Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AF2259

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-12-2002
Datum publicatie
20-12-2002
Zaaknummer
AWB 02/720
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/720 10 december 2002

20311 Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant van een tuchtbeschikking door het Tuchtgerecht Productschap voor Pluimvee en Eieren, kamer primaire sector (verder: Tuchtgerecht).

1. De procedure

Bij tuchtbeschikking nr. TPPE 33/2002, gewezen op 12 april 2002, heeft het Tuchtgerecht aan appellant de tuchtrechtelijke maatregel van berisping opgelegd. Naar aanleiding van die tuchtbeschikking heeft het Tuchtgerecht diezelfde dag eveneens besloten tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de aan appellant bij tuchtbeschikking van 15 september 2000 (nr. TPPE 33/2000) opgelegde tuchtmaatregel, zijnde een geldboete van € 567,--.

Bij brief van 23 april 2002, bij het Tuchtgerecht binnengekomen op 25 april 2002, heeft appellant het Tuchtgerecht verzocht om berechtingsrapport L01090 opnieuw in overweging te nemen. Het Tuchtgerecht heeft deze brief van appellant opgevat als een beroepschrift tegen de tuchtbeschikking nr. TPPE 33/2002, alsmede tegen de tenuitvoerlegging van het bij tuchtbeschikking nr. TPPE 33/2000 opgelegde voorwaardelijke deel van de geldboete. Bij brief van 26 april 2002 heeft het Tuchtgerecht dit beroepschrift aan het College toegezonden. Deze brief is op 1 mei 2002 ter griffie van het College ontvangen.

Bij brief van 18 mei 2002 heeft appellant het College nadere stukken doen toekomen.

De secretaris van het Tuchtgerecht heeft het College bij brief van 21 mei 2002 de op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 29 oktober 2002. Ter zitting zijn inlichtingen verstrekt door mr. R.B.R. Henke en ir. B.M. Dellaart, beiden werkzaam bij het Gemeenschappelijk Secretariaat van de Productschappen Vee, Vlees en Eieren (hierna: Productschap). Appellant noch zijn gemachtigde E.H.H. Maatman zijn ter zitting verschenen.

2. De grondslag van het geschil

In de op 11 november 1999 door het Bestuur van het Productschap Pluimvee en Eieren vastgestelde Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 1

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

17. opfokleghennenbedrijf: inrichting die zich toelegt op het opfokken van leghennen tot het stadium waarop zij consumptie-eieren produceren;

(…)

Artikel 4

1. Iedere ondernemer is verplicht elk koppel pluimvee te laten onderzoeken op de aanwezigheid van de in de Bijlage, onderdeel a., bedoelde schadelijke micro-organismen.

(…)

4. Iedere ondernemer die een opfokleghennenbedrijf en/of een leghennenbedrijf uitoefent is verplicht, in afwijking van het eerste lid, elk koppel pluimvee te laten onderzoek op de aanwezigheid van de in de Bijlage, onderdeel c, bedoelde schadelijke micro-organismen.

Bijlage

Lijst van de in artikel 4 (…) bedoelde schadelijke micro-organismen

a. Salmonella : Salmonella spp., d.w.z. alle typen Salmonella;

(…)

c. S.e. en S.t. : Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium"

Het eveneens op 11 november 1999 door voormeld Bestuur vastgestelde Hygiënebesluit opfokleghennenbedrijven 1999 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

" Artikel 4

1. Voorafgaande aan het overplaatsen van een koppel pluimvee dient ten minste 0,5% van dat koppel te worden bemonsterd door middel van bloedmonsters, met een minimum van 24 kippen en een maximum van 60 kippen.

2. Het onderzoek op aanwezigheid van antistoffen tegen Salmonella enteritidis en/of Salmonella typhimurium vindt plaats maximaal 14 dagen voordat het betreffende koppel pluimvee wordt overgeplaatst.

(…)"

3. Het berechtingsrapport

Het berechtingsrapport, op 22 oktober 2001 opgemaakt door H.H. Kosse, controleur bij de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiprodukten, heeft, voor zover hier van belang, de navolgende inhoud:

" Op 27 juni 2001 omstreeks 09.00 uur bevond ik, relatant H.H. Kosse, mij op een perceel gelegen aan de M te X.

Aldaar is het opfokleghennenbedrijf van A gevestigd, geregistreerd bij het Productschap voor Pluimvee en Eieren onder nummer *, zijnde een opfokleghennenbedrijf als bedoeld in artikel 1 aanhef onder 17 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999.

Ik bevond mij aldaar ter controle op de voorschriften van de "Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999" en het "Hygiënebesluit opfokleghennenbedrijven 1999". Ik zag dat op het perceel drie pluimveestallen met grondhuisvesting en batterijhuisvesting waren gevestigd.

Uit beschikbare informatie is het mij, relatant, bekend dat er op bedoeld opfokleghennenbedrijf onder meer op 20/24 juli 2000, 14 november 2000 en 12 januari 2001 respectievelijk 17.185, 15.950 en 17.300 stuks eendagskuikens zijn opgezet.

Op tijd en plaats voornoemd sprak ik aldaar met een persoon, aan wie ik mij in mijn functie bekend maakte en die ik met het doel van mijn komst in kennis stelde en die mij verklaarde A te zijn, hierna te noemen betrokkene.

Vergezeld door betrokkene controleerde ik voornoemd opfokleghennenbedrijf.

Mede aan de hand van de getoonde administratie zag ik dat op de navolgende wijze niet aan de verplichtingen was voldaan:

- het onderzoek op de schadelijke micro-organismen Salmonella enteritidis en/of Salmonella typhimurium van het koppel opfokleghennen - zijnde een koppel als bedoeld in artikel 1 onder aanhef 20 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 - dat op 14 november 2000 was opgezet en op 14 en 15 maart 2001 was overgeplaatst, was pas op 17 maart 2001 uitgevoerd. Derhalve niet maximaal 14 dagen voorafgaand aan de overplaatsing;

zijnde verplichtingen zoals voorgeschreven in artikel 4 lid 1 en 2 van het Hygiënebesluit opfokleghennenbedrijven 1999 jo. artikel 4 leden 1 en 4 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999.

(…)

Naar aanleiding van deze bevindingen sprak ik, relatant, omstreeks 10.30 uur op plaats en datum voornoemd betrokkene, die mij desgevraagd opgaf te zijn:

Betrokkene :-----------------A ---------------

geboren op * te Y, wonende M, * X, van beroep pluimveehouder.

Na betrokkene met de bevindingen in kennis gesteld te hebben, verklaarde hij mij op mijn vragen het volgende, zakelijk weergegeven:

"Ik ben eigenaar van dit bedrijf en als zodanig verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken op dit bedrijf. Het bedrijf staat bij het Productschap voor Pluimvee en Eieren geregistreerd onder nummer *.

De hennen die op 14 november 2000 waren opgezet, zijn inderdaad voor het overplaatsen niet onderzocht op de aanwezigheid van de schadelijke micro-organismen Salmonella enteritidis en/of Salmonella typhimurium.

De hennen zijn eigendom van de firma C uit Z. De firma C regelt onder andere altijd dit bloedonderzoek. Ik heb daar dan ook verder geen invloed op, aangezien ik het zelf niet mag doen.

Verder heb ik u niets te verklaren."

Ik heb betrokkene medegedeeld dat tegen hem een berechtingsrapport ten behoeve van het Tuchtgerecht van het Productschap voor Pluimvee en Eieren, kamer primaire sector, zal worden opgemaakt.

Op 27 september 2001 omstreeks 17.30 uur bevond ik, relatant, mij op een perceel gelegen aan de N te Z, alwaar Pluimveebedrijf C gevestigd is.

Ik sprak aldaar een persoon aan wie ik mij in mijn functie bekend maakte en die ik met het doel van mijn komst in kennis stelde en die mij desgevraagd opgaf te zijn:

Getuige : ----------------- D --------------------

geboren op * te Z, wonende N, * Z, medevennoot van Pluimveebedrijf C.

Nadat ik getuige met de door mij geconstateerde bevindingen in kennis had gesteld, verklaarde hij mij op mijn vragen het volgende, zakelijk weergegeven:

"Ik ben medevennoot van Pluimveebedrijf C en als zodanig medeverantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken op dit bedrijf.

Pluimveebedrijf C is eigenaar van de op het pluimveebedrijf van A uit X aanwezige hennen. Normaal gesproken zorg ik voor het laten tappen van bloed. Indien ik dit vergeet, wat af en toe wel eens gebeurt, helpt vaak de verzorgende pluimveehouder mij er aan herinneren. Ik heb er alle belang bij dat het bloedtappen gebeurt, omdat de . klant die de hennen koopt ook de uitslag van de bloedmonsters belangrijk vindt. Tijdens het laden van het betreffende koppel kwam ik er achter dat er geen bloed getapt was. Ik heb dit tijdens het laden alsnog gedaan. Dat de datum van monstername later is dan de datum van laden, komt omdat ik het bij de bloedmonsters behorende formulier later heb ingevuld. Ik geef de monsters namelijk af bij onze plaatselijke dierenarts, welke een aantal keren per week deze monsters verstuurt. Op die dag breng ik dan de monsters en vul ik het bijbehorende formulier in.

Verder heb ik u niets te verklaren."

Op 23 februari 2000 is eveneens een inspectie door een inspecteur van de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiprodukten in het kader van de "Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij" uitgevoerd. Tijdens deze inspectie is betrokkene een berechtingsrapport aangezegd, welke onder nummer L00030 is ingediend bij het Tuchtgerecht van het Productschap voor Pluimvee en Eieren."

4. De bestreden tuchtbeschikking

Bij de bestreden tuchtbeschikking heeft het Tuchtgerecht als volgt overwogen en beslist:

" Aan de orde is het in genoemd berechtingsrapport gestelde dat op het bedrijf van betrokkene, (…)

§ de in de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 juncto het Hygiënebesluit opfokleghennenbedrijven 1999 opgenomen verplichting is overtreden in die zin dat het onderzoek op de aanwezigheid van de schadelijke micro-organismen Salmonella enteritidis en/of Salmonella typhimurium van het koppel opfokleghennen - zijnde een koppel als bedoeld in artikel 1 onder aanhef 20 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 - dat op 14 november 2000 is opgezet en dat op 14 maart 2001 en 15 maart 2001 is overgeplaatst, op 17 maart 2001 uitgevoerd. Dit betekent dat genoemd onderzoek niet maximaal veertien dagen voor het overplaatsen heeft plaatsgevonden.

(…)

Het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, kamer primaire sector, overweegt dat (…) aan betrokkene - wegens het overtreden van de geldende voorschriften ten aanzien van het laten uitvoeren van het hygiëne-onderzoek - een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd bij tuchtbeschikking TPPE 33/2000.

(…) Voor de pluimveesector is een "Plan van Aanpak" opgesteld om besmettingen van pluimvee met Salmonella en Campylobacter terug te dringen teneinde de consument een betere bescherming te bieden tegen mogelijke door deze besmettingen te veroorzaken gezondheidsproblemen. Een samenstel van maatregelen is thans van kracht op grond van het bij of krachtens het bepaalde in de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999. Teneinde het met het plan van aanpak beoogde doel te bereiken is het van het grootste belang dat een ieder zich houdt aan het totale pakket van de geldende maatregelen.

Vast is komen te staan dat op het bedrijf van betrokkene, (…):

§ het onderzoek op aanwezigheid van antistoffen tegen de schadelijke micro-organismen Salmonella enteritidis en/of Salmonella typhimurium bij het koppel opfokleghennen dat op 14 november 2000 is opgezet en dat op 14 maart 2001 en 15 maart 2001 is overgeplaatst, op 17 maart 2001 is uitgevoerd. Dit brengt met zich dat genoemd onderzoek niet maximaal veertien dagen voor het overplaatsen heeft plaatsgevonden.

Dit betekent dat het bepaalde in artikel 4, vierde en zevende lid en artikel 9 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 juncto artikel 4, tweede lid van het Hygiënebesluit opfokleghennenbedrijven 1999 is overtreden.

Dit is een strafbaar feit.

Het tuchtgerecht overweegt dat betrokkene een opfokleghennenbedrijf uitoefent dat zich toelegt op het opfokken van leghennen tot het stadium waarop zij consumptie-eieren produceren. Betrokkene oefent op het bedrijf de dagelijkse gang van zaken uit. (…) Betrokkene is naar het oordeel van het tuchtgerecht, als ondernemer die het opfokbedrijf uitoefent, verantwoordelijk voor de naleving van de geldende hygiëne- en bemonsteringsvoorschriften ten aanzien van het fokpluimvee dat op zijn bedrijf wordt opgefokt. Dat C naar de stelling van betrokkene de gang van zaken rond het bloedonderzoek regelt en dat de hennen eigendom zijn van deze firma doet aan die verantwoordelijkheid van betrokkene niet af.

Het tuchtgerecht is van oordeel dat bij de gemaakte overtreding van de voorschriften ten aanzien van het onderzoek op de aanwezigheid van Salmonella, gelet op het belang van de volksgezondheid, sprake is van een ernstige overtreding. In het kader van het terugdringen van besmettingen van legpluimvee met Salmonella is het strikt uitvoeren van deze bepaling van het grootste belang. Dit klemt des te meer nu een opfokbedrijf een distribuerende rol meer in het begin van de keten heeft, zodat een risico bestaat met betrekking tot de verspreiding van Salmonella indien de betrokken regelgeving niet nauwgezet wordt nageleefd.

Het tuchtgerecht heeft goede nota genomen van de bijzondere omstandigheid dat betrokkene is aangesloten bij de integratie van Pluimveebedrijf C en dat deze firma normaal gesproken de werkzaamheden ten aanzien van de bloedmonsternames en onderzoeken uitvoert. In dit verband merkt het tuchtgerecht op dat de verklaring van betrokkene geen invloed op de genoemde gang van zaken rond het bloedonderzoek te hebben in tegenspraak is met de verklaring van de heer D dat betrokkene hem er vaak aan helpt herinneren als hij vergeet om bloedmonsters te nemen. Het tuchtgerecht wijst betrokkene erop dat, wat ook van deze tegenstrijdige verklaringen zij, een en ander in de toekomst op andere wijze dient te worden afgestemd, gelet op het feit dat betrokkene verantwoordelijk is voor de naleving van de geldende hygiëne- en bemonsteringsvoorschriften.

Voorts neemt het tuchtgerecht goede nota van de omstandigheid dat betrokkene niet eerder is gewaarschuwd door een daartoe bevoegde inspecteur dat de geldende voorschriften ten aanzien van het maximaal veertien dagen voor het overplaatsen uit te voeren onderzoek op aanwezigheid van antistoffen tegen Salmonella enteritidis en/of Salmonella typhimurium niet op de juiste wijze worden nageleefd, dan wel is veroordeeld ter zake van een overtreding van genoemde voorschriften. Het tuchtgerecht houdt bij de bepaling van de zwaarte van de op te leggen tuchtrechtelijke maatregel met een en ander uitdrukkelijk rekening.

Gelet op het bovenstaande oordeelt het Tuchtgerecht Produktschap Pluimvee en Eieren, kamer primaire sector, dat aan de heer A - gelet op artikel 10 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 - in dit bijzondere geval een berisping wordt opgelegd."

5. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep verwezen naar een aan het Tuchtgerecht gerichte brief van 13 maart 2002. Daarin heeft appellant het volgende aangevoerd.

Op verzoek van een klant die door aanhoudend slecht weer achterstand had opgelopen bij de bouw van een nieuwe stal, was het de bedoeling de hennen een week later te verplaatsen. Naar aanleiding van de mond- en klauwzeercrisis en de in dat verband dreigende algehele stand-still van veetransporten, is echter besloten de hennen eerder af te leveren en in de bijna gereedstaande stal te plaatsen. Dit enerzijds om welzijnsproblemen bij doorgroeiende dieren in een dan te volle opfokstal te voorkomen en anderzijds om buitennesteieren door de late levering als gevolg van die stand-still bij de klant te voorkomen.

Voorafgaand zijn alle voorgaande bloedonderzoeken zorgvuldig doorgenomen en daaruit is gebleken dat nimmer een salmonellabesmetting bij appellant is aangetoond. Mede gelet op de strikte hygiëne die appellant op zijn bedrijf hanteert, was de kans op een salmonellabesmetting uiterst klein, hetgeen ook nadien is gebleken uit de negatieve uitslag van het alsnog gehouden salmonellaonderzoek.

6. De beoordeling

Het College stelt vast dat het beroepschrift van appellant op 1 mei 2002 bij het College is binnengekomen, welk tijdstip is gelegen na afloop van de in artikel 18 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie (hierna: Wet turbo) genoemde termijn van veertien dagen na verzending van de brief van het Tuchtgerecht van 12 april 2002, waarbij de tuchtbeschikking aan appellant is toegezonden. Hoewel in de Wet turbo niet is voorzien in de mogelijkheid bij overschrijding van de termijn niet-ontvankelijkverklaring achterwege te laten, is het College van oordeel dat in het onderhavige geval van zodanige omstandigheden sprake is dat appellant in zijn beroep kan worden ontvangen. Gebleken is immers dat het beroepschrift van appellant op 25 april 2002, dus binnen genoemde termijn van veertien dagen, bij het Tuchtgerecht is binnengekomen en vervolgens op de laatste dag van de beroepstermijn - 26 april 2002 - door de secretaris van het Tuchtgerecht aan het College is doorgezonden, waar het op de eerstvolgende werkdag - 1 mei 2002 - en dus binnen een week is ontvangen. Onder deze omstandigheden moet het beroep geacht worden tijdig te zijn ingediend.

Vervolgens is aan de orde de vraag of het door appellant ingestelde beroep ook is of geacht moet worden te zijn gericht tegen de tuchtbeschikking van 12 april 2002, waarin het Tuchtgerecht heeft besloten tot tenuitvoerlegging van de aan appellant bij tuchtbeschikking van 15 september 2000 (nr. TPPE 33/2000) opgelegde voorwaardelijke geldboete van f 1.250,-- (€ 567,--). Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe dat uit hetgeen appellant ter onderbouwing van zijn beroep naar voren heeft gebracht op geen enkele wijze kan worden afgeleid dat hij de bedoeling heeft gehad tevens op te komen tegen bedoelde tenuitvoerlegging van de hem eerder opgelegde voorwaardelijke maatregel. Het onderhavige beroep wordt derhalve geacht enkel te zijn gericht tegen de tuchtbeschikking van 12 april 2002 (nr. TPPE 33/2002).

Met betrekking tot het beroep ten gronde stelt het College voorop dat hetgeen door appellant is aangevoerd geen betwisting inhoudt van hetgeen door het Tuchtgerecht bewezen is verklaard, namelijk dat appellant het onderzoek op aanwezigheid van antistoffen tegen de schadelijke micro-organismen Salmonella-enteritidis en/of Salmonella-typhimurium bij een koppel opfokleghennen niet maximaal veertien dagen voor het overplaatsen heeft plaatsgevonden.

Het bewezenverklaarde levert overtreding op van de in de tuchtbeschikking ter zake genoemde voorschriften.

Hetgeen door appellant ter zake tegen de bestreden tuchtbeslissing is aangevoerd, vat het College op als te zijn gericht tegen de opgelegde tuchtrechtelijke maatregel.

Het Tuchtgerecht heeft overwogen dat bij de gemaakte overtreding van de voorschriften ten aanzien van het onderzoek op de aanwezigheid van Salmonella sprake is van een ernstige overtreding, daarbij in aanmerking nemend dat het belang van de volksgezondheid in het geding is en dat een opfokbedrijf als dat van appellant een distribuerende rol in het begin van de keten heeft, zodat een risico bestaat met betrekking tot de verspreiding van Salmonella.

Bij de vaststelling van de opgelegde maatregel heeft het Tuchtgerecht uitdrukkelijk rekening gehouden met de omstandigheden dat appellant is aangesloten bij de integratie van Pluimveebedrijf C en dat die firma doorgaans de werkzaamheden ten aanzien van de bloedmonsternames en onderzoeken uitvoert, alsmede dat appellante ter zake niet eerder is gewaarschuwd dan wel is veroordeeld. Het College heeft geen grond gevonden voor het oordeel dat het Tuchtgerecht deze omstandigheden in onvoldoende mate heeft laten meewegen bij de oplegging van de maatregel.

Het College acht, gelet op de omstandigheden van het geval, de opgelegde berisping niet zodanig dat geoordeeld moet worden dat het Tuchtgerecht niet in redelijkheid tot de opgelegde maatregel heeft kunnen komen. Het betoog van appellant dat aflevering van de opfokleghennen een week is vervroegd in verband met een dreigend vervoersverbod naar aanleiding van de mond- en klauwzeercrisis en om welzijnsproblemen in de stallen te voorkomen, leidt - daargelaten dat appellant deze stelling niet eerder naar voren heeft gebracht - niet tot een ander oordeel.

Het beroep dient dan ook te worden verworpen.

Deze uitspraak berust op de voorschriften, vermeld in rubriek 2 van deze uitspraak, alsmede op titel IV van de Wet turbo.

7. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, mr. M.A. Fierstra en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 december 2002.

w.g. M.A. van der Ham w.g. M.S. Hoppener