Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AF2183

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-12-2002
Datum publicatie
19-12-2002
Zaaknummer
AWB 02/264
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Registeraccountants 52
Wet op de Registeraccountants 54f
Wet op de Registeraccountants 54g
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 02/264 3 december 2002

20020 Wet op de registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage (hierna: de raad van tucht), gewezen op 26 november 2001.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 27 november 2001, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van zijn op 26 november 2001 genomen beslissing op een klacht die op 3 januari 2000 werd ingediend door appellant tegen B (hierna: betrokkene).

Bij een op 25 januari 2002 bij het College ingekomen beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 8 maart 2002 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 8 oktober 2002. Appellant is in persoon verschenen. Betrokkene is, als voorafgaand bericht, niet verschenen.

2. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht niet ontvankelijk verklaard.

3. De middelen van beroep

Appellant heeft, samengevat weergegeven, tegen de bestreden tuchtbeslissing de volgende middelen voorgedragen.

3.1 De raad van tucht heeft een aantal feiten niet juist weergegeven en heeft andere feiten ten onrechte als vaststaand aangemerkt. Voorts heeft de raad van tucht ten onrechte geconcludeerd dat appellant onredelijk lang heeft gewacht met het indienen van de klacht. Betrokkene heeft in een gerechtelijke procedure van appellant betaling gevorderd van een nota met betrekking tot voor appellant verrichte werkzaamheden inzake de jaarrekening 1994. Eerst ter gelegenheid van die gerechtelijke procedure heeft betrokkene appellant opheldering gegeven ten aanzien van bij appellant levende vragen omtrent de uitkomst van de werkzaamheden waarop bedoelde nota betrekking had. Naar appellant ter zitting heeft verklaard vormde met name die handelwijze van betrokkene voor hem de aanleiding om op 3 januari 2000 een klacht tegen betrokkene in te dienen bij de raad van tucht. Gelet op de datum van het vonnis van de kantonrechter, te weten 4 november 1999, kan naar de mening van appellant niet worden gezegd dat hij met het indienen van de klacht onredelijk lang heeft gewacht.

3.2 De onderhavige zaak is verweven met andere klachten die bij de raad van tucht tegen betrokkene zijn ingediend. Appellant is gebleken dat een individueel lid van de raad van tucht als raadsman voor betrokkene is opgetreden. Op grond hiervan zijn bij appellant twijfels ontstaan omtrent de integriteit van de raad van tucht.

4. De beoordeling

4.1 Ingevolge artikel 52, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Registeraccountans (hierna: de Wet) staat voor de klager slechts beroep open op het College, indien zijn bezwaar geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

De raad van tucht heeft in de tuchtbeslissing, waartegen appellant opkomt, uitgesproken dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht.

Nu aldus in de tuchtbeslissing het oordeel ligt besloten dat de klachten van appellant geen doel kunnen treffen, moet hetgeen door de raad van tucht is beslist voor de toepassing van genoemd artikel 52 op één lijn worden gesteld met een ongegrondverklaring van de bezwaren van appellant.

4.2. De raad van tucht heeft zijn oordeel dat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard doen steunen op de overweging dat klager onredelijk lang heeft gewacht met het indienen van de onderhavige klacht.

Het College is, met de raad van tucht, van oordeel dat van een klager mag worden verlangd dat hij, wanneer omtrent datgene waarover geklaagd wordt op een bepaald tijdstip bij hem voldoende duidelijkheid bestaat om de desbetreffende klacht te formuleren en in te dienen, vanaf dat tijdstip de klacht - op straffe van niet-ontvankelijkheid van de klager - ook binnen een redelijke termijn indient. Indien de redelijke termijn niet is overschreden, maar tussen de gedragingen waarover geklaagd wordt en de indiening van de klacht niettemin een ruime periode ligt, zal dat niet tot niet-ontvankelijk verklaring van de klager leiden, maar zal dat wel tot gevolg kunnen hebben dat bepaalde feiten, door een aan de betrokken accountant niet toe te rekenen bewijsprobleem, onvoldoende vast komen te staan om tot een tuchtrechtelijke maatregel ten opzichte van de betrokken accountant te kunnen leiden.

De raad van tucht heeft geconstateerd dat, nadat over de werkzaamheden waarop de beide klachtonderdelen betrekking hebben door klager bij diens brief van 8 juli 1996 aan betrokkene een aantal bezwaren was kenbaar gemaakt en betrokkene daarop bij diens brief van 12 juli 1996 had gereageerd, vervolgens 3,5 jaar zijn verstreken voordat klager de onderhavige klacht indiende.

Daargelaten of een periode van 3,5 jaar onder omstandigheden te lang bevonden kan worden om een klager nog ontvankelijk te achten in zijn klacht, stelt het College evenwel vast dat de raad van tucht eraan voorbijgegaan is dat betrokkene bij de kantonrechter op 11 november 1998 tegen appellant een vordering heeft ingesteld tot betaling van de factuur die betrekking had op de hiervoor bedoelde werkzaamheden. Het vonnis van de kantonrechter is van 4 november 1999. Appellant heeft in zijn klacht bij de raad van tucht verzocht maatregelen tegen betrokkene te overwegen omdat hij aan appellant een factuur heeft aangeboden voor niet uitgevoerde werkzaamheden en hij hem langs gerechtelijke weg heeft gedwongen tot integrale betaling van die werkzaamheden. Ter zitting bij het College heeft appellant toegelicht dat de opstelling van betrokkene, juist ook in verband met het entameren van de invorderingsprocedure, getuigde van een zodanig gebrek aan behoorlijke communicatie, dat hij daarin aanleiding heeft gezien om de onderhavige klachtprocedure te starten.

Onder deze omstandigheden ziet het College geen plaats voor het oordeel dat appellant, door na het vonnis van de kantonrechter van 4 november 1999 op 3 januari 2000 een klacht in te dienen, onredelijk lang heeft gewacht met het indienen van zijn, mede met die kantongerechtsprocedure samenhangende, klacht.

Het eerste middel treft derhalve doel, zodat de tuchtbeslissing niet in stand kan blijven.

Het College zal de tuchtbeslissing derhalve vernietigen en de zaak zelf afdoen.

4.3 Met betrekking tot de door appellant aangevoerde klachten overweegt het College als volgt.

Appellant heeft ter zitting van het College toegelicht dat de onduidelijkheid over de vraag of omzetbelasting over bepaalde autokosten in de jaarstukken 1994 behoorde te worden opgenomen - wat tot de klacht, geformuleerd in de tuchtbeslissing in klachtonderdeel b. heeft geleid - inmiddels voor hem niet meer bestaat. Het verwijt dat betrokkene naar het oordeel van appellant hier treft, is dat hij daarover aan hem onvoldoende voorlichting heeft gegeven.

Niet valt uit te sluiten dat door actiever voorlichting van de kant van betrokkene bedoelde duidelijkheid bij appellant eerder was ontstaan, zodat een klacht hierover geheel had kunnen uitblijven. Daar staat tegenover dat door betrokkene in zijn brief van 12 juli 1996, naar aanleiding van de brief van appellant over het hier bedoelde punt, gesteld is: "Voor alle duidelijkheid vragen wij u nogmaals ons in de gelegenheid te stellen om voor onze rekening, de jaarrekening nader te onderzoeken en eventueel aan te passen waardoor als dan de eventuele schade zoveel als mogelijk wordt beperkt". Op grond van de feiten die door appellant zijn aangedragen kan naar het oordeel van het College niet vastgesteld worden dat betrokkene op het punt van voorlichting zodanig in gebreke is gebleven, dat hem ter zake enig tuchtrechtelijk verwijt treft.

Het College komt met betrekking tot dit klachtonderdeel dan ook tot de slotsom dat het ongegrond verklaard moet worden.

Met betrekking tot het in de tuchtbeslissing onder a. genoemde klachtonderdeel overweegt het College het volgende.

Appellant heeft ter zitting een overzicht gegeven van de data, die zijns inziens relevant zijn voor de beoordeling van dit klachtonderdeel. Uit die data kan naar de mening van appellant worden afgeleid dat betrokkene ervan is uitgegaan dat de aangiften voor 1 juli 1995 ingediend moesten worden. Als de stelling van betrokkene, dat er uitstel was tot 1 maart 1996 juist zou zijn, dan is, aldus appellant, de factuur veel te vroeg verstuurd, namelijk nog voordat betrokkene de feitelijke werkzaamheden zou hebben moeten verrichten.

Blijkens het proces-verbaal van de zitting bij de raad van tucht heeft betrokkene aldaar onder meer verklaard dat er nooit is geklaagd over het niet indienen van de aangifte inkomstenbelasting.

Het College stelt vast dat in elk geval in de overgelegde correspondentie tussen klager en betrokkene, met name in de brief van 8 juli 1996 van klager, over de kwestie van de aangifte inderdaad niet wordt gesproken. Ook het vonnis van de kantonrechter biedt geen enkel aanknopingspunt dat dit punt aldaar onderdeel heeft gevormd van de discussie over de hoogte van de vordering.

Het College stelt op grond van de stukken vast dat in de periode dat de verweten gedraging speelde, een samenwerkingsverband tussen betrokkene en C - bij welke accountant appellant vóór die samenwerking cliënt was -, vrij kort na de totstandkoming weer werd verbroken. Voorts volgt uit de stukken dat appellant na verbreking van dat samenwerkingsverband weer cliënt van C is geworden. Ter zitting bij de raad van tucht heeft betrokkene onder meer verklaard : "Wij hebben cliënten die overgingen naar C in de tweede helft van 1995 of in 1996 aangeboden waar nodig nog zaken in orde te maken, maar wij hebben daarop van klager geen reactie gekregen."

Nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat betrokkene op de hoogte behoorde te zijn van vragen die bij appellant waren gerezen over de juistheid van de factuur voorzover het werkzaamheden met betrekking tot de onderhavige aangiften betreft, ziet het College onder deze omstandigheden ook ten aanzien van dit klachtonderdeel geen plaats voor het oordeel dat betrokkene zodanig tekort is geschoten in het geven van verheldering over de gefactureerde werkzaamheden, dat hem in dat opzicht tuchtrechtelijk verwijt zou treffen.

Ook dit klachtonderdeel acht het College derhalve ongegrond.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat ook de klacht van appellant, voorzover die zich richt tegen de omstandigheid dat betrokkene tot invordering is overgegaan, door het College ongegrond wordt geacht.

Deze uitspraak berust op de artikel 52,eerste lid, 54f en54g van de Wet, en artikel 5 GBR-1994.

5. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep van appellant gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtbeslissing;

- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond op de in deze uitspraak gegeven gronden.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M.A. van der Ham en mr J.L.M. Aerts, in tegenwoordigheid van mr M.J. van den Broek-Prins, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 december 2002.

w.g. B. Verwayen w.g. M.J. van den Broek-Prins

841/00.02

DE RAAD VAN TUCHT VOOR REGISTERACCOUNTANTS

EN ACCOUNTANTS-ADMINISTRATIECONSULENTEN

TE 'S-GRAVENHAGE

heeft de volgende uitspraak gedaan inzake de klacht van:

A

h.o.d.n. D

kantoorhoudende te Y

klager

C O N T R A:

B

kantoorhoudende te X

betrokkene

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

- Op 3 januari 2000 heeft klager een klacht ingediend tegen betrokkene. Deze heeft zich tegen de klacht verweerd bij brieven van 2 mei en 27 mei 2000. Vervolgens heeft klager gerepliceerd op 26 juli 2000 en heeft betrokkene gedupliceerd op 23 oktober 2000.

- De zaak is behandeld ter openbare zitting van de Raad van 17 september 2001, alwaar klager en betrokkene zijn verschenen.

DE VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de schriftelijke stukkenwisseling en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van het volgende:

1. Klager heeft een eenmanszaak onder de naam D.

2. Sedert december 1992 heeft C te X, hierna te noemen C, opdracht gehad om accountantswerkzaamheden voor klager te verrichten, bestaande uit de begeleiding van de administratie, het verzorgen van de jaarrekeningen en van de aangifte IB voor klager en zijn echtgenote.

3. Omstreeks maart 1995 is het accountantskantoor van C samengegaan met het kantoor van betrokkene. Sedertdien is de opdracht van klager onder verantwoordelijkheid van betrokkene voortgezet.

De feitelijke werkzaamheden voor klager werden toen merendeels verricht door E.

4. Kort na het samengaan van de accountantskantoren is de samenwerking weer verbroken. Klager heeft nadien de opdracht weer aan C verleend ingaande omstreeks eind mei 1995.

5. Betrokkene heeft op 2 mei 1995 de jaarrekening 1994 voor klager uitgebracht. De concept jaarrekening is voordien door de heer E voornoemd met klager besproken.

6. Op 3 juli 1995 heeft betrokkene aan klager een nota gezonden voor de verrichte werkzaamheden. Een aanvullende nota is gezonden op 7 juli 1995.

7. Klager heeft de aan hem en aan zijn echtgenote gezonden aangifteformulieren inkomstenbelasting 1994 per 1 juli 1995 zelf ingediend. Klager had daartoe uitstel gevraagd en verkregen tot 1 juli 1995.

8. Bij brief van 8 juli 1996 heeft klager bezwaar geuit tegen de door betrokkene verrichte werkzaamheden, stellende dat deze in onvoldoende mate beantwoordden aan de door klager verstrekte opdracht. Klager gaf aan dat er tekortkomingen waren die konden leiden tot problemen met de fiscus en voegde toe C te willen inschakelen om de stukken te onderzoeken.

9. Bij brief van 12 juli 1996 heeft betrokkene gereageerd op klagers brief en een daarover gevoerd telefoongesprek. Onder meer deelde betrokkene in die brief mee dat onderbouwing van klagers gevoelens nog steeds ontbrak.

10. Betrokkene heeft in een procedure voor de kantonrechter te X betaling van de bovengenoemde facturen gevorderd. De kantonrechter heeft de vordering grotendeels toegewezen bij eindvonnis van 4 november 1999.

DE KLACHT

De klacht behelst de volgende verwijten:

a. Betrokkene heeft nagelaten de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 1994 voor klager en zijn echtgenote op te stellen;

b. Betrokkene heeft de jaarstukken over 1994 van de eenmanszaak D gebrekkig en onvoldoende afgewikkeld.

Bij klachtonderdeel a heeft klager aangevoerd dat dit onderdeel van de opdracht, zoals verleend aan zijn voormalige accountant C, door betrokkene niet is uitgevoerd.

Bij klachtonderdeel b heeft klager aangevoerd dat in de jaarstukken 1994 de rapportage over en de specificatie van het bedrag van de omzetbelasting ten aanzien van het privé-gedeelte van door het bedrijf betaalde autokosten ontbreekt.

HET VERWEER VAN BETROKKENE

Betrokkene heeft tot zijn verweer - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

1. Betrokkene heeft in het dossier voor klachtonderdeel a geen aanwijzing kunnen vinden. Bovendien heeft klager geen stukken bijgevoegd waarmee hij de klacht onderbouwt.

Volgens de uitstelregeling van betrokkenes kantoor was er uitstel verkregen tot 1 maart 1996. Betrokkene wist niet dat klager zelf uitstel had gevraagd en verkregen tot 1 juli 1995. Betrokkene wist evenmin dat klager zelf de aangifte ingediend had.

Klager heeft nooit eerder dan in de onderhavige klachtprocedure aangevoerd dat bepaalde zaken niet zouden zijn afgewerkt.

2. Bij klachtonderdeel b. heeft betrokkene aangevoerd dat de omzetbelasting correct in de jaarrekening 1994 is gepresenteerd. De in de jaarrekening vermelde post ad f 755,-- is samengesteld uit f 467,-- BTW privégebruik auto en

f 288,-- als saldo verkoop/inkoop BTW.

Omdat de jaarrekening in concept met klager is besproken, zijn ook de correcties op de door klager zelf gevoerde financiële administratie aan hem gemeld en toegelicht.

Betrokkene heeft verwezen naar zijn brief aan klager van 12 juli 1996.

DE BEOORDELING VAN DE KLACHT

1. Beide klachtonderdelen hebben betrekking op werkzaamheden die door betrokkene, althans onder verantwoordelijkheid van betrokkene, zijn verricht in het voorjaar van 1995.

Klager heeft voor het eerst op 8 juli 1996 in zijn brief van die datum kenbaar gemaakt dat hij het gevoel had dat de werkzaamheden die op de factuur van 3 juli 1995 in rekening gebracht waren, onvoldoende zouden beantwoorden aan de verstrekte opdracht. Ondanks de brief van 12 juli 1996 van betrokkene heeft klager zijn bezwaren niet onderbouwd of gesubstantieerd.

Vervolgens is omstreeks 3,5 jaar verstreken voordat klager de onderhavige klacht indiende.

De Raad is van oordeel dat klager aldus onredelijk lang heeft gewacht met indienen van een klacht. Betrokkene mocht na dit tijdsverloop in redelijkheid verwachten dat klager zich niet meer zou beklagen over gedragingen of werkzaamheden die tot juli 1995 zijn verricht.

Klager dient hierom niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2. Ten overvloede overweegt de Raad dat, indien klager wel ontvankelijk zou zijn geweest, de klacht in beide onderdelen ongegrond zou zijn verklaard omdat klager, gelet op het door betrokkene gevoerde verweer, de klacht onvoldoende heeft onderbouwd. Klager heeft immers nagelaten voldoende feiten en stukken aan te dragen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat een of beide onderdelen van de klacht gegrond zijn.

DE BESLISSING

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratie-consulenten te 's-Gravenhage:

- verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht.

Aldus gewezen door mr. S.C.H. Koning, plv. voorzitter, drs. R. Glimmerveen RA en C.Chr. Doolhoff RA, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Rijpstra, adj. secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 26 november 2001 door mr S.C.H. Koning voornoemd.

plv. voorzitter adj. secretaris