Landbouwschap en dus verweerder, die in deze procedure in zijn plaats is getreden, ingevolge de uitspraak moest nemen, moesten nog aan drie vereisten voldoen:

- zij moesten genomen zijn door het bevoegde bestuursorgaan;

- een tweetal door het College aangeduide vraagpunten moest beantwoord worden;

- appellanten moesten voorafgaand aan de beslissing gehoord zijn.

Voor het overige zijn de in de tot die uitspraak leidende procedure aangevoerde argumenten van appellanten verworpen. Voorzover zij ze nu opnieuw hebben aangevoerd, gaat het College daar dan ook aan voorbij.

Met betrekking tot de nu dus voorliggende vraag of de bestreden besluiten aan de drie bovengenoemde vereisten voldoen, overweegt het College als volgt:

Uit het in rubriek 2 aangehaalde artikel 12, eerste lid, van het Besluit opheffing Landbouwschap maakt het College op dat verweerder, in die gevallen waarin ten tijde van de inwerkingtreding van dat besluit op 1 juli 2001 een beroepszaak aanhangig was, in de plaats trad van het Landbouwschap. Voor bezwaarschriften wordt in het tweede lid een onderscheid gemaakt tussen bezwaarschriften betrekking hebbende op heffingen en overige bezwaarschriften, maar voor zaken die zich in de beroepsfase bevonden is dat onderscheid er niet. In het derde lid wordt verweerder aangewezen om gerechtelijke uitspraken, gedaan tegen het Landbouwschap dan wel tegen verweerder als partij ingevolge het eerste lid, uit te voeren. Naar het oordeel van het College betekent een en ander voor het onderhavige geval, dat verweerder de uitspraak van 9 augustus 2001 moest uitvoeren en dus opnieuw op het bezwaar moest beslissen. Verweerder is derhalve als het bevoegde bestuursorgaan aan te merken.

Verweerder heeft in de bestreden besluiten op beide door het College aangeduide vraagpunten een beslissing genomen. Het College stelt vast dat die beslissingen in het nu voorliggende beroep niet zijn aangevochten. In de onderhavige geschillen zijn zij dan ook niet in geding, zodat het College er verder aan voorbijgaat.

Appellanten zijn op 9 oktober 2001 in de gelegenheid gesteld hun bezwaren nader toe te lichten op een hoorzitting. Het College stelt zich op het standpunt, dat als een besluit vernietigd is omdat het genomen is zonder dat betrokkenen daarover gehoord zijn, er in beginsel ruimte moet zijn om op die hoorzitting binnen de grenzen van het geschil nieuwe feiten en omstandigheden aan te voeren, waarop dan bij de alsnog te nemen beslissing dient te worden ingegaan.

Blijkens het zich onder de gedingstukken bevindende verslag van de hoorzitting hebben appellanten bij die gelegenheid een aantal punten aan de orde gesteld. Voor het merendeel daarvan geldt, dat het ging om rechtsvragen waarover het College in zijn uitspraak reeds een definitieve beslissing had genomen en waarop de stellingen van appellanten geen nieuw licht wierpen.

Voor het overige is in de hoorzitting bepleit om een schikking te beproeven.

Er is echter één punt aangevoerd, dat weliswaar ook reeds eerder in de procedure was aangevoerd, maar waarop de uitspraak van 9 augustus 2001 geen beslissing inhield. Dat is de stelling van appellanten, dat verweerder zijn beleid met betrekking tot de 70/30 norm niet consequent heeft uitgevoerd. In een aantal gevallen, waar ingevolge verweerders uitgangspunten een korting van 30% zou moeten zijn toegepast, is dat volgens appellanten niet gebeurd, zonder dat daarvoor enige verklaring gegeven is. Op die stelling is in de genoemde uitspraak niet ingegaan, omdat het College in de uitspraak vraagtekens zette bij de vraag of dat beleid zelf wel in alle opzichten gehandhaafd kon worden.

In de nu bestreden besluiten heeft verweerder aan dit punt geen overwegingen gewijd. Appellanten hebben hun argumenten in beroep herhaald. Verweerder heeft bij het verweerschrift een stuk in geding gebracht, waaruit blijkt in welke gevallen het Landbouwschap wel en in welke niet een korting van 30% op het gemeten aardgasverbruik heeft toegepast.

Verweerder heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld, dat hij het aldus gemaakte onderscheid niet kan of hoeft te verklaren. Zijn uit artikel 12 van het Besluit opheffing Landbouwschap voortvloeiende taak in deze gedingen is naar zijn oordeel beperkt tot beantwoording van de vraag of terecht besloten is tot oplegging van de heffingen. Aan hem is niet de bevoegdheid verleend tot oplegging of wijziging van individuele aanslagen, zodat hij op argumenten op dit punt niet met vrucht kan ingaan.

Het College onderschrijft verweerders zienswijze niet. Nu artikel 12 van het Besluit opheffing Landbouwschap verweerder de opdracht geeft de uitspraak van het College van 9 augustus 2001 uit te voeren, moet daaruit de bevoegdheid om zulks ook daadwerkelijk te doen, worden afgeleid. Dat betekent dat verweerder de aanslagen kan wijzigen of intrekken, als daartoe bij de verdere behandeling van de aanhangige geschillen de noodzaak blijkt.

Consequentie van het voorgaande is, dat verweerder bij de bestreden besluiten op de door appellanten op dit punt aangevoerde grieven had moeten ingaan. Nu dat niet gebeurd is kan niet gezegd worden, dat de beslissingen op bezwaar berusten op een genoegzaam onderzoek en een deugdelijke motivering.

In beroep zijn deze grieven echter slechts namens een deel van de appellanten en voor een deel van de in geding zijnde aanslagen naar voren gebracht, namelijk voor één appellant voor de aanslag over het jaar 1994 en voor acht appellanten voor de aanslagen over het jaar 1995. Voor deze appellanten is het beroep, voorzover betrekking hebbende op de aanslagen over deze jaren gegrond. Voor de andere appellanten en de andere jaren speelt deze problematiek gelet op hetgeen appellanten hebben aangevoerd, niet, zodat gegrondverklaring van het beroep daar niet voor de hand ligt.

Weliswaar is namens appellanten bepleit om ook in die zaken tot gegrondverklaring over te gaan omdat het heel goed mogelijk is dat ook in die zaken bij nader onderzoek onnauwkeurigheden en rekenfouten zouden blijken, doch het College acht die stelling te weinig gespecificeerd om op grond daarvan tot vernietiging over te gaan.

Binnen de gegronde beroepen moet echter nog een onderscheid gemaakt worden. Uit het door verweerder overgelegde overzicht van de berekening van de berekende aanslagen blijkt dat bij de appellanten V.o.f. E, V.o.f. I en Kwekerij T over het jaar 1995 wel degelijk een korting van 30% op het verbruikte aardgas is toegepast. Dit overzicht is door appellanten niet bestreden en nu daaruit eenduidig blijkt voor welke bedragen de betrokken appellanten zijn aangeslagen, ziet het College geen reden aan de juistheid daarvan te twijfelen. In die gevallen vindt het College aanleiding om de rechtsgevolgen van de besluiten, voorzover vernietigd, in stand te laten.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt het College tenslotte, dat verweerder voor de door de gemachtigde van alle appellanten verrichte proceshandelingen, gelet op het bepaalde in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de in de daarbij behorende bijlage C2 voorgeschreven wegingsfactor, 1,5 maal het tarief van € 322,-- per proceshandeling moet voldoen. In totaal gaat het dan om € 966,--. Het College verstaat, dat verweerder dit bedrag, over de gegrond verklaarde zaken ongedeeld, vergoedt door uitbetaling via het kantoor van de gemachtigde van appellanten.

Het betaalde griffierecht in de negen gegrond verklaarde zaken zal verweerder eveneens dienen te vergoeden.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart de beroepen van de volgende appellanten ongegrond:

- maatschap G;

- H;

- K;

- V.o.f. L;

- Kwekerij O:

- Q;

- S;

- maatschap Z;

- verklaart de beroepen van de volgende appellanten gegrond:

- maatschap A en AA;

- Kwekerij C;

- V.o.f. E;

- V.o.f. F;

- Tuinbedrijf N;

- Kwekerij V;

- Kwekerij T;

- Fa. W:

- Handelskwekerij X B.V.

- vernietigt de bestreden besluiten :

- ten aanzien van de appellanten:

- Kwekerij C

- V.o.f. E

- Handelskwekerij X

geheel;

- ten aanzien van de appellante

- Tuinbedrijf N;

- voorzover betrekking hebbende op de aanslag over het jaar 1994

ten aanzien van de appellanten:

- maatschap A en AA;

- V.o.f. F;

- Kwekerij V;

- Kwekerij T;

- Fa. W:

voorzover betrekking hebbende op de aanslag over 1995.

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde (gedeelten van de) besluiten in stand blijven ten aanzien van de

appellanten

- V.o.f. E;

- V.o.f. F;

- Kwekerij T

- bepaalt dat verweerder binnen tien weken na verzending van deze uitspraak, met inachtneming van hetgeen daarin is

overwogen, opnieuw besluit over de bezwaren van appellanten, ten aanzien van wie (gedeelten van) de bestreden besluiten

vernietigd zijn, voorzover de gevolgen van die besluiten niet ingevolge deze uitspraak in stand zijn gebleven;

- bepaalt dat de Sociaal-Economische Raad aan de appellanten, wier beroep gegrond verklaard is, het betaalde griffierecht

ad € 204,20 vergoedt;

- bepaalt dat de Sociaal-Economische Raad de proceskosten ad € 966,-- vergoedt op de wijze als in rubriek 5 overwogen is.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. W.E. Doolaard en mr. B. van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van mr. W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 december 2002.

w.g. C.M. Wolters w.g. W.F. Claessens