Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AF2176

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-12-2002
Datum publicatie
19-12-2002
Zaaknummer
AWB 02/1928
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Algemene wet bestuursrecht 6:10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

No.AWB 02/1928 13 december 2002

12500

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak van 13 december 2002 van de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven in de zaak van:

A, statutair gevestigd te Haarlem, verzoekster,

gemachtigde: mr. J.R. Goppel, advocaat te Haarlem, alsook B, bestuurslid van verzoekster,

tegen

burgemeester en wethouders van Haarlem, verweerders,

gemachtigde: mr. M.E. Biezenaar, advocaat te Haarlem,

aan welk geding voorts als partij deelneemt:

de vereniging C, statutair gevestigd te Haarlem,

gemachtigde: D, bestuurslid van de vereniging.

De voorzieningenrechter opent de zitting en neemt kennis van het navolgende geschil.

1. De procedure

Bij besluit van 4 december 2001 hebben verweerders op grond van de, op de Winkeltijdenwet gebaseerde, Verordening winkeltijden Haarlem de koopzondagen in Haarlem voor het jaar 2002 aangewezen.

Bij brief van 14 maart 2002 heeft de gemeente Haarlem, Sector Stedelijke Ontwikkeling, Afdeling Economische Zaken, verzoekster bericht dat zij voornemens is verweerders voor te stellen 22 december 2002 alsnog aan te wijzen als koopzondag voor het centrum van Haarlem. Verzoekster is in de gelegenheid gesteld binnen twee weken te reageren op dit voornemen. In de brief van 14 maart 2002 is verzoekster medegedeeld dat de nota waarin bedoeld voornemen is vervat tezamen met het commentaar van verzoekster zal worden voorgelegd aan verweerders.

Bij brief van 25 maart 2002 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen het plaatsvinden van een koopzondag op 22 december 2002 in het centrum van Haarlem.

Bij besluit van 2 april 2002 hebben verweerders 22 december 2002 aangewezen als koopzondag voor Haarlem centrum-zuid.

Bij brief van 28 juni 2002 heeft verzoekster bij verweerders bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 april 2002.

Bij besluit van 5 november 2002 hebben verweerders beslist op het bezwaarschrift van 25 maart 2002 en hebben zij, voorzover hier van belang, besloten 22 december 2002 als koopzondag voor de gehele stad Haarlem, met inbegrip van Haarlem centrum-zuid, te handhaven.

Bij brief van 20 november 2002 heeft verzoekster bij de Rechtbank Haarlem beroep ingesteld tegen het besluit van 5 november 2002. Op 20 november 2002 heeft verzoekster zich voorts tot de voorzieningenrechter van genoemde rechtbank gewend met het verzoek het besluit van 5 november 2002 van verweerders bij wege van voorlopige voorziening te schorsen, voorzover daarbij de aanwijzing van 22 december 2002 als koopzondag voor Haarlem centrum-zuid is gehandhaafd.

Bij brief van 5 december 2002 heeft de griffie van de Rechtbank Haarlem het beroepschrift en het verzoekschrift aan de griffie van het College doorgezonden, alwaar deze stukken op 6 december 2002 zijn ingekomen. Het verzoekschrift is geregistreerd onder nummer AWB 02/1928, het beroepschrift onder nummer AWB 02/1929.

De voorzieningenrechter van het College heeft het verzoek behandeld ter zitting van 13 december 2002. Aldaar waren aanwezig de hierboven genoemde gemachtigden van partijen.

2. De beoordeling van het verzoek

2.1 Ingevolge artikel 8:81 Awb juncto artikel 19, eerste lid, Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel hangende bezwaar, voorzover tegen de beslissing op dat bezwaar beroep bij het College openstaat, de voorzieningenrechter van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster twee keer bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit van 2 april 2002 van verweerders tot aanwijzing van 22 december 2002 als koopzondag voor Haarlem centrum-zuid, voor het eerst op 25 maart 2002 en wederom op 28 juni 2002.

2.3 Artikel 6:8, eerste lid, Awb bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Vaststaat dat het bezwaarschrift van 25 maart 2002 is ingediend voordat verweerders hun besluit tot aanwijzing van 22 december 2002 als koopzondag voor Haarlem centrum-zuid hebben bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder b, Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.

In verband met het vorenoverwogene dient te worden beoordeeld of verweerders zich in hun besluit van 5 november 2002 terecht op het standpunt hebben gesteld dat verzoekster op 25 maart 2002 redelijkerwijs kon menen dat het besluit van verweerders tot aanwijzing van 22 december 2002 als koopzondag voor Haarlem centrum-zuid reeds tot stand was gekomen. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerders bedoeld standpunt in hun besluit van 5 november 2002 niet hebben onderbouwd.

De voorzieningenrechter beantwoordt de in de voorgaande alinea geformuleerde vraag, voorlopig oordelend, ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

Uit de in rubriek 1 van dit proces-verbaal genoemde brief van 14 maart 2002 blijkt dat de Afdeling Economische Zaken van de gemeente Haarlem voornemens was verweerders te adviseren tot aanwijzing van 22 december 2002 als koopzondag voor Haarlem centrum-zuid. In deze brief is verzoekster een termijn van twee weken gegund om te reageren op evengenoemd voornemen. Deze termijn liep af op 28 maart 2002. De brief van 14 maart 2002 bevat geen aanwijzing dat de Afdeling Economische Zaken wellicht reeds voor het verstrijken van de aan verzoekster gegunde termijn advies aan verweerders zou uitbrengen.

In verband met het voorafgaande heeft de voorzieningenrechter de vraag onder ogen gezien of de brief van 25 maart 2002 van verzoekster, in de aanhef waarvan wordt gerefereerd aan de brief van 14 maart 2002, louter moet worden beschouwd als reactie op laatstgenoemde brief en derhalve niet als bezwaarschrift. Nu verzoekster in haar brief van 25 maart 2002 heeft aangegeven dat zij bezwaar aantekent "tegen de koopzondag op 22 december 2002 van C" en heeft verzocht om heroverweging van "uw besluit", ziet de voorzieningenrechter, voorlopig oordelend, onvoldoende aanleiding de brief van 25 maart 2002 van verzoekster niet als bezwaarschrift tegen een door haar vermeend besluit aan te merken.

Verzoekster noch verweerders hebben ter zitting van 13 december 2002 gewezen op feiten en omstandigheden op grond waarvan verzoekster redelijkerwijs kon menen dat op 25 maart 2002, los van de voorgenomen advisering door de Afdeling Economische Zaken, reeds een besluit van verweerders tot aanwijzing van 22 december 2002 als koopzondag voor Haarlem centrum-zuid tot stand was gekomen. Aankondigingen in een uitgave van een plaatselijke winkeliersvereniging kunnen niet als een zodanige omstandigheid gelden.

Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat verweerders het bezwaar van 25 maart 2002 van verzoekster ten onrechte met toepassing van artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder b, Awb ontvankelijk hebben geacht en inhoudelijk beoordeeld. De voorzieningenrechter verwacht dat het besluit van 5 november 2002 van verweerders deswege in de hoofdzaak niet in stand zal blijven en dat het bezwaar van 25 maart 2002 van verzoekster door het College te gelegener tijd met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb, alsnog niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

2.4 Naar voorlopig oordeel zal het bezwaar van 28 juni 2002 door verweerders niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, nu het is ingediend na het verstrijken van de in artikel 6:7 Awb neergelegde termijn van zes weken en thans geen, althans onvoldoende, aanknopingspunten zijn gevonden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat verzoekster in verzuim is geweest.

2.5 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat aan een verdere beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening niet wordt toegekomen en dat dit verzoek reeds hierom moet worden afgewezen.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

3. De beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Aldus gewezen door mr. R.R. Winter, in tegenwoordigheid van mr. B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 december 2002.

w.g. R.R. Winter w.g. B. van Velzen